Leven in de dorpen en steden, in de middel­eeuwen.

In de periode voor 1300, waren de huizen en hun betimmeringen van hout opgetrokken, met als uitzondering voor kerken, kloos­ters, hospitalen van de H.Geest, kastelen en burchten.

Na 1300 kwam in streken langs de grote rivieren de baksteen­cul­tuur pas echt op gang. In 1230 kreeg de stad Zwolle het recht om hun dorp, te mogen versterken met grachten en planken oftewel muren, planken en muren hadden in die dagen ongeveer dezelfde betekenis, pas in 1402 werd in Zwolle aan de bewoners van een wijk, n.l. het Gildenkwartier, bekend als de Smeden, waar de vele handswerklieden hun beroep uitoefenden, de ver­plichting opgelegd ‘steenwerc’ te timmeren, ongetwijfeld om daardoor eventuele grote branden beter in toom te kunnen houden, omdat men hier veel dichter op elkaar woonde. En ter bestrijding van eventuele branden, leverde eenieder die het klein burgerschap, het stemrecht om te kiezen, maar niet om gekozen te kunnen worden, van een leefgemeenschap verkreeg, bijv. twee lederen emmers als een soort inschrijfgeld. Elders in den lande is het niet veel anders gegaan, en Zwolle was in die dagen een zeer moderne stad, die in het toenmalige Europa en zeker ten tijde van de Hanze, een verbond van vele steden over de handel, van grote betekenis was. De aanwezigheid van houten huizen en hooibergen binnen de stadsmuren in de middel­eeuwen, bracht eigenaardige consequenties mee voor de veilig­heid, en niet zozeer voor diefstal, want de dief zat dan opgeslo­ten binnen de stadsmuren, als wel voor brand, en het was dan ook niet ongewoon, dat er in menig huis steeds iemand van het gezin op bleef om te waken. Bij gebrek aan een poli­tiekorps, moest de bewaking door de burgers zelf ter hand worden genomen, als alarm gebruikte men de klok, en men kende het verschil tussen de verschillende klokken en de wijze van luiden. Men kende de ‘Raedsklocke’ die schepenen en raden ter vergadering riepen, de ‘Poortklok’ die aangaf wanneer de poort open en dicht ging, te Utrecht kende men zelfs de ‘Boefklok’ die aandacht vroeg als men verdachte personen ontwaarde.

In de IJsselsteden, was de voornaamste klok echter de ‘Bur­clocke’, die meldde aan de wakers dat er ergens bur of heibel was, zij moesten zich dan bij hun ‘waechues’ wachthuis melden, om te vernemen waar de heibel te doen was. Vandaar dat hij die loos alarm maakte, clockslach maken mit voerrade’ een complete mobilisatie teweeg bracht van alle weerbare mannen, dan placht er ‘onstuer’ te ontstaan en de schepenen hadden hieraan, en begrijpelijk, een grote hekel, en in tijden van spanning stond op dit misdrijf dan ook de doodstraf, met als gevaar dat vaak niemand dan ook maar alarm durfde te slaan, bang als men was vals alarm te maken.

In de IJsselsteden moest worden gewaakt door alle mannelijke personen die gezond waren en boven de 18 jaar, in het bisdom Utrecht werd men op die leeftijd meerderjarig. Hoogstwaar­schijnlijk moest uit ieder huis een man als waker beschikbaar staan, en per huis woonden vaak meerdere gezinnen of personen.

Ook de zusters des gemeenen leven moesten voor hun huizen, waar enkel vrouwen woonachtig waren, een waker beschikbaar

stellen, dat gebeurde vaak tegen betaling. Na de Reformatie werden de katholieken uitgesloten van de waakdienst en moesten in plaats daarvan, het geld voor de wagte betalen aan de hopman van hun wijk, toen door die Reformatie de gewoonte in zwang kwam, dat men persoonlijke dienst kon afkopen door geld, werd het geld voor de ‘wagte’ langzamerhand een soort fonds, van waaruit de klepperlieden betaald werden.

Uit de verplichting, dat eenieder in de middeleeuwen moesten medewaken, ontstond er een saamhorigheidsgevoel, dat Jan en Alleman moesten klaar staan, om de veiligheid te waarborgen.

De behuizing van de mensen speelt steeds een belangrijke rol. In deze streken waren de huizen oorspronkelijk van hout, en pas na 1300 werd steen als bouwmateriaal in grotere mate toegepast door de opkomst van de stedelijke tichelwerken (tichel=steen of tegel). De opkomst van tichelwerken in de buurt van Zwolle kwam pas na 1308, het jaar waarin de IJssel werd bedijkt van ter Hunnepe tot aan de Zuiderzee, daarvoor stroomde de IJssel regelmatig over, met alle gevolgen van dien, en dat verklaard dan ook dat men vroeger woonde op hoger gelegen gebieden, en ook Suolle ontstond op een hoger dan de omgeving liggend gebied. Tot die tijd waren vrijwel alle burgerwoningen losse huizen, waarin mens en dier samen in een ruimte woonden, waarvan in latere decennia een ruimte werd afgescheiden, de stove, die verhit kon worden. Het woord kamer kende men toen nog niet, en het woord is vermoedelijk in Kampen ontstaan, waar het voor het eerst in een akte voorkwam in 1238, en in datzelfde jaar sprak men ook over een ‘schors­teen howen’, een teken dat men mens en dier in een ruimte ging scheiden, en men mag daaruit concluderen dat het economisch beter ging, in Kampen meer dan in Zwolle, waar men in die dagen het woord kamer nog niet kende. Pas in 1417 in een verzoek aan de paus door 47 verbannen Zwolse Gildemannen waarin zij zich beklagen, dat zij s’nachts toen zij ‘ in oere cameren bi oere huysfrouwen in oere bedden slipen’ overvallen werden en gearresteerd, terwijl hun grote tegenstander de Windesheimer kloosterprior Johannes Vos van Heusden zijn mede­broeders bezwoer, dat zij de oude gewoonten zouden handhaven, dat zij van houten nappen zouden eten en op stro zouden sla­pen, op dat punt waren de Moderne Devoten erg ouderwets. De gewone mens profiteerde in die dagen wel degelijk van de vooruitgang, die het tijdperk van de gilden met zich mee­bracht.

Omstreeks 1406 moest te Zwolle bijvoorbeeld volgens contract gebouwd worden een huis voor de Proost van het Deventer Kapit­tel, welke straat nog naar hem genoemd is de Praubstraat, met een ‘heymelyckhede’, het kleinste kamertje met een eigen knip op de deur, een ruimte welke in die dagen zeker bij de gewone man in zijn behuizing, nog bij lange na niet gangbaar was.

In die dagen, was het gebruikelijk om de noodzakelijke dage­lijkse behoefte te doen in de ruimte achter de koeien, welke situatie op het platteland nog gebruikelijk was tot het begin van deze eeuw, denk daarbij maar aan het Twentse ‘Lösse Hoes’,

voorts kende men de ‘driedkoele’ een tot dat doel afgezonderd hoekje, wat ook nu op natuurcampings nog steeds gebruikelijk is, omdat daar nu eenmaal de noodzakelijke facilitaire voor­zieningen ontbreken. Pas in de 15e eeuw ontstonden in de IJsselsteden de zgn.’borgerhuyskens’, die opgetimmerd op twee stevige balken, met daarover een plank met een gat in de midden, hun verlaat in het grachtenwater hadden, waar vele vissen zwommen die lagen te wachten op een extra maaltje, uitgroeiden tot enorme afmetingen, op hun beurt weer gevangen werden door de vissers, opnieuw werden gegeten door de mensen, die hun behoeften weer boven het water deden, kortom een middeleeuws staaltje van recycling, al hadden zij nog nooit van het woord gehoord. Maar het gevolg was toch een enorme verontreini­ging van het water, het krioelde er van de ratten, en het ligt voor de hand dat dit een der oorzaken was van de steeds weer terugkerende epidemie­ën, terwijl men daar geen zekerheden over kan verkrijgen, omdat men in die dagen het standpunt huldigde, van is een ziekte niet besmette­lijk, dan is het een ziekte, en is het besmettelijk, dan is het de pest.

In de middeleeuwen was het weliswaar aan melaatsen en andere besmette personen verboden om gebruik te maken van de borger­huyskens, maar er was geen toezicht op. Pas in de 18e eeuw is in Zwolle het zogenaamde tonnenstelsel in zwang gekomen, welke rondom 1960 ook weer verdwenen was, en vervangen door riole­ring zoals wij die nu kennen. Aanvankelijk waren het kleine tonnetjes, die iedere nacht geleegd werden door de nachtwer­kers in grotere vaten, welke op hun beurt weer in schuiten werden gestort. Eerst na 1860 zijn te Zwolle de zgn. ‘Boldoot­karren’ in gebruik genomen, en in de jaren vijftig van deze eeuw werd er subsidie verstrekt, aan diegenen die een modern watercloset wilden aanschaffen.

Een eeuw geleden werd te Zwolle nog steen en been geklaagd over de verontreiniging van het grachtwater van de beide Aa’s, er zijn drie cholera epidemieën voor nodig, in 1832, 1853 en 1866, om de twee smalle verontreinigde grachten te dempen, eigenlijk zijn ze overkapt, om de afvoer van de toenmalige huizen die eraan lagen niet af te sluiten.

De verontreiniging van het grachtwater, hield nauw verband met de verontreiniging van het drinkwater. Het was verboden kleren te spoelen in de gracht en vanaf de bruggen daarin zijn be­hoeften te doen, maar daar hield men zich niet zo nauwkeurig aan, terwijl men ook het straatvuil als men dat kwijt wilde, gewoon in de gracht kieperde, en ook heden ten dage zijn er velen die dat nog steeds doen. De stenen kademuren van de Zwolse grachten dateren alle van het midden van de vorige eeuw, daarvoor kende men glooiingen, al dan niet belegd met ronde keien, of kaden van planken en palen, en vooral de laatste boden een ideale nestgelegenheid voor de ratten, en dat laatste was van grote invloed op de drinkwatervoorziening en de vele ziekten.

Het bezit van een goede put met goed water was dan ook goud waard.

In de middeleeuwen kende men drie soorten putten, verzamelbak­ken van vooral hemelwater, welke men opving van grote daken bijv. een kerk en die dan ook vaak onderaards in de nabijheid van die kerken vond, voorts gewone stadsputten voor het schep­pen van water voor allerlei doeleinden, en tenslotte diepe drinkwaterputten, die dwars door de veenlaag heen naar het witte zand liepen, en het spreekt vanzelf dat de aanleg een zeer kostbare aangelegenheid was, en niet iedereen was in het bezit van een zo’n put, en U begrijpt waar de gewone man zijn water vandaan haalde. In de zomer van 1953 is in de Zwolse Voorstraat een waterput blootgelegd, in het huis waar eens de bekende Zwolse dichter-burgemeester Albert Snavel van Eeme heeft gewoond, welke ca.8 meter diep was, en helder goedsma­kend water bevatte, maar het bezit van die put vrijwaarde ook hem niet van de pest, want hij overleed eraan in 1421, althans men vermoedde in die dagen dat het de pest was.

In dit verband dient men ook te bedenken dat de wasgelegenhe­den in die dagen bedroevend was, al men zich waste tenminste. In de zomer ging men zwemmen en baden in de stadsgracht of in de nabij gelegen waterlopen, later werd het steeds vaker verboden om in de gracht te baden, en ook s’ winters moest men zich behelpen aan de tobbe, terwijl men de zeep zoals wij die nu kennen in die dagen onbekend waren, de in die dagen genoem­de zeep was van dusdanige kwaliteit, dat de reinigende werking ten enen male ontoereikend was. Wel kende men de als vanouds bekende zweetbaden die in de ‘stove’ gebruikt werden, een overeenkomst met de tegenwoordige sauna. De stove was een huisje, waarin een soort primitieve bakkersoven was gebouwd, welke van buiten kon worden gestookt en verhit, wanneer het baduur was aangebroken, verzamelden zich de baadsters en baders in het vertrek, men bedenke zich eens in, wat dat betekend, met velen in een kleine ruimte waarvan de meeste mensen misschien in weken geen water aangeraakt hadden, en als zij door de hitte stevig transpireerden, werd warm water ge­sprenkeld op de oven en dientenge­volge ontstond een zware damp. Daarna werden de badgasten afgespoeld door de stovemees­ter en gingen wat uitrusten en conserveren. Vervol­gens ging men nog eenmaal transpireren en nam men vervolgens een duik in: jawel de gracht, die vlakbij gelegen was. In de ‘stove’ ging het er vrolijk toe, men kon er eten en drinken verkrij­gen, bijv. van de ‘vladenbacker’, die ook in de buurt woonde. In Zwolle was er in de 15e eeuw een stadsstove, maar er waren wel particuliere stovenhouders, terwijl ook sinds 1475 te Zwolle was verordend, dat er aparte uren voor de dames moesten zijn. Evenals in Scandinavische landen werden vermoedelijk door de hitte en rook ook hier de bacteriën onschadelijk gemaakt, en was het gebruik van de stove redelijk veilig, maar anders werd het toen omstreeks 1500 het gebruik van kuipbaden in zwang raakte, dat waren haarden van besmetting, en een honderd jaar later was de gewoonte ook weer uit de gratie, en het is niet duidelijk waarom dat gebeurde, misschien de vrees van besmetting, maar eerder vermoedelijk door de Reformatie, waarbij de predikanten een grote rol speelden van wat geoor­loofd was of juist niet werd toegestaan. Afgeschaft werden bijvoorbeeld het dobbelen en het kaartspel, het vertonen van boertige toneelstukken, het spelen en zingen in herbergen op zondagen, dat waren goede zaken, maar vaak waren zij zo

streng, dat zij jarenlang geen orgelspel tijdens godsdienstoe­feningen dulden, eerst Frederik Hendrik en Constantijn Huij­gens wisten daaraan een eind te maken in het begin der 17e eeuw. Soms ging het praktisch belang hand in hand, zo stond in Zwolle in 1614 een gerfkamer of sacristie vlak voor de Grote Kerk, daar werd de hele ‘capella’ van liturgische gewaden bewaard en vermoedelijk ook de rekeningen van de kerkmeesters.

De gewaden konden de predikanten wel missen als kiespijn, de magistraat had geen enkel belang bij de archiefstukken van de kerkmeesters, en ruimden zo de gerfkamer op en gaven Thomas Berentsen opdracht in plaats daarvan de “hoofdwacht” op te richten, waarboven het schavot werd opgeborgen, dat was in die dagen een keurige vernieuwing, maar mede daardoor is een schat aan archieven verloren gegaan. En als men denkt, dat daardoor de overheid een lering uit zou halen, komt bedrogen uit, men denkt maar aan de afbraak van de St.Michaelskerk, het Gouver­neurshuis en de bezuinigingen op het gebied van restau­ratie en conservering, met al een achterstand die alleen met enorme investeringen is in te lopen.

Een van de vernieuwingen die in het begin van de 17e eeuw, dus na de periode van de middeleeuwen, in zwang raakte, was het gebruik van nachtkleding als men zich te bed begaf. De gehele middeleeuwen door ging men naakt naar bed, getuige de vele afbeeldingen die bewaard bleven, behalve de kraamvrouw, zij is veelal gekleed in een soms fraai uitgedoste en versierde bedjas. Van Prins Maurits is bekend, dat hij nachthemden droeg, en Johan van Oldebarneveld ging gelijk hij gewoon was naakt te bedde, terwijl men daaruit niet de conclusie mag trekken dat de een modern en de ander ouderwets is, want toen van Oldebarneveld op de avond voor zijn executie van zijn knecht Jan Franken hoorde dat die zoude bidden, zolang hij leefde voor het zieleheil van zijn meester te horen kreeg dat hij die paapse gewoonten moest afleren, en als hij wat goeds wilde doen hij het nu moest doen, want na de dood bid men niet meer. Toch zijn de predikanten on­danks de protesten van hun kant er niet in geslaagd om die paapse gewoonte af te schaffen, want tot ver in de vorige eeuw ging men in protestante dorpen toch nog bidden op de graven van de overleden voor hun zielenheil. Dat hing samen met o.a. het volksgeloof, dat indien niet voor hun zielenrust gebeden werd, de zielen als spoken zouden rondwaren, en mensen zouden lastig vallen, in het bijzonder voor de zielen der kinderen en zeker als zij ongedoopt waren overleden, dan zwierf hun geest rond als dwaallichtjes, en bijzonder ook voor drenkelingen en zelfmoordenaars en zeker ook voor zielen der geëxecuteerden die ‘reukloos’ d.w.z. verstokt in de boosheid, zonder berouw, zijn gestorven. Zo werd op het platteland van Overijssel in het begin der vorige eeuw verteld, dat Pieperiet in Almelo en Albert Wetterman in Wijhe spookten, zij waren beiden wegens moord aan de galg

gekomen en ‘reukloos’ gestorven. In 1837 werd de Zwollenaar Henricus van Kessel pastoor van de Steegjeskerk, en aarts­priester van Salland, en hij veror­dende zijn priesters dat het hun verboden was om aan spoken te geloven, en alle bijge­loof in geesten en spoken te onderdrukken.

Dat er in het begin van de vorige eeuw nog vele vreemde zaken  voor­kwamen moge duidelijk zijn, in 1823 woonde er in Deldener­broek een vrouw, die  van een bevalling zeer langzaam en moeilijk herstelde. Daarop ontstond het gerucht, dat zij behekst zou zijn, en die kwaadsprekerij berokkende de vrouw zoveel narigheid, dat zij feitelijk uit de dorpsgemeenschap

werd gestoten, zodat zij aanbood om de waterproef wilde doen. In tegenwoordigheid van talrijke personen ging zij te water, en uit het feit dat zij bleef drijven, bleek dat zij niet behekst was, en vanaf die tijd keerde de rust terug in Deld­enerbroek. Maar zelfs vlak voor de 2e wereldoorlog kwam bij het kantongerecht iemand voor, die er rotsvast van was over­tuigd, dat de melk door een vrouw zou zijn behekst.

Ook is er een ander verschijnsel, de mode, waaraan men de verandering der tijden kan zien, Kampen had al in 1366 een bepaling hoe dames gekleed moesten gaan, dat lijkt heel wat, maar men bedenke dat in Kampen en ook kort daarna in Zwolle, het eerste begijnhof werd gesticht. In de vroege middeleeuwen ging uitsluitend de adel en de geestelijkheid goed gekleed, maar toen tussen 1350 en 1390 de adel en de adelijke huizen in Salland door de steden zo goed als uitgeroeid waren, begonnen de burgers zich te gedragen als ‘heren’. Reeds in 1340 droegen de leden van de Zwolse magistraat een ‘hoyke’ of raadsheren­mantel, de stadsboden droegen hun uniformen, de schutters hun covels, uniformmutsen, en de kledermakers hadden volop werk.

De mode van toen was niet zoals wij die nu kennen, want men dankte de kleding niet af, of zij moest tot op de draad ver­sleten zijn, en niet omdat er een andere dracht werd voorge­schreven.

Wel ging ieder gekleed, maar meer volgens zijn stand. Naast de daagse, kende men ook de zondagse kleren, dit was het kisten­goed, d.w.z. bewaren voor bijzondere gelegenheden, en voor de vrouw betekende de oer beste kleren, waarin zij met Kerst en Pasen ter kerke ging, kortom wel wisseling maar weinig veran­dering. Dat veranderde met de komst van David van Bourgondië, in 1457 die als bisschop de Utrechtse zetel besteeg, hij met zijn gevolg brachten al de nieuwigheden uit het zuiden mee, zwierige mode, luisteren naar concerten gegeven door een elitekoor in de kerken onder leiding van een dirigent. Ook kwam in die dagen het standsverschil naar voren in de zin van welvaart, en kwam veel voor bij begrafenissen, in 1430 werd er in Zwolle begraven, in 1e, 2e en 3e klasse, en men had dan een korte of een grotere afstand tot het altaar in de kerk, alsme­de het aantal klokken waarmede men werd overluid, ook bij dopen en huwelijk kwamen die standsverschillen naar voren, met onder andere het plaatsen van rouwborden aan de pilaar die zich het dichtst bij het graf bevond, en na 1600 werd in deze streken daarop een soort luxe belasting geheven. Begrafenissen waren gelegenheden, waar gaarne deftigheid ten toon werd gespreid. Tengevolge van de invoering van de Hervorming waren de Broederschappen niet langer belast met de verzorging der begrafenissen, maar was deze oorspronkelijke kerkelijke func­tie in handen van zakenlieden geraakt, in de 17e eeuw waren er reeds talrijke begrafenis ondernemingen, die rouwmantels en dodenlantaarns verhuurden, om aan de deurklopper op te hangen, het transport van de lijken, het maken van rouwborden, en in de 17e eeuw werden reeds rouwcirculaires gemaakt, zij het voor belangrijke personen, welke gewoonte later is overgenomen door de wat minder gegoede burgers.

Reeds in de middeleeuwen was de consumptie bij begrafenissen zo groot, dat daartegen bepalin­-

gen moesten worden uitgevaardigd. In de 17e eeuw was het mogelijk nog erger, en ondernam de Amsterdamse burgemeester Boreel in 1696 een poging om daaraan een eind te maken. Alle particuliere begrafenisondernemingen zouden worden opgeheven en een stedelijke begrafenisdienst zou worden ingesteld. Maar het aantal belanghebbenden was zo groot en de economische situatie was zo slecht, dat het mislukte, en er brak een complete revolutie uit, die bekend staat als de Aansprekers of Biddersoproer bekend staat. De woningen van enige welgestelden werden geplunderd en de Schutterij moest in het geweer komen om het oproer te onderdrukken, en plunderaars werden terecht­gesteld. Een succes heeft het opgeleverd, de particuliere begrafenisondernemingen mochten blijven bestaan.

In diezelfde tijd kwam in deze streken ook de mode op van pruiken dragen, in Holland was dat reeds lang bekend. Aan geestelijken was het verboden om pruiken te dragen, maar toen de vicaris apostolicus Johannes van Neercassel in 1686 te Zwolle in de Bogenkerk overleed, werd hij met pruik en al in de kist gelegd. Toen het bekend was, dat de ‘bisschop’ was overleden, wilde menig persoon het lijk nog even zien, maar de Zwolse magistraat had daar zo zijn eigen kijk op, hij liet het lijk arresteren en beboete het met 100 ducatons ten profijte van de armen. Niet vanwege de verboden pruik, maar men liet in die dagen de katholieken nu eenmaal voor alles betalen, als men de kans kreeg. Nadat de boete was betaald, werd het lijk vrijgegeven, op een koetswagen geplaatst en door Hugo van Heusden en pastoor Blochoven naar de Glaan vervoerd, net over de grens in Glanerbrug stond het nonnenklooster van ‘Maria-Vlucht’ alwaar het met grote statie werd bijgezet.

Veel is er geschreven over de veranderingen en gewoonten in alle tijden van ons bestaan, maar een volksspreukje zegt hierover, “Als je het komt te weten, ben je versleten�?.

 

Anton G.M.Heijmerikx, Lathen

One thought on “Leven in de dorpen en steden, in de middel­eeuwen.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: