De Bataafsche Republiek 1795-1810.

De Bataafse omwenteling van 1795 is het begin van een nieuwe periode in het bestaan van ons land. Eeuwenoude staatsrechte­lijke structuren en machtsverhoudingen zullen vervangen wor­den, voor op dat moment totaal andere bestuurlijke inzichten, in een totaal nieuwe stijl. Het is Frankrijk, die de aanzet heeft gegeven tot deze tumultueuze gebeurtenissen.

Had men in ons land voor 1795 eeuwenlang de Republiek der ze­ven Verenigde Nederlanden, na 1795 de Bataafse Republiek tot 1810, en daarna het koninkrijk der Nederlanden, welke deel uitmaakte van het Franse keizerrijk. Pas in 1815, met de troonsbestijging van Koning Willem I, een zoon van de vroegere stadhouder Willem V, die samen met zijn zoon gedwongen waren geweest om bij het begin van de Bataafse omwenteling naar En­geland uit te wijken, begint het Koninkrijk der Nederlanden, zoals wij het nu nog kennen.

Als gevolg van die Bataafse republiek, werd begin 1796 een Nationale Vergadering gekozen, het begin van een periode vol van staatkundige veranderingen, ook in bevoegdheden, samen­stelling en van verkiezing, van de opeenvolgende wetgevende colleges, treden grote verschillen op. Zo is van het in 1796 de eens zo machtige Nationale Vergadering, in 1806 nog maar slechts een schim over.

De Eerste Nationale Vergadering, 1-3-1796 / 31-8-1797.
Kort na de omwenteling van januari 1795, besluiten de Staten Generaal, waarin nu de revolutionairen zitting hebben, dat de Raad van State, het bolwerk van de verdreven stadhouder, ver­vangen moet worden, door een Commité te Lande. Dit Commité te Lande, zal zich behalve met de zaken van het voormalige Raad van State, ook moeten bezig houden met een plan, waarbij uit het ganse land, ingezetenen opgeroepen zouden kunnen worden voor een algemene vergadering. Zij stellen een ontwerp regle­ment op, welke na zeer heftige discussies, en veel wijzigingen in een sterk verdeelde Staten Generaal op 30-12-1795 is aange­nomen. Daarna vinder er verkiezingen plaats, waarbij het land verdeeld is in districten, van ca. 15.000 inwoners, die op hun beurt weer verdeeld zijn in 30 grondvergaderingen van ca. 5.00 inwoners. De bevoegde stemmers in de grondvergadering, kiezen een persoon, en die dertig gekozenen van de grondvergaderingen op hun beurt een vertegenwoordiger voor de Nationale Vergade­ring. Deze persoon behoeft niet noodzakelijk in zijn district te wonen, maar door het schuiven van personen kan elk district toch een representatieve vertegenwoordiger aan wijzen. Het stemrecht in de verschillende grondvergaderingen is bestemd voor elke man, die niet van de bedeling leeft, en twintig jaar of ouder is, en de volgende verklaring heeft afgelegd: “Ik verklare voor wettig te houden alleen zodanige regeeringsform, welke gegrond is op de oppermagt des geheelen volks; en dienvolgens houde ik voor onwettig en daarmeede strijdende alle erffelijke ampten en waardigheden”.

Op 1 maart 1796 komt de grondwetgevende Eerste Nationale Ver­gadering bijeen, met als voornaamste taak, om de grondwet ge­reed te maken, en tot dan het hoogste gezag uit te voeren en te handhaven. De Staten Generaal hebben op dezelfde 1e maart voor het laatst vergaderd, hun bevoegdheden afgestaan, en zichzelf opgeheven. Al snel blijken er grote verschillen te zijn over de staatsinrichting, met drie te onderscheiden stro­mingen.

1e de Unitariërs, hoofdzakelijk uit Holland afkomstig en voor­standers van een gecentraliseerde staat,
2e de Federalisten, veelal uit de andere gewesten, die bang zijn om hun verworven provinciale en plaatselijke rechten in te leveren en,
3e de Moderaten die een soort tussenpositie innemen. Daar tus­sendoor zijn dan als een rode draad, de Democraten, die de ideeën van de volkssoevereiniteit aanhangen, en hun tegenstan­ders die van al die moderniteiten maar weinig willen weten, de aristocraten. Alles is terug te voeren op het hebben van, of uit oefenen van macht, met de daarbij behorende posities.

Honderdzesentwintig leden zijn gekozen voor de Nationale Ver­gadering, en ook zijn er plaatsvervangers gekozen. die plaats­vervangers komen regelmatig van pas, zoals bij eenentwintig leden uit de Nationale Vergadering, die zitting nemen in een constitutiecommissie, en zich tijdelijk moeten laten vervangen voor de duur van hun commissiewerkzaamheden. Deze commissie legt op 10-11-1796 een ontwerp grondwet voor, welke geen gena­de kan vinden. Vervolgens stelt men twee commissies in van elk 7 personen die beiden een deel van de werkzaamheden voor hun rekening moeten nemen. In januari 1797 dienen zij beiden een herzien ontwerp in, welk in mei 1797 resulteert in de defini­tieve samengestelde tekst van een ontwerp grondwet. Het Dikke Boek met 918 artikelen, zoals de grondwet bekend staat, blijkt ondanks alle inspanningen niet de instemming van de volksver­tegenwoordiging te krijgen, en wordt bij stemming op 8-8-1797 dan ook verworpen. Omdat men vermoedelijk de problemen zag aankomen, had men alvast een nieuwe Nationale Vergadering la­ten kiezen op 1-8-1797, welke op 1-9-1797 een aanvang nam. Deze verkiezing was noodzakelijk, omdat de eerste Nationale Vergadering een mandaat had van 1,5 jaar waarbinnen zij de problemen met en de afkondiging van een grondwet afgerond had­den moeten hebben, wat dus niet gelukt is. 

De Tweede Nationale Vergadering 1-9-1797 / 22-1-1798.
In deze nieuw gekozen samenstelling, gaan de beraadslagingen  over een op te stellen grondwet voort, maar tot overeenstem­ming komt men bepaald niet. De tegenstellingen worden voorals­nog alleen maar scherper, met een zich radicaler wordende richting, zoals die zich in Frankrijk heeft voorgedaan. Niet zo verwonderlijk, Frankrijk was tenslotte het voorbeeld.

Deze Democratische-Unitaristen gingen zich steeds meer roeren, en een compromis tussen de verschillende stromingen lopen steeds op niets uit. In december 1797 stellen 43 hunner in een verklaring in verschillende dagbladen hun eisen voor een op te stellen grondwet, deze verklaring zal tot heftige emoties en uitvoerige discussies leiden binnen de Nationale Vergadering, en een totstandkoming van een grondwet is verder weg dan ooit.

Met instemming van de Fransen, bij monde van de Franse ambas­sadeur, besluiten de unitariërs met militaire middelen een oplossing te forceren. Achtentwintig federalistische en gema­tigde leden worden op 22-1-1798 onder arrest gesteld, onder hen zes leden van de commissie van buitenlandse zaken, welke verantwoordelijk worden gesteld voor de smadelijk ervaren ne­derlaag tegen de Engelse vloot bij Kamperduin. de overige le­den worden alleen toegelaten tot de vergadering, als zij een verklaring tegen het federalisme hebben afgelegd (afkeer tegen het stadhouderlijk tijdperk). Elf leden weigeren, terwijl la­ter er nog achtentwintig op hun schreden terugkeren. Er ont­staat dan een nieuwe en “gezuiverde” Nationale Vergadering.

De Constituerende Vergadering 22-1-1798 / 4-5-1798.
Het moge duidelijk zijn, dat deze uit gelijkgestemde leden bestaande Constituerende Vergadering, weinig moeite heeft met het samenstellen van een ontwerp grondwet. De zeven leden tel­lende constitutiecommissie, ziet op 23-4-1798 dan ook hun ont­werp goedgekeurd, tegenstanders waren reeds eerder wegge­stuurd. Het Vertegenwoordigend Lichaam bezit de hoogste macht, en na verkiezingen splitst dit lichaam zich op in een eerste en tweede kamer. De eerste kamer heeft het initiatief tot wet­geving, en de tweede kamer kan slechts goed of afkeuren. De uitvoerende macht is in bezit van het Uitvoerend Bewind, be­staande uit vijf directeuren benoemd en gekozen van buiten de Constituerende Vergadering. deze directeuren krijgen hulp van acht te benoemen agenten voor verschillende onderdelen. Het kiesrecht is voor eenieder passief als men twintig jaar of ouder is, en men moet in de lasten der maatschappij aandeel dragen. Voor actief kiesrecht dient men een jaar na inwerking­treding moet kunnen lezen en schrijven, terwijl men bovendien onveranderd een afkeer van het stadhouderlijk bestuur moet betuigen. De Constituerende Vergadering dient zich vervolgens door hun zelf aangenomen grondwet, verkiezingen uit te schrij­ven en daarna hun bevoegdheden over te dragen aan het nieuwe gekozen Vertegenwoordigend Lichaam, en vervolgens zichzelf op te heffen. Zij laten dit echter achterwege, en roepen zichzelf uit tot Nieuw Vertegenwoordig Lichaam op 4-5-1798.

Het Vertegenwoordig Lichaam 4-5-1798 / 12-6-1798.
Het dus als ongrondwettelijk verschijnen van het vertegenwoor­dig Lichaam, roept evenwel zoveel onrust en verzet, dat nu de gematigden onder de bevolking, wederom met behulp van de Fran­sen en het leger, een staatsgreep plegen. Op 12-6-1798 worden enkele extreme leden van Uitvoerend Bewind, en tien leden van het Vertegenwoordigend Lichaam onder arrest gesteld, en het vertegenwoordig lichaam ontbonden. Een tijdelijk bestuur van vijf agenten benoemt als wetgevend college een Intermediair Wetgevend Lichaam. 

Het Intermediair Wetgevend Lichaam 13-6-1798 / 31-7-1798.
Het Intermediair Wetgevend Lichaam heeft als eerste taak, om een verkiezing uit te schrijven volgens de grondwettelijke refels. Op 31-7-1798 komt het vertegenwoordigend Lichaam voor het eerst bijeen in zijn nieuwe samenstelling.

Het Vertegenwoordigend Lichaam 31-7-1798 / 17-10-1801.
De grondwet bepaald, dat het Vertegenwoordigend Lichaam zich splitst in een eerste kamer van 64 leden en een tweede kamer van 30 leden. Uit een voorstel van de eerste kamer, kiest ver­volgens de tweede kamer vijf leden voor het Uitvoerend Bewind. Al snel blijkt, dat de grondwet van 1798, met de daarin neer­gelegde staatsstructuur geen lang leven is beschoren. De over­heid blijkt daardoor ondoelmatig te functioneren, ten gevolge van strak doorgevoerde decentralisatie. De Franse bondgenoot oefent zware druk uit, om tot verandering te komen, en het Uitvoerend Bewind gaat overstag, en besluit, het Vertegen­dwoordigend Lichaam voorbijgaande, en een nieuw ontwerp grond­wet rechtstreeks voor te leggen aan de stemgerechtigde bur­gers. De eerste kamer van het Vertegenwoordigend Lichaam schorst dit besluit, en het Uitvoerend Bewind op zijn beurt, laat de gebouwen van de eerste en tweede kamer verzegelen, en schrijft een volksraadpleging uit. Op 1-10-1801 vindt die plaats, en alleen met behulp van de niet stemmers, die geacht werden voor te stemmen, werd de nieuwe grondwet aangenomen op 16-10-1801, die de volgende dag in werking zal treden.

Het Wetgevend Lichaam 2-11-1801 / 29-4-1805.
In deze nieuwe staatsregeling, is minder invloed toegekend aan de vertegenwoordigende macht dan voorheen, en is de macht meer aan een staatsbewind van twaalf leden, die worden bijgestaan door secretarissen van staat en door raden. Het Wetgevend Lichaam van vijfendertig leden kan slechts voorstellen goed keuren of verwerpen zonder dat het zelf initiatieven mag ont­plooien. Het komt slechts tweemaal per jaar enkele weken in gewone zitting bijeen. Wat het kiesrecht betreft, is de ver­klaring tegen het federalisme en het stadhouderschap verdwe­nen. Maar ook deze staatsinrichting is geen lang leven bescho­ren, reeds medio 1804 komt de Franse keizer Napoleon Bonaparte tot de conclusie, dat de Bataafse Republiek met een hem goed­gunstig gezinde eenhoofdige leiding beter plooibaar zal zijn. Zijn keus valt op Rutger Jan Schimmelpennink, dan ambassadeur van de Bataafse republiek in Frankrijk. Het Staatsbewind be­zwijkt onder de druk, en stemt hiermee in, en het wetgevend Lichaam keurt het ontwerp goed, evenals het gering opgekomen aantal kiezers. Schimmelpennink wordt tot staatshoofd benoemd, en op 29-4-1805 treedt de nieuwe staatsregeling in.

Het Wetgevend Lichaam 15-5-1805 / 24-7-1806.
De eenhoofdige leiding, berust volgens de staatsregeling bij een raadspensionaris, bijgestaan door hemzelf benoemde secretarissen van staat en een Staatsraad. Elk departement bestuur, kiest vervolgens een uit negentien leden bestaand Wetgevend Lichaam onder de naam “Hun Hoog Mogende”, vertegen­woordigende het Bataafs Gemenebest. op 15 mei 1805 worden de leden geïnstalleerd, de eerste keer door de raadspensionaris zelf benoemd. De invloed van de Franse keizer is echter zo groot, dat ook deze constructie geen lang leven is beschoren. Al op 5 juni 1806 benoemd de keizer zijn broer Lodewijk Napo­leon tot koning van Holland, zonder noemenswaardige tegen­stand. Aanvankelijk zal op verzoek van de koning de Bataafs Wetgevend Lichaam aanblijven, maar op 24-7-1806 geven zij de pijp aan Maarten, en worden op 7-8-1806 vervangen door de Con­stitutie voor het Koninkrijk Holland.

Het Wetgevend Lichaam 4-10-1806 / 27-7-1810.
Volgens de Constitutie voor het Koninkrijk Holland, wordt de koning bijgestaan door hem te benoemen ministers en een Staatsraad. Het Wetgevend Lichaam bestaat uit negenendertig leden, en beschikt evenals hun voorgangers, over weinig macht en heeft zeer beperkte bevoegdheden, en komen slechts eenmaal per jaar bijeen, maar wel voor een periode van twee maanden. Zij zijn afkomstig uit negen departementen, eb via een bepaal­de verdeelsleutel gekozen. Aanvankelijk benoemd de koning de leden zelf, maar later zijn meer democratische regels van toe­passing, en is keuze uit een voordracht van een departementaal kiescollege. Na toetreding van Oost Friesland komen er drie leden bij, maar na een gedwongen inlijving van  Zeeland, Bra­bant en een deel van Gelderland, op 31-3-1810 worden er weer zes afgehaald. Op 9-7-1810 wordt heel Holland ingelijfd bij het keizerrijk Frankrijk, en zal het Wetgevend Lichaam haar werkzaamheden voortzetten tot 27-7-1810. Op die datum komt de mededeling van de hertog van Plaisance, de prins stedehouder, dat de leden der Vergadering zich konden separeren en naar hunne woningen begeven, tot tijd en wijlen zij door of van wegen Hoogstgemelde Zijne Doorluchtige Hoogheid wederom zouden worden geconvoceerd, zij wachten tot op heden nog steeds op een berichtje van de keizer.

Het driemanschap. ca.1810-1815
Gijsbert Karel van Hoogendorp, Leopold graaf van Limburg Sti­rum en Adam Frans Julius Armand baron van der Duyn van Maasdam zijn de drie mensen, die in het machtsvacuüm dat ontstond bij het afbrokkelen van de macht Franse keizer, en het zich te­rugtrekken van de Franse troepen omdat die nodig waren voor het Russische avontuur van Napoleon, de bestuurlijke macht naar zich toe trokken. Zij zijn het, die toewerken naar de terugkeer van de erfgenaam van de Oranje’s, de Prins Willem van Oranje, de zoon van de laatste stadhouder Willem V. Zij waren het, die de regels maakten, om tot terugkeer van de Oranje’s te komen. van Hoogendorp was een vurig aanhanger van de Oranje’s, en heeft altijd geweigerd om wat voor functie ook in vreemde dienst te aanvaarden, Hij was dan ook van mening,  dat Napoleon die zijn broer koning had gemaakt, dat bij de eventuele terugkeer van een Oranje, die niet meer met een stadhouderstitel kon terugkeren, maar met een koningstitel.

Al in 1813 was het driemanschap zover, dat zij in diverse pro­clamaties tot de burgerij gericht, deden in naam van “Zijne Hoogheid en Heere Prince van Oranje”. Dit was gedurfd, want er waren nog verschillende Franse garnizoenen in Nederland aanwe­zig. Op 30 november 1813 heeft de landing plaats op het strand van Scheveningen van de Prins van Oranje, de latere Koning Willem I. Ondanks dat de prins onmiddellijk een bezoek brengt aan van Hoogendorp, blijkt dat de ontmoeting koel en gereser­veerd is. Nadat de prins in 1815 als soeverein vorst is geïnstalleerd, benoemd hij van Hoogendorp tot voorzitter van de grondwetscommissie. Als leidraad voor de nieuwe grondwet, diende de schets van van Hoogendorp, maar die werd in belangrijke inzichten niet gevolgd. De macht van de koning is gro­ter, dan van Hoogendorp voorstond, en een functie van raads­pensionaris, tussen Vorst en Staten Generaal die hij zichzelf had toebedacht ging niet door. Wel kreeg hij drie hoge func­ties aangeboden, vice president van de Raad van State, voor­zitter van de ministerraad en lid en voorzitter van de Staten Generaal (toenmaals 1 kamer).

In 1815 werd van Hoogendorp we­derom voorzitter van de grondwetscommissie na toetreding van België. Maar ondanks dat Koning Willem I van Hoogendorp in de adelstand heeft verheven, bleven de verhoudingen tussen hen beiden zeer moeilijk. Hij werd op verzoek, na vele problemen, ontslagen in 1816 als vice president van de Raad van State, en als minister van staat, en in 1825 verloor hij tot overmaat van ramp ook nog het kamerlidmaatschap, en als ambteloos bur­ger overlijd van Hoogendorp in 1834 op 72 jarige leeftijd te Rotterdam.

Anton G.M.Heijmerikx, Lathen

colofoon:
Volksrepresentanten en wetgevers/ Mr.A.M.Elias en Drs.P.C.M.Schölvinck
Gijbert Karel van Hogendorp grondlegger van het Koninkrijk/ Henriëtte L.T. de Beaufort.

 

2 gedachten over “De Bataafsche Republiek 1795-1810.

Laat een reactie achter op alec schouten Reactie annuleren

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: