Joan Bannier.

Wiens brood men eet, wiens woord men spreekt.

Joan Bannier, geboren 17-3-1756 te Namen in België, van gere­formeerde religie, en overleden te Rotterdam 16-1-1820.

Zijn ouders waren Willem Andries Bannier geboren te Deventer op 2-4-1720, luitenant der artillerie in het regiment van lui­tenant-generaal Gladbeek, en Françoise Anna von Schweinitz, gedoopt te Philippine 6-1-1730 en vermoedelijk overleden te Bergen op Zoom 18-5-1762.

Zijn grootouders waren Frederick Bannier, schout van Wijhe en Aleyda Boelen.

Joan Bannier ging in ondertrouw te Wijhe, op 5-9-1794 met Grietje Strunk, proclamatie heeft plaatsgevonden op 7, 14 en 21 september 1794. Beiden woonden te Wijhe, en Joan Bannier is dan Scholtus van Heino, en onder Scholtus van Wijhe

Het stel is getrouwd te Wijhe op 23-9-1794, Grietje Str(e)unk is gedoopt te Wijhe op 4-5-1769 en overleden te Amsterdam 28-5-1810, amper 41 jaar oud, dochter van Johannes Streunck en Niesje Westenberg. Na hun huwelijk woonde het echtpaar aan de Langstraat te Wijhe. Uit dat huwelijk werden 9 kinderen gebo­ren, allen N.H. gedoopt te weten:

1.Willem geb.ged. Wijhe 15-6-179512-7-1795,

2.Françoise Anna geb.ged. Olst 18-11-179627-11-1796, en overleden te Zwolle 5-12-1806 en begraven in de Michaëlkerk 8-12-1806, overleden aan roodvonk.

3.Joan Adolf geb.ged. Olst 26-12-179714-1-1798,

4.Johanna Agnes geb.ged. Olst 25-9-179913-10-1799,

5.Elisabeth Maria geb.ged. Olst 5-8-180124-8-1801,

6.Godard Willem geb.ged. Zwolle 15-4-18031-5-1803 en overleden te Zwolle 12-1-1807 en begraven in de Michaëlkerk op 16-1-1807, en ook overleden aan roodvonk.

7.Patricia Frederica geb.ged. Zwolle 7-8-180525-8-1805,

8.Godard Willem gebged. Zwolle 28-5-180711-6-1807,

9.Johannes Petrus, zal in Amsterdam geboren en gedoopt zijn.

Joan Bannier studeerde rechten te Leiden 1-11-1775, maar be­haalde aldaar geen graad.

Later heeft hij te Harderwijk zijn studie rechten hervat 16-4-1805, en hij promoveerde aldaar op 27-4-1805.

In 1777 wordt Joan Bannier procureur te Deventer en vervolgens in 1783 schout of scholtis van Heino, en plaatsvervangend scholtis van Wijhe. Hij is kapitein van het patriotgezinde genootschap van wapenhandel te Wijhe, beter bekend onder de naam van Vrijkorpsen. Maar wij komen hem al tegen in het Rechterlijk Archief van Wijhe, waar hij als Scholtis van Heino, en onderscholtis van Wijhe is, en in die hoedanigheid vele akten heeft opgesteld en ondertekend.

In 1787 wordt hij wegens zijn patriottisch optreden als schout van Heino geschorst, de patriotten waren groeperingen tegen de gevestigde orde en gezaghebbers van de Oranjes, maar in 1788 komen wij hem nog steeds tegen als verwalter Scholtis van Wij­he, zij het afwisselend met de dan als verwalter Scholtis aan­gestelde, Willem Arnold Dwars en C. Pruimers. Als hij vervol­gens de staten van Overijssel om vergiffenis vraagt, wordt deze schorsing in 1789 opgeheven en na betaling van vijfhonderd guldens wordt tevens de aangevangen rechtszaak tegen hem stopgezet. Gezien de boete, moet hij een vermogend man geweest zijn. En het oude gezegde, wiens brood men eet, wiens taal men spreekt, zie je bij Joan Bannier terug.

Als patriot, dus tegen het stadhouderschap en de overheersing van de Oranjes, ziet hij zijn kans schoon, om tijdens de Ba­taafse omwenteling uitgevoerd door tegenstanders van het eeu­wenoude systeem van besturen door de stadhouders en Oranje, om mee te doen. Ondanks het feit, dat hij in het verleden, zij het noodgedwongen, de eed tegen het patriottisme heeft afge­legd.

Joan Bannier, zal door de ideën van de toenmalige leider van de Patriottenbeweging Joan Derk van der Capellen tot den Pol begeestigd zijn geweest, en die hem tot voorbeeld was geweest.

Deze Joan Derk van der Capellen tot den Pol (1741-1784) de burger baron, was een Nederlands politicus, in Gelderland ge­boren, maar door het kopen van een landgoed in Overijssel ver­kreeg hij toegang tot de staten van Overijssel, en een ver­klaard tegenstander van het stadhouderlijk bewind. Hij was de leider van de patriottische beweging in Nederland in de tweede helft van de 18e eeuw. Hij kwam ook op, tegen de uitoefening van rechten van oudsher, met een feodaal karakter waaronder grote delen van het platteland nog gebukt gingen, en die hij fel bestreed in geschrift en woord, met name in Twente. Zijn grote tegenstander daar was de drost van Twente de graaf Hey­den-Hompesch, die als een ware tiran zetelde in Ootmarsum. Vooral in Drostendiensten kwam hij als een ware machtswellusteling tot uiting. Drostendiensten waren verplichtingen, die door de boeren moesten worden uitgevoerd. Twee maal per jaar was eenieder verplicht om voor de drost van hun gebied gratis arbeid te verrichtten, het algemeen belang dienende. Maar als de drost de hoogste ambtenaar was, recht sprak en de absolute macht namens de stadhouder bezat, maakte hij wel uit wat alge­meen belang was. Zo gaf hij midden in de zaai en of oogsttijd rustig opdracht om voor hem turf te halen 6 uur gaans, de boe­ren die hun paarden de hele dag gebruikt hadden, en danig ver­moeid waren, gunden hun voornaamste bezit de paarden een nacht rust. Dat was tegen het zere been van graaf Heyden-Hompesch, die daar geen genoegen mee nam, en de boeren een boete gaf van 8 gulden, en dat in een tijd dat een landarbeider 8 stuivers per dag verdienden, en, dat men midden in de zomer echt geen turf nodig had voor de kachel. Ook was de drost van Twente een groot papenhater, en deelde met groot genoegen boetes uit voor het houden van katholieke erediensten. Ook moest een ka­tholieke familie eens het, in die tijd enorme bedrag, van F. 300,- betalen om een familielid te mogen begraven.

Onvrede door de gewone man, en ongebreidelde eeuwenlange macht van de regenten en adel, waren mede oorzaak, dat de gewone man zich ging organiseren. Zij hadden het tij ook mee, door de verburgerlijking van de maatschappij, en doordat de boeren in die periode door hogere graanprijzen in die tijd meer inkomen en daardoor meer macht verkregen. Door veranderende productiemethoden, en het gebruik van kunstmest, verkreeg men meer opbrengst van de landerijen. De grootgrondbezitters wilden dan ook de markegronden verdelen, welke gemeenschappelijk eigendom waren van de markeninwoners, en voor het overgrote gedeelte bestonden uit bos en heidegronden, en waarover zij niet zomaar konden beschikken. De Deventer stadssecretaris Dumbar verkon­digde de mening van velen omtrent verdeling van markengronden, hij vond, dat de marken zorgden voor de wegen en waterhuishou­ding, en als er al de noodzaak van verdeling was, en moest plaatsvinden, dan moest een gelijke verdeling van de gronden onder alle eigenaren plaatsvinden. Baron Sloet van Everlo heeft in 1779 nog gepoogd, om via de staten van Overijssel een verdeling van de marke Voltherbroek te eisen, maar dat is hem niet gelukt.

De economische neergang op andere fronten, vooral de handel, deed ons land geen goed, en het volk morde vooral tegen de stadhouder Willem V. En toen in de vierde Engelse zeeoorlog onze oorlogsvloot, die nog maar bestond uit 17 oorlogsschepen volledig door Engeland in de pan werd gehakt in 1781, en onze handel vrijwel stil kwam te liggen door Engelse suprematie op de wereldzeeën, en nog maar 11 schepen onder Nederlandse vlag door de Sont voerden om handel te drijven in de Oostzee, tegen 2000 schepen onder Britse vlag, nam mede daardoor de onvrede snel toe.

Burgers uit grote en kleine steden, aangevuld met boeren van het platteland, sloten zich aan bij de patriottenbeweging, verstoken van politieke invloed, maar zich bewust van hun macht, richten zij zich tegen de regentenkliek en de Oranjes. De boekdrukkunst was een geducht wapen van de patriotten tegen de gevestigde orde, want pamfletten en vlugschriften bereikten in grote getale de bevolking. Een van die pamfletten luidde:

Capellen moet groot, de Drostendiensten moeten dood, de rid­derschap zal’t concluderen, of de duivel zal het leren.

De patriotten gaven ook de Diemermeersche Courant uit, waarin

van der Capellen en zijn Twentse vriend en jurist Willem Racer artikelen schreven, vooral tegen de drostendiensten, en oprie­pen tot verzet en vooral om te procederen tegen de Drost, maar dat laatste is nooit op gang gekomen. Arme, en ook bange boe­ren, durven zich niet openlijk te verzetten tegen de machtige hoge heren, die ook vaak nog de grond van die heren hadden gepacht. Maar toch werd een overwinning geboekt, want onder druk van de publieke opinie, hebben de Overijsselse Staten de Drostendiensten voor eeuwig afgeschaft, en kreeg van der Ca­pellen zijn eerder afgenomen statenzetel terug.

Veel was bereikt, maar veel moest ook nog gedaan worden. Joan Derk van der Capellen tot den Pol zou de rest niet meer meema­ken, hij had roofbouw gepleegd op zijn toch al zwakke gestel, en hij overleed op 6-6-1784, en werd begraven in het familie­graf te Gorssel. De achting voor Joan Derk was groot, zijn politieke vrienden gaven de Italiaanse beeldhouwer Guisseppe Ceracchi opdracht voor een standbeeld voor een bedrag van maar liefst F. 45.000,- en dat waarschijnlijk bestemd was voor in de Grote Kerk te Zwolle, maar daar is het nimmer aangekomen. Politieke en financiële problemen hebben ervoor gezorgd, dat de 4 beelden in Rome zijn gebleven, en op een bijna vergeten plaats staan in de beeldentuin van de Villa Borghese te Rome.

Toen in het gedenkwaardige jaar van de omwenteling, 1787, de patriotten het veld moesten ruimen, en de orangisten opnieuw in het zadel kwamen, namen zij wraak, en vernielden het fami­liegraf van Joan Derk van der Capellen tot den Pol, en bliezen met buskruit het geheel op, niets is er van overgebleven.

Omdat in Zwolle in de Bloemendalstraat het geboortehuis staat, op het Bethlehems kerkplein een standbeeld, en in Zwolle zuid het winkelcentrum zich aan de van der Capellenstraat bevindt, kennen sommigen van ons die naam, maar verder is Joan Derk van der Capellen tot den Pol bij het grote publiek totaal onbe­kend. Maar in Amerika is hij mateloos beroemd, zijn idealen en ideeën stonden model voor de onafhankelijkheidstrijd van de Amerikanen.

Op 23-9-1787 werd stadhouder Willem V in zijn functie her­steld, en vele patriotten moesten hun positie opgeven, vooral in Deventer moesten zij het ontgelden, maar in Zwolle en Kam­pen bleef het redelijk rustig. Men moest wachten tot 1795 eer de patriotten wederom een kans kregen, en er werd toen weer stuivertje gewisseld. Wel is het zo, dat onder het stadhouder­tijdperk, onder de patriottentijd en ook in de Bataafse Repu­bliek en onder de Franse tijd van Napoleon, en onder de latere Koning Willem I, veelal dezelfde mensen op het kussen bleven zitten, zoals al eerder gezegd, wiens brood men eet, wiens woord men spreekt.

Toch hebben oost Nederlandsche staatslieden, zoals Herman Daendels uit Hattem, Rutger Jan Schimmelpenninck uit Deventer en Joan Rudolf Thorbecke uit Zwolle gewerkt aan de grondige vernieuwing van het staatsbestel van Nederland.

In 1795 was het voor stadhouder Willem V weer afgelopen, met een schip vluchtte hij van het strand van Scheveningen naar Engeland, en hij zou Nederland niet terugzien, hij overleed in 1806 in Oraniënstein.

Al reeds enkele jaren waren de Fransen onder leiding van Pichegru, en met behulp van vele gevluchte patriotten uit Ne­derland, waaronder Herman Daendels, bezig vanuit het zuiden ons land te veroveren. De strenge winter 1894/95 speelde in hun voordeel, vele rivieren zoals Maas, Waal, Rijn en IJssel waren bevroren, en het onder water zetten van vele landerijen hielpen in zo’n winter ook niet echt. Engelse, Hessense en Hanoveriaanse legers maakten dat zij weg kwamen naar hun eigen grondgebieden, en de Franse overheersing of de Bataafse Repu­bliek genoemd was een feit. 29 januari 1795 viel Kampen, waar 7 leden van het oude bestuur gewoon opnieuw benoemd werden, diezelfde dag werd in Zwolle het “Revolutionair Comité” be­noemd. De eerste sansculotten, de Franse troepen, hielden er trouwens een eigenaardig gevoel van vrijheid, gelijkheid en broederschap op na, zij “vingen een meid” op de brug in Zwol­le, sleurden haar mee naar de Broerenkerk en verkrachten haar daar. In Deventer wisselde op 2 februari 1795 de macht, en ging op in de Bataafse Republiek.

Tijdens de Bataafse omwenteling 1795-1810 wordt Joan Bannier schout en ontvanger van Olst, hij woont bij de volkstelling van 1795 nog in Wijhe, en wonen er 6 personen in zijn huis. Het gezin moet in 1795/1796 naar Olst vertrokken zijn, want hun tweede kind is in november 1796 in Olst geboren en ge­doopt. In 1798 maakt hij deel uit van het intermediair admini­stratief bestuur van Overijssel, tevens lid van het Vertegen­woordigend Lichaam (landsregering) voor het district Kampen van 31-7-1798 t/m 17-10-1801. Na zijn beëindiging van het lid­maatschap van het Vertegenwoordigend Lichaam is hij tussen eind 1801 en begin 1803 in Zwolle gaan wonen, en is hij van 1801 tot 1802 lid van de commissie tot het ontwerpen van een bestuursreglement voor het departement Overijssel, en van 1802 tot 1805 lid van het departementaal bestuur van Overijssel. In die hoedanigheid tevens lid van 1803 tot 1805, van de commis­sie tot superintendentie over de rivieren van de Bataafse Re­publiek. Na 1805 is hij nog enige tijd secretaris van de raad van financiën van Overijssel. In februari 1808 vertrekt hij uit Overijssel, en krijgt hij de functie van secretaris-gene­raal bij het directoraat-generaal van de posterijen te Amster­dam. Als in mei 1810 zijn vrouw in Amsterdam komt te overlij­den, vertrekt Joan Bannier in december 1810 naar Rotterdam, alwaar hij tot zijn dood op 16-1-1820 bijna 64 jaar oud, di­recteur der posterijen van Rotterdam is geweest.

Anton Heijmerikx, Lathen

colofoon:

Volksrepresentanten en Wetgevers/ Mr.A.M.Elias en Drs. P.C.M.Schölvinck

Tweeduizend Jaar geschiedenis van Overijssel/meerdere schrij­vers

Verzameling Anton G.M.Heijmerikx

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: