Pompen of verzuipen.

God schiep de aarde in 7 dagen, maar de Hollanders bouwden eeuwen aan hun eigen land, een gezegde die al eeuwenlang op redelij­ke waarheid berust.

Door de lage ligging van grote delen van Nederland, was er voldoende drassige grond en water achter de duinen van de kust, en neem daarbij ook nog de toevloed van rivierwater vanuit ons omringende landen, dan had men hier een enorme watermassa, waar het nou niet bepaald goed toeven was, het was een beetje vergelijkbaar met Zeeland voor een tiental jaren terug, maar dan zonder dijken, waar vele stukjes grond omringd door water regelmatig overstroomden, en alleen door op verho­gingen te bouwen of door er dijken omheen te leggen hield men het meesttijds droog.

De mensen die zich er vestigden, moesten dan ook als polderwerkers met de schop in de hand de terpen, en later de dijken ophogen, dat ging op een wijze die eigen­lijk door ons niet voor te stellen was, men gooide een schop klei richting aan te leggen dijk, en de voldoende gooide die­zelfde schop verder, tot het gewenste punt was bereikt, en dat meters hoog, breed en kilometers lang, miljoenen kilo’s lood­zware en onhan­delbare klei. En altijd weer de bedreiging van het water, dus altijd pompen, en uiteindelijk liever verzuipen dan verhuizen, datzelfde gevoel kwam ook weer boven bij de dreiging van overstromingen in begin 1994, waar­bij massaal geëvacueerd diende te worden, maar waar iedereen toch weer terugkeerde naar de plek die hun dierbaar is.

Van het hele grote moeras, wat Nederland eigenlijk was, is behoorlijk veranderd, al in de 12e eeuw waren monniken in de weer om het geheel droog en bewoonbaar te maken, plaatsen als Monnickendam zijn daar voorbeelden van, in het hele Hol­landse gebied vinden wij polders die de oudste zijn van ons land, maar ook in de kop van Overijssel waren monniken actief..

Polders als de Schermer, Beemster, Purmer en Wormer waren oorspronkelijk kleinere binnenmeren die ontstaan waren na het afgraven van veen voor de turf, en die door schatrijke Amster­damse kooplieden, die van gekkigheid niet wisten waar zij met hun in de gouden eeuw verdiende geld heen moesten, waren drooggelegd als investering in de vorm van landaanwinningprojecten. Tevens waren zij vrij dicht bij de stad gele­gen, en bouwden zij er hun zomerverblijven en lustoorden, vooral de Beemsterpolder is daarvoor erg in gebruik geweest bij de Amsterdamse kooplieden, terwijl de Schermer door rijke Alkmaarse VOC kooplieden voor hetzelfde doel gebruikt is.

De eigenlijke bedijking van de Schermer begon in 1633 met het aanleggen van de Ringdijk, een kostbare aangelegenheid, want men moest de grond waarop de dijk kwam te liggen aankopen, terwijl de dorpen in de directe omgeving ook eisten, dat als de nieuwe polder er kwam, zij er doormiddel van een brug toegang toe kregen. Maar men ging voortvarend te werk, en na een goed jaar was de ringdijk gesloten, en konden 36 watermo­lens begin­nen met het droogmalen.

De Schermer werd verdeeld in 14 kleine­re poldertjes met ieder een eigen afwateringssysteem, die gezamenlijk weer via ingenieuze en ingewikkelde netwerken van sloten en watertjes, en enkele trappen om de hoogte te overwinnen met molens uitein­delijk loosden op de ringvaart, die vervolgens het water op zijn beurt weer afvoerde naar de Zuiderzee. In oktober 1635 werd de polder definitief in kavels verdeeld en verloot, maar diegene die een relatief beter stuk polder kreeg toebedeeld, moest betalen voor diegene die een slechter stuk toegewezen kreeg, om zodoende een soort van schadeloosstelling te ver­krijgen.

En er werd een reglement opgesteld, waarin alle rechten en plichten werden opgesteld, en waar men zich aan diende te houden met als toezichthouder, de dijkgraaf zoals wij die nu nog kennen, en die door de koningin wordt benoemd, zij het op voorspraak.

Wel kwam het in 1753 tot een publieke waarschuwing door de dijkgraaf, aan alle molenaars verspreid: Als de molenaar van de poldermolen E, “Die bij deze tot Zeynmeester word aangesteld” op de Peyl omtrent zijn molen staande, zal hij zijn molen met 2 zeylen in het kruis zetten, waar op de andere molenaars zo zy langer dan 8 minuten na het zeyn van molen E malen, telkens vervallen in een boete van een Gulden, waarvan de helft bedoeld is voor de armen, en de overige helft voor de bekeurder, de dijkgraaf dus, ook geen wonder dat de boetes hoog waren.

Het leven van een molenaar is hard, 52 molenaars waren belast met de veiligheid van bijv. de Schermer, en hun loon was eerder een fooi dan een reële vergoeding van hun arbeid. Woonruimte was gratis, nou ja woonruimte, een ruimte was geschikt voor bewoning, de rest was bedrijfsruimte, en een klein stukje grond hoorde erbij, zodat zij in elk geval enige groente konden verbouwen, hele gezinnen woonden er in deze bedompte ruimte die wij heden zo typisch Hollands en schitte­rend mooi vinden getuige de vele toeristische foto’s, maar vroeger was het bittere armoe en een bikkelhard bestaan.

Men moest omdat er geen oudedagsvoorziening was werken tot men erbij neer viel, getuige een aanvraag van Cornelis Wiedijk, die op 72 jarige leeftijd na 54 jaar trouwe diens een smeekbe­de doet aan het polderbestuur, om een klein pensioentje omdat hij ziek is en niet meer in staat is om aan zijn verplichtin­gen te voldoen, maar het werd afgewezen.

Al in de 16e eeuw werden pogingen in het werk gesteld, om een noodfonds in het leven te roepen voor armlastige molenaars, maar pas in 1824 komt zoiets van de grond. Als een molenaar komt te overlijden, krijgt zijn weduwe F. 75,- per jaar, niet om te leven, maar om net niet dood te gaan. Ook zijn er vrou­welijke molenaars, in 1727 komt molenaarster Dieuwer Jacobs te overlijden, en laat 5 jonge kinderen achter. Niet het polder­bestuur ontfermd zich over de weeskinderen, maar de nieuwe molenaar betaald F. 20,- uit eigen middelen voor opvang van de kinderen in de diaconie.

Het steunfonds voor armlastige mole­naars, is pas in 1925 opgeheven, omdat de polderbesturen wettelijk verplicht werden om stortingen te doen in pensioen­fondsen, en het steunfonds werd gebruikt om de financiën aan te vullen, die nodig was om de bemaling te elektrificeren, in plaats van de oude windmolens te behouden.

De Beemster, Wormer en de Schermer hadden samen 52 molens, nu staan er nog 11 in de Schermer, en dat komt omdat het polderbestuur van de Scher­mer later, pas in 1927 het definitieve besluit nam om de polder elektrisch te bemalen, en toen waren zij in de andere polders al verdwenen. In de W.O.II deden de Schermermolens nog eenmaal dienst, omdat toen bij schaarste van elektriciteit de molens pijlsnel in orde werden gemaakt, anders was de polder vanzelf weer vol gelopen.

De Beemster of Bamestra in oude benamingen was de open verbin­ding via de rivier de Zaan, tussen het IJ en de Zuiderzee. Omdat de Zui­derzee behoorlijk kon spoken, stond het gebied van de Beemster dan ook regelmatig onder water, en men begon al in het begin van de 12e eeuw om een dam aan te leggen, de Schar­dam, om in elk geval een open verbinding af te sluiten, en in 1401 kwam daar de Nieuwendam vlakbij Monnickendam bij, het moest maar eens afgelopen zijn met dat gespook van de Zuider­zee.

Afdoende was het uiteindelijk niet, en na vele plannen en door oorlogen uitgestelde plannen, was het in 1607 zover dat Dirck van Oss een commerciële maatschappij oprichtte om het gebied van de Beemster droog te malen, en in 1609 was men al zover dat overal stukjes droog kwamen te vallen en menig kruikje jenever werd geleegd om dat heuglijke feit te vieren.

Maar helaas men juichte te vroeg, op 20 januari 1610 braken bij hevige winterstormen het water van de Zuiderzee door de Zuider­zeedijk heen, en was het werk, vele molens en een inves­tering van het toentertijd enorme bedrag van F. 800.000,- weggespoeld.

Vele investeerders haakten af, en gaven vaak geld toe, om van hun stukje ondergelopen land af te komen, want aan dat stukje verzopen land zat wel de verplichting tot ontgin­ning. Uiteinde­lijk kwam de Beemster in mei 1612 toch voorgoed droog, en al op 4 juli 1612 kwamen Prins Maurits en Prins Frede­rik Hendrik het werk bewonderen, en ongetwijfeld hebben zij daarbij het water­bouwkundig brein achter deze onderneming gesproken, Jan Adri­aanszoon Leeghwater uit de Rijp.

De 17e eeuwse polders hadden vaak een vast soort indeling, met een weg middendoor de polder, de Middenweg geheten, en halver­wege een kruising met een andere weg, de Kruisweg geheten, met rondom de polder een dijk, de Ringdijk geheten en direct daarachter een afwateringskanaal de Ringvaart geheten, met op die ringdijk de verschillende molens die ervoor zorgden dat het water in de polder op peil bleef.

Anton G.M.Heijmerikx, Lathen

2 gedachten over “Pompen of verzuipen.

  1. Bedankt voor deze mooie documentatie, ik ben een nazaat van een van de molenaars uit de schermer familie naam modder. Molenaar aan de noordervaart.

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: