De V.O.C. 1602 t/m 1799

Tot ca. 1500 werden Oosterse producten zoals specerijen, zijde en porselein langs karavaanwegen naar de kusten van Klein Azië en Egypte vervoerd, waar kooplieden uit Genua en Venetië ze ophaalden en distribueerden over Europa.
In 1486 bereikt de Portugees Bartholomeus Diaz de zuidpunt van Afrika, later Kaap de Goede Hoop, ontdekt in 1492 Columbus Amerika, en bereikt in 1498 eveneens een Portugees Vasco da Gama de westkust van Voor-Indië, en is het snel gedaan met het vervoer over land, omdat men per schip nu eenmaal veel meer, en daardoor ook veel goedkoper kan vervoeren.
Van 1519 t/m 1521 reist Magelhaes rond de wereld, begint in 1580 de 80 jarige oorlog, bezet de Spaanse koning Philips II in 1580 Portugal, waardoor de Portugese heerschappij over de wereldzeeën afneemt, en al maakt in 1583 de Nederlander Jan Huygen van Linschoten in Portugese dienst een reis naar Indië, die positie krijgen de Portugezen niet meer terug, en verliezen die uiteindelijk aan de Nederlanders.
Bezet de Spaanse veldheer Parma Antwerpen, en vertrekken vele Vlaamse kooplieden naar het noorden, met name Amsterdam.
Bijna de gehele 16e eeuw, hebben de Portugese koningen de handel in specerijen gedomineerd.
Zij bezaten het alleenrecht van aanvoer en doorvoer, en verpachtten het monopolie aan bepaalde groepen van kooplieden, die het op hun beurt doorverkochten.
De deelnemers aan het “Indische pepercontract” mochten in naam van de Portugese koning peper opkopen, maar waren verplicht om het in Lissabon aan de koning te verkopen tegen vastgestelde prijzen.
Deelnemende kooplieden van het “Europese pepercontract” kochten het op tegen ook vastgestelde, en uiteraard hogere prijzen, en verkochten het op hun beurt op de vrije Europese markt tegen nog hogere prijzen.
Nederlandse kooplieden hadden gedurende die gehele 16e eeuw daar met die distributie, een goede boterham verdient.
In 1591 verloren zij echter plotseling hun aandeel in de specerijenhandel, omdat die werd overgenomen door een internationale samenwerking van machtige banken en kooplieden uit Portugal, Italië, Spanje en zuid Duitsland.
Bovendien stegen op dat moment de prijzen en werden peperduur, omdat de Portugese zeelieden de grootste moeite hadden, om uit handen van vooral Engelse kapers te blijven, en mede daardoor stagneerde de invoer, en stegen de prijzen tot ongekende hoogte.
De Hollanders probeerden dan ook op allerlei manieren hun graantje mee te pikken.
Jan Huygen van Linschoten had uit zijn Portugese periode een omvangrijke kennis opgedaan, die hij overigens in 1596 te boek stelde, zijn mede plaatsgenoot uit Enkhuizen Dirck Gerritz, ook jarenlang in dienst geweest van de Portugezen, had in 1592 in zijn “Thresoor der zeevaart” zijn kennis gepubliceerd.
Beide werken waren gelijk zeemanshandboek en koopmansboek.
Het gaf zeilinstructies, en nauwkeurige beschrijvingen van landen en volkeren, ook nauwkeurige beschrijvingen van havens en de bestaande handelsroutes in Azië.
Amsterdamse kooplieden, stuurden Cornelis en Frederik de Houtman zelfs naar Portugal op spionage missie, en zij keerden met grote aantallen kaarten van hun missie terug.
Op 2 april 1595 zetten Cornelis de Houtman en Gerrit van Beuningen vanaf de rede van Texel met vier schepen en 249 bemanningsleden, koers naar Indië. Al vele malen eerder waren expedities vanuit Nederland vertrokken met bestemming Indië, maar die waren nooit aangekomen daar waarvoor zij waren vertrokken.
Maar de Houtman en van Beuningen slaagden er zelfs in om beladen met peper terug te komen, tot groot enthousiasme in de Republiek der Zeven Provinciën zoals Nederland in die dagen genoemd werd, er waren vele zeelieden omgekomen, maar dat was onbelangrijk.

Dat er zo velen de tocht niet overleefden, lag voor een groot deel aan het ontbreken van verse voedingswaren waar de vitaminen in zaten, maar daarover later meer.
Nadat al twee eerdere pogingen waren mislukt, vertrokken in  mei 1596 voor de derde maal, een tweetal Amsterdamse schepen onder leiding van koopman Jacob van Heemskerck en de schippers Willem Barendsz en Jan Cornelisz de Rijp, vanaf de rede van Texel, om de weg te vinden naar Indië via de noord route, maar ook deze poging liep uit op een fiasco, zij kwamen vast te zitten in het ijs, met de ontberingen en een overwintering op Nova-Zembla, waarbij Barendsz overleden is in 1597, en Jacob van Heemskerk gered wordt.
Jacob van Heemskerk is overigens in 1607 in een zeegevecht tegen de Spanjaarden voor de kust van Portugal gesneuveld.
Jan Cornelisz de Rijp had in overleg met Barentz, een noordelijke route genomen nabij Nova Zembla, maar liep snel vast tegen de noordelijke ijskap.
Hij keerde terug, en zocht naar zijn collega Barentz, maar vond hem niet.
Teleurgesteld zeilde hij noodgedwongen terug naar Amsterdam. Barentz daarentegen deed verschillende pogingen wel door veel drijfijs gehinderd, om verder te komen. Maar hij liep uiteindelijk hopeloos vast in het vele ijs voor de kust van Nova Zembla.
Door het kruiende ijs, werd het schip hoog opgetild, maar bood uiteindelijk te weinig bescherming tegen de ijzige poolkou.
Op aanwijzingen van de scheepstimmerman werd uit drijfhout dat werd aangevoerd van o.a. Russische rivieren, en dat in een inham van een baai in ruime mate voorhanden was, een blokhut gebouwd van ca. 10 x 6 meter.
Doordat drijfhout hoefde men het schip niet te slopen voor de bouw van het Behouden Huis, en had men ook voldoende brandstof voor de nodige warmte.
Eind oktober was het huis gereed, kort voor de eerste sneeuw begon te vallen.
En de16 overwinteraars beginnen hun hachelijk avontuur in de lange poolnacht op Nova Zembla.
De overwegend katholieke overwinteraars, vierden bij het schaarse licht van een vlammetje van berenvet, ook hun feestdagen zoals Kerstmis, driekoningen, Maria lichtmis, vastenavond enz. Eind januari 1597 kwamen de eerste zonnestralen weer boven de horizon, en kwam een einde aan de schier eindeloze poolnacht, en konden zij zich buiten in het licht vermaken met o.a. klootschieten.
Over voedsel hadden zij geen zorg, dat was in grote hoeveelheid aan boord, maar zij hadden geluk dat zij soms een poolvos konden vangen en opeten, en het bont konden gebruiken voor kleding.
Doordat verse vlees kregen zij kleine hoeveelheden vitamine C binnen, en bleven zij gespaard voor scheurbuik.
Eind mei werd duidelijk, dat hun schip in het pakijs niet meer vrij zou komen, en men besloot om twee sloepen gereed te maken om te vertrekken.
Op 13 juni 1597 verlieten de 15 over gebleven bemanningsleden hun Behouden Huis en gingen zij op weg om te proberen de bewoonde wereld te bereiken.
Een barre tocht met veel loshakken van, en het voortslepen van de sloepen over het ijs.
Na een week al overleed Willem Barentz aan de gevolgen van een val in het ijskoude water, en hij was vervolgens ernstig ziek geworden in de open sloep.
Iedereen verzwakte, en ook het eten van enkel scheepsbeschuit zonder de nodige vitaminen, deed scheurbuik ontstaan.
Eind augustus bereikte men de kust van Rusland nabij Moermansk, en ontdekten daar tot hun stomme verbazing drie Hollandse schepen die onder leiding stonden van Jan Cornelisz de Rijp, en die op handelsmissie was naar Archangel.
Hij nam de overwinteraars mee terug naar Nederland, alwaar zij begin november 1597 weer voet op vaderlandse bodem zetten.
Een route via de noord hoefde men ook niet meer te zoeken, want begin september van hetzelfde jaar waren er drie zij het gehavende schepen teruggekeerd, die via de Portugese route langs Kaap de Goede Hoop daadwerkelijk Indië hadden bereikt.
Deze, aanvankelijk vier schepen, waren op 2 april 1795 van de rede van Texel vertrokken, hun reis verliep zeer moeizaam, en de twee leiders kregen hooglopende onderlinge ruzie, en bleken uiteindelijk geheel ongeschikt voor hun taak.
Een hunner werd door de in de haast bijeengeroepen scheepsraad op zee, voor de rest van de reis in zijn hut opgesloten, met die opsluiting mocht hij blij zijn, want men had hem voor hetzelfde geld overboord kunnen zetten.
Door ziekte van o.a. scheurbuik, werden zij gedwongen aan land te gaan, en wel op de zuidkust van het eiland Madagascar, daar vonden zij wel vers water en vlees maar het duurde drie maanden alvorens zij in het noorden en oosten van het eiland verse groente en fruit vonden. Voor velen kwam dat te laat, zij waren toen reeds overleden en werden begraven op een kerkhof welke de naam kreeg van Hollands kerkhof.
Na enig herstel kwam er wederom een zeer moeizame tocht over de Indische Oceaan en er werd in juni 1596, ruim een jaar na hun vertrek vanaf de rede van Texel, het anker uitgegooid op de rede van Bantam.
Ook het inkopen verliep moeizaam, door onkunde en Hollandse zuinigheid, en ook omdat de Bantammers de Hollanders niet kenden, en zij veelal met de Portugezen handel dreven.
Toen al zeilende door de Indische archipel op zoek naar koopwaar, tot overmaat van ramp, er ook nog schermutselingen uitbraken met de inheemse bevolking van Java, en tot overmaat van ramp daarbij vele bemanningsleden omkwamen mede door verzwakking, was men genoodzaakt om 1 schip in brand te steken, om zodoende voldoende mankracht te kunnen behouden voor drie schepen, en om het vierde schip niet in verkeerde handen te laten vallen.
Op Bali nam men verse voedselvoorraden in, en na de desertie van twee soldaten richting inlandse schonen, zeilde men huiswaarts.
Zes maanden na vertrek uit Indië kwam men thuis, de bemanning een algehele uiteen putting nabij en met nog maar 89 bemanningsleden die de barre tocht hadden overleeft aan boord van de oorspronkelijke 249 bemanningsleden die aan de reis begonnen waren.
Ruim 2.5 jaar was men onderweg geweest, en de opbrengst van de lading was nauwelijks voldoende om de onkosten te dekken, maar de Amsterdamse stadsbestuurders waren verrukt, en gaven een straat in aanbouw de naam van Bantam, heden is dezelfde straat bekend onder Binnenbantammerstraat.
Tot laat in de 16e eeuw was het aan boord hebben van een scheepskok eerder uitzondering als regel, en kookten de schepelingen om de beurt in het vooronder, met als enig hulpmiddel de vlamkast, een ijzeren bak gevuld met hout waar een vuur gestookt werd.
Meestal werd deze taak aan de jongste schepeling aan boord uitbesteed, die de ondankbare taak had om onder vele scheldpartijen die taak te volbrengen.
In de 17e eeuw had men in de gaten dat met een goede kok aan boord, het moreel en de gezondheid beduidend verbeterd werd aan boord, maar toch ging het nog regelmatig mis.
Na een beroerde of helemaal geen maaltijd, legden heel wat schepelingen het loodje, terwijl het eten niet zo wezenlijk veel verschilde van het hedendaagse menu, het essentiële was, dat op zee de verse groente ontbrak.
Vlees werd bij gebrek aan koelkasten, zwaar gepekeld en vis werd gedroogd om de houdbaarheid te verlengen.
De bemanning nam meestal gort en scheepsbeschuit mee, boter en kaas ontbraken meestal ook niet en soms had men de beschikking over gerst om onderweg brood te bakken al was deze gerst ook gezouten om muizen, ratten en ander ongedierte de eetlust te ontnemen.
De voedsel distributie was bij de VOC en later de WIC streng aan regels gebonden, de kok en zijn maten waren verantwoordelijk voor de verdeling, en eetpatronen lagen redelijk vast.
Als ontbijt kreeg men een glaasje jenever op de nuchtere maag en enkele uren later was er voor eenieder gort eventueel aangelengd met bier en of aangevuld met pruimen en of rozijnen, Een enkele keer ook wel broodpap met bier en stroop.
De middagmaaltijd bestond uit erwten en bonen, aangevuld met een keer in de week vlees, twee keer in de week met spek of ham en de overige dagen vis, en s’avonds meestal de restanten van de dag als dat er was tenminste.
Maar de schepelingen kregen bij inscheping een aantal kazen en boter in eigen beheer, alsmede een kannetje olie en azijn, zodat zij zelf zich een rantsoen konden doen toekomen. Alles leek redelijk geregeld aan boord maar het gebeurde toch regelmatig dat de kapiteins de rantsoenen van de schepelingen achterover drukten, en die voor veel geld doorverkochten in Indië, of ruilden voor sterkedrank, waaraan zij zich vervolgens te goed deden met alle gevolgen van dien.
De hygiënische omstandigheden waren aan boord door het ontbreken van koeling natuurlijk erg slecht, en de kok en zijn maten leverden dan ook voortdurend strijd met allerlei ongedierte zoals muizen, ratten en kakkerlakken, om nog maar niet te spreken van bedorven etenswaren, welke vaak al in de magen van de schepelingen verdwenen waren alvorens men tot die ontdekking kwam.
De chirurgijn die men vaak aan boord had, kon vaak dan ook niet meer doen dan toekijken, en de sterfte aan boord was dan ook erg hoog.
Scheurbuik was de meest voorkomende ziekte, en de oorzaak daarvan was het gebrek aan vitamine C.
Als men onderweg in de gelegenheid was om verse groenten en fruit in te kopen, dan had men minder scheurbuik aan boord, en later kwam men erachter dat door gebruik van zuurkool er praktisch geen scheurbuik meer voorkwam.
Dus: zuurkool kwam minstens eens per week voor op het menu.
Men stond zelfs de bemanning toe, om zelf eten te verbouwen aan boord, om zodoende een beetje vers voedsel te verkrijgen.
Na enkele jaren werd deze hobby verboden, omdat de wortels van de gewassen teveel schade aan het schip toebrachten.
Ook werd om diezelfde reden vaak levende have meegenomen zoals kippen en varkens.
Zoals eerder genoemd, veel verschilde het niet met sommige hedendaagse gerechten, wat te denken van raasdonders (kapucijners met spek), rotmok (hachee met rijst), snert met drijfijs (erwtensoep met spek), oranjehuts (hutspot) en kaapse duifjes en arme jongen zijn benamingen voor beschuit, en de benamingen gaven aan dat het ter tafel gebrachte niet altijd voldeed aan de gestelde verwachtingen.
Maar desondanks gingen in tal van Hollandse en Zeeuwse havensteden kooplieden aan het werk om zelf expedities uit te rusten, om naar de oost te gaan.
Deze kooplieden hadden samen en met behulp van vele particulieren grote sommen geld bijeengebracht om de verschillende expedities te bekostigen, deze voorloper van de V.O.C. had de naam van Voorcompagnie, of Compagnie van Verre.
Vele steden met Amsterdam voorop, maar ook Vlissingen, Middelburg, Veere, Rotterdam, Delft, Hoorn en Enkhuizen hadden Voorcompagniën.
In enkele jaren voeren maar liefst 65 schepen over 15 vloten verdeeld naar Azië en waarvan er bijna 50 vol met specerijen terug kwamen.
De Staten Generaal met landsadvocaat Johan van Oldebarnevelt voorop zagen met lede ogen aan dat Jan en alleman zich nu met de handel in specerijen ging bemoeien en bezighouden, en het aanbod op de markt in de landen rondom ons steeg, en werd zo groot dat de prijzen kelderden, en daar was niemand bij gebaat, zeker de handelaren in de Zeven Provinciën niet.

Oprichting van de VOC
Johan van Oldebarnevelt probeerde dan ook de betrokken handelaren en scheepsreders tot samenwerking te bewegen en dat resulteerde in de oprichting van de Verenigde Oost-Indische Compagnie, de V.O.C. op 20 maart 1602 en die een monopoliepositie krijgt van handel op alle landen ten oosten van Kaap de Goede Hoop.
De Compagnie mocht namens de Staten Generaal oorlog voeren en verdragen sluiten met Aziatische vorsten, in Azië forten en handelsposten bouwen, soldaten legeren en bestuurders aanstellen. En dat alles door een particuliere instelling.
En dat zij oorlog voerden moge duidelijk zijn.
De Engelse Koningin Elisabeth I, had op 31-12-1600 de Engelse Oost Indië Compagnie gereglementeerd en de Engelse en Hollandse vloten hebben vele zware zeeslagen geleverd, om de hegemonie in het verre oosten.
Onder Cromwel stonden de Engelsen de handelsrechten betreffende Indië af aan de Hollanders die er Nederlands Indië van maakten, de Engelsen verlegden hun handel vanaf dat moment naar Bengalen, het huidige India.
Pas in 1833 werd de Engelse Oost Indië Compagnie onder de toenmalige Earl Grey opgeheven en gingen haar eigendommen over aan de Britse kroon in India.
De Verenigde Oost-Indische Compagnie wordt verdeeld in zes kamers: Amsterdam, Middelburg, Rotterdam, Delft, Hoorn en Enkhuizen.
Amsterdam nam de helft van al het werk voor haar rekening, Zeeland een kwart, en de overige kleinere kamers elk een zestiende gedeelte.
Tenslotte was het aandelenkapitaal van 6.5 miljoen ook grotendeels in Amsterdamse handen.
Bestuurders van een eerder opgerichte Compagnie van Verre worden de bewindvoerders van de V.O.C. en uit hun midden wordt het dagelijks bestuur gekozen, de ” Heren XVII ”
De Heren XVII was dus de top van de organisatie en werd bijgestaan door de secretaris of advocaat.
De heren XVII werden benoemd door de zes kamers en de heren XVII hadden ook overleg met het Haagse Besogne, een tussenschakel met de Hoge Regering van het land.
De heren XVII en de Hoge Regering benoemden de Gouverneur Generaal en de Raad in de buitengewesten, het College van Schepenen en Raden in Batavia en de Raad van Justitie, en dat allemaal op afstand, want op een enkele uitzondering na waren zij nimmer in het gebied geweest waarover zij de zeggenschap en het bestuur hadden.
De 6 kamers tenslotte hadden commissies waarover zij gingen, een commissie van de Rekenkamer, Commissie van Ontvang, Heren van het Pakhuis en Commissie van Equipage, en legden daarover verantwoording af aan de heren XVII.
Dat macht in die dagen belangrijk was, spreekt voor zich.
En dat andere steden die de boot hadden gemist alles in het werk stelden om ook een deel van die macht te vergaren, moge duidelijk zijn.
Omdat de V.O.C. octrooien had verkregen waarin bepaalde rechten waaronder het monopolie waren vastgelegd, en die om de ca. 20 jaar verlengt moesten worden en toestemming moesten hebben van alle de 7 provincies van de Staten Generaal van Holland, daardoor waren anderen in staat om invloed uit te oefenen door middel van hun stemgedrag.
Zodoende waren door Gelderland, Friesland en Utrecht al bijzondere bewindhebberplaatsen opgeëist en waren de steden Haarlem en Leiden in staat om twee bewindhebbers in de Amsterdamse kamer door hun te laten benoemen.
Amsterdam had overigens 20 bewindhebberplaatsen.
Later voegden ook Overijssel, Stad en Lande van Groningen, Dordrecht, Alkmaar en Gouda zich bij hen door buitengewone zetels bij verschillende kamers.
Veel invloed konden zij overigens niet uitrichten, maar zij hadden wel enigszins zicht op allerlei zaken die anders voor hun totaal onoverzichtelijk waren.
Tot opperbewindhebber van de V.O.C. werden overigens de Oranjes benoemd, eerst stadhouder Willem IV en later diens zoon Willem V.
De Oranjes hadden overigens niet de invloed dat daardoor radicale koerswijzigingen tot gevolg waren.
De heren XVII probeerden wel op allerlei manieren de Oranjes te paaien, zij betaalden de Oranjes dividend, alsof zij 1/3 van de aandelen bezaten.
Vermoedelijk ter gelegenheid van de geboorte van erfprins Willem VI, de latere Koning Willem I, schonken de heren XVII hun opperbewindvoerder in 1772 een Meissen servies van 400 delen. Op de vele borden en schalen zijn steden en dorpen afgebeeld van Nederland en Indië, en vele buitenplaatsen.
Na de vlucht voor de Fransen in 1795 nam stadhouder Willem V het mee naar Engeland, maar was door geldzorgen geplaagd noodgedwongen het te verkopen.
Het servies raakte over de hele wereld verdeeld, maar inmiddels zijn vele delen weer terug in Nederland, op Paleis Het Loo.
Ook uit een ogenschijnlijk mislukte missie in 1598, van 5 schepen van de Rotterdamse kamer, om via de west en de straat van Magelhaen het uiterste puntje van Zuid Amerika, Indië te bereiken, en waarbij maar 1 schip terugkeert, kon uiteindelijk toch iets goeds voortkomen.
Zij hadden de gedachte opgevat, om voor de Zuid Amerikaanse kusten de Spaanse zilvervloten te overmeesteren en met dat geld in Indië specerijen in te kopen.
Drie schepen werden door Spanjaarden en Portugezen in de pan gehakt, de bemanning gevangen genomen of vermoord, een schip weet het noodlot te ontkomen, en keert uiteindelijk naar Holland terug, en het 5e schip “de Liefde” raakt in desolate toestand met nog maar 25 bemanningsleden aan boord verzeild op de kust van Japan.
Na veel ontberingen, en veel tegenwerking van Portugezen in Japan, wisten zij het vertrouwen te winnen van de machtige Japanse shogun Tokugawa Ieyasu. Alle opvarenden bleven de rest van hun leven in Japan. Wel zeilden schipper Quaeckernaeck en koopman van Santvoort in 1605 naar de Indische archipel, en legden zij contacten met de Hollandse Oostindiëvaarders, die een uitnodiging ontvingen van de Japanse shogun, om handel te komen drijven.
Zodoende kwam van een ogenschijnlijke mislukking en onfortuinlijke reis van de Liefde, toch het succes, want voor de Hollanders gingen in Japan de deuren open, die voor vele anderen gesloten bleven.
In 1621 werd de West Indische Compagnie gesticht, met 5 kamers, die van Amsterdam, Middelburg, Rotterdam, Hoorn en Groningen.
De W.I.C. krijgt een monopolie van handel en scheepvaart op de westkust van Afrika tussen de kreeftskeerkring en Kaap de Goede Hoop en op de gehele Amerikaanse kust, zowel noord, midden als zuid Amerika, met als triest “hoogtepunt” de slavenhandel van Afrika naar de plantages in Amerika.
Om aan voldoende beginkapitaal te komen, nam men voor die tijd een modern besluit, dat iedere Nederlander de gelegenheid kreeg om mee te doen in de nieuwe maatschappij. In het kapitaalboek vinden wij dan ook inleggelden van F.50,- F.75,- en F.100,-, maar ook van F.4.000,- F.5.000,- met als hoogste inschrijver de koopman Lemaire met F. 97.000,-. Ook Johan van Oldenbarneveldt fourneerde ruim F. 5.000,-. In totaal werd 6.5 miljoen gulden bijeengebracht op een inwoneraantal van 1.5 miljoen inwoners, en dan te bedenken dat de 7 Provinciën ook nog verwikkeld waren in een oorlog met de grootste en machtigste natie in die dagen, Engeland, voorwaar een enorme prestatie. (6.5 miljoen gulden, is omgerekend naar 1980 ca. 300 miljoen)
Wel hadden de aandeelhouders van toen, in tegenstelling met de huidige aandeelhouders, geen enkele zeggenschap, het bestuur werd buiten hen om benoemd, en gaf vrijwel nooit opening van zaken.
Deze eerste naamloze vennootschap ter wereld kreeg het alleenrecht op de vaart ten oosten van de Kaap de Goede Hoop, en om dat monopolie af te dwingen, mochten zij handelsposten stichten, verdragen afsluiten, soldaten in dienst nemen, forten bouwen, en zelfs een oorlog beginnen of vrede sluiten.
Met dit octrooi in handen wisten de dienaren van de V.O.C. in de eerste helft van hun bestaan, bijna in geheel Azië voet aan de grond te krijgen, wat erg vaak ten koste ging van de Spanjaarden en Portugezen, die daar al zaten, en ook zeer vaak ten koste van de plaatselijke bevolking.
Kaap de Goede Hoop bijvoorbeeld, alleen de naam al doet het ergste vermoeden, als men namelijk dit punt had bereikt in de reis naar Indië, had men goede hoop het tweede deel ook te overleven, Jan van Riebeeck staat in de geschiedenisboekjes vermeld als de ontdekker, pionier en de man die de westerse beschaving naar het zuidelijkste puntje van Afrika heeft gebracht, hij was het die daar een verversingspost voor de VOC schepen heeft gesticht in 1652.
Heden ten dage, staat hij in de Zuid-Afrikaanse geschiedenisboeken als gronddief, veedief, slavenhandelaar en onderdrukker van de inheemse bevolking, en de eerlijkheid moet gezegd, het laatste komt dichter bij de waarheid.
Maar ook het eiland Mauritius ontdekt door van Marwijck in 1598 stond bekend als verversingspost, en het paradijs op aarde, door zijn water fruit en vlees.
Wel waren de ontdekkers er tevens de schuld van, dat inheemse dieren van het eiland uitgestorven zijn geraakt. Zij zagen op het eiland een grote rare onbekende vogel, tweemaal groter dan een pinguïn, met een lijf als een struisvogel, en met een zeer grote bek, en in plaats van een staart, enkele kleine gekrulde pluimpjes. Deze vogel had van de Portugezen de naam Douda (uiterlijk) gekregen, maar verbasterde later tot Dodo.
De Hollanders noemden deze vogel de walgvogel, omdat hij walgelijk smaakte. Zij aten liever de tortelduifjes die in grote getale aanwezig waren op het eiland. Om andere schepen van de V.O.C. voldoende vlees te kunnen verschaffen, bij hun passage, lieten deze ontdekkers hun meegenomen vee en huisdieren los en vrij rondlopen, wat tot gevolg had dat varkens de eieren van de Dodo opslobberden, en de scheepskatten de uitgekomen vogeltjes opaten. En als men bedenkt dat de Dodo een ei per jaar legt, dan is het met zijn voortbestaan snel gedaan.
Ook mochten Afrikaanse inheemse vrouwen niet trouwen, omdat zij vaak gedwongen werden, om als bijvrouw de blanke man te dienen, niet goedschiks, dan maar kwaadschiks, en men was bepaald niet zuinig op een zwart mens meer of minder.
Ook niet op een blanke zeeman meer of minder trouwens.
Dat de soldaten van de Compagnie geen halve maatregelen namen, bewijst ook de verwoesting in 1619 van Jacatra, in een oorlog tegen de Bantammers, welk volk onder leiding van hun sultan van Bantam in opstand kwam tegen de Hollanders. Jan Pieterszoon Coen sticht in 1623 naast de verwoeste stad Jacarta de stad Batavia, die Coen eigenlijk Nieuw-Hoorn wilde noemen naar zijn geboorteplaats Hoorn, maar uiteindelijk stonden de Heren XVII op de naam Batavia, als symbool van het gehele volk der 7 Provinciën, de “Bataven”, welke stad pas in 1949 is omgedoopt tot het tegenwoordige Djakarta, als eerbetoon aan het oude Jacatra. Jan Pieterzoon Coen, geboren in 1587 uit een eenvoudige handelsfamilie, heeft dienst doende bij de V.O.C. een stormachtige carrière gemaakt, 1618/1619 reist hij naar Indië, in 1623 is hij hoofd van de factorij Bantam en Jacarta, en als hij begin 1625 bij de Amsterdamse regentenfamilie Ment om de hand komt vragen van hun 19 jarige dochter Eva, vergeet men zijn afkomst en zijn leeftijd, hij is tenslotte 2 maal zo oud als Eva, want hij heeft geld en aanzien, als Gouverneur Generaal in de Oost, en hij stond bekend als eerlijk, godvrezend, zedig en eerbaar, niet hovaardig en geen dronkaard, later blijkt dat hij ook zeer meedogenloos kon zijn.
In april 1625 stappen zij samen in het huwelijksbootje, en 2 jaar later besluit Coen om samen met zijn jonge vrouw terug te keren naar Indië, waar hij direct het gezag van Directeur Generaal weer op zich neemt, en Eva ondergebracht werd in kasteel Batavia, alwaar zij met 26 bedienden achter haar stoel kan leven als een koningin, maar zij was er niet gelukkig, ook kon zij niet zonder gewapende geleide over straat, want de inlandse bevolking begon steeds meer te morren en in opstand te komen.
Gelukkig voor Eva kreeg zij de zorg over de jonge Sara Specks, die maar enkele jaren jonger was dan zijzelf. Sara was verliefd op een jonge vaandrig van de V.O.C., de vrouw van de Gouverneur Generaal stond dat oogluikend toe, totdat de geliefden op een nacht in het bed van Sara werden betrapt.
Jan Pieterszoon Coen was razend van woede, over zoveel zedeloosheid, en liet de jongeman terstond onthoofden, en Sara wilde hij straffen door haar in een dichtgetimmerde ton te water te laten, zodat zij langzaam maar zeker zou verdrinken, en alleen door tussenkomst van zijn op dat moment hoogzwangere vrouw werd dat laatste voorkomen, en werd zij enkel maar gegeseld.
In 1629 komt het ook daadwerkelijk tot een opstand, maar Coen verdedigd de stad dapper, en de opstand werd neergeslagen. Hijzelf werd tijdens de strijd door hevige koortsen ondermijnd, en stierf in 1629, drie dagen na de geboorte van hun dochtertje. Niets weerhield de jonge weduwe ervan, om samen met haar dochtertje de terugreis naar Holland te maken, en in december van 1629 vertrekt zij dan ook met haar dochter.
Maar de baby overleeft de reis niet, en zij krijgt een zeemansgraf.
Als zij in 1630 in Holland terugkeert, krijgt zij nog een zware slag te incasseren, want Jan Pieterszoon Coen heeft vrijwel zijn hele vermogen nagelaten aan zijn zuster en haar zes kinderen, Eva komt in 1669 te overlijden, na nog tweemaal in het huwelijk te zijn getreden, in Indië is zij nimmer teruggeweest.
Ook op Ceylon het huidige Sri-Lanka bezat men maar liefst veertien forten, welke alle de tand des tijds hebben doorstaan, en vele inwoners noemen zich Dutch Burgers, mensen die geen woord Nederlands spreken, maar allen nazaten zijn van de gelukszoekers, die met de schepen van de V.O.C. meekwamen, en daar trots op zijn.
Op Maleisië staat het grootste bouwwerk uit die periode, het Stadthuys, momenteel het Melaka Historisch Museum, verder vele pakhuizen en een kerk, in India op de kust van Malabar en Coromandel en in Agra, dicht bij de Taj Mahal, zijn nog voormalige handelskantoren van de V.O.C. te vinden, en op het vroegere eiland Deshima in het Japanse Nagasaki zijn eveneens nog Nederlandse sporen te vinden.
In Japan waren de mannen van de compagnie overigens de enigste  westerlingen, die gedoogd werden. De Japanse machthebbers, de Shogun, had in 1641 alle Portugezen en Spanjaarden erop betrapt dat zij niet alleen handel dreven, maar dat zij ook probeerden, hun gastheren tot het christendom te bekeren.
De Nederlanders hielden zich in die dagen verre van religieuze zaken, en konden dus blijven op hun handelspost op het eiland Deshima in de baai van Nagasaki, mits zij het eiland niet verlieten. Slechts eenmaal per jaar mocht een gezantschap van de Compagnie een bezoek brengen aan het hof van de Shogun in Edo, de enigste Japanners die zij zagen voor de overige tijd van het jaar, waren tolken maar vooral prostituees.
Ook het Chinese eilans Formosa, het huidige Taiwan, werd door de Hollanders bezet van 1624 tot 1662, eerst samen met de Spanjaarden, maar die werden er in 1642 uitgeknikkerd door de Hollanders, zodat de Nederlanders op die manier een springplank zouden hebben naar het Chinese vasteland.
Maar in 1662 trok de laatste verdediger van de Chinese Ming-dynastie, Zheng Cheng Gong door de Hollanders Coxinga genoemd, zich van het vaste land terug op Formosa, omdat de grond in China hem te heet onder de voeten werd.
Coxinga veroverde het VOC fort Zeelandia, en daardoor werden de Hollanders plotseling gedwongen de aftocht te blazen, en werd Formosa het laatste bolwerk van het eens zo machtige Chinese Ming dynastie, die plaats moest maken voor de Qing dynastie.
In 1683 werd het eiland weer een Chinese provincie, om vervolgens eeuwen later opnieuw maar nu door Tsjoe en Lai onafhankelijk te worden en omgedoopt tot Taiwan, maar de Chinezen maken nog altijd aanspraken op wat zij hun provincie noemen.
In de Indische Archipel ging het er heel anders aan toe, daar waren het vooral de vorsten, al dan niet in onderlinge wedijver, die dansten naar de pijpen van de V.O.C. Velen van hen moesten specerijen leveren aan de schepen van de compagnie, en als zij niet voldeden aan hun opgelegde verplichting, dan zagen de heren in Batavia er niet tegenop om treffende maatregelen te nemen. Op het eiland Banda, bekend om zijn kaneel, zijn bij acties om hen te wijzen op hun verplichtingen ca. 15.000 mensen omgekomen, ca. 1.000 bleven er over, die daarna ondergebracht werden als slaven bij ‘Tuineliers’, mensen die een stuk grond of tuin huurden van de compagnie, en die in Europa werden geronseld, op het eiland Ambon verging het de plaatselijke bevolking de Molukkers niet veel beter, daar waren het de kruidnagelen die van belang werden geacht, en de Molukkers voelen zich heden ten dage nog misbruikt en in de steek gelaten.
Batavia was het centrum van de Compagnie in geheel Azië, de stad naar Hollands model aangelegd, had lange kaden en grachten, en herbergde rond 1700 ca. 70.000 mensen waarvan er zo’n 6.000 van Europese origine.
Batavia een stad, waar men aankwam na een verschrikkelijke zeereis, en een land vol met onbekende tropische ziekten, en een enorme hitte, en de hygiënische omstandigheden waar men geen begrip van had, in het vaderland waren de omstandigheden verre van ideaal, maar hier tartte het alle verwachtingen.
Men dronk het water uit de rivier, die tevens als open riool dienst deed, en men bouwde net als in het vaderland grachtenhuizen, al krioelde het bij het water van de malariamuggen, en de kleding was gelijk als in Holland, zwart en zwaar. De sterfte was er dan ook enorm, en om mensen in het vaderland niet al te veel af te strikken, om op avontuur te gaan, verhinderde de V.O.C. een briefwisseling tussen de oost en het moederland.
Alleen in dringende gevallen, mochten brieven in de scheepstrommel worden meegegeven, en dan nog alleen maar in open envelop, zodat de Heren XVII konden beoordelen of daarna de brief in Holland bezorgd mocht worden, en de prullenmand stond dichtbij en meestal vol.
Eigenlijk wekte het verbazing dat de V.O.C. er telkens in slaagde om voldoende mensen te vinden, die het avontuur aandurfden, ook al omdat velen officieel werden uitgesloten, zoals personen van minder allooi, gefailleerden, eerlozen, misdadigers en Roomsen omdat die ervan verdacht werden met de vijand te heulen, in dit geval de katholieke Spanjaarden.
In het Compagnies kantoor, “het Kasteel” in Batavia zetelde ook de Indiase Regering en de Gouverneur-generaal, zij bepaalden hoeveel geld, goederen schepen en manschappen nodig waren om het bedrijf draaiende te houden, waar oorlog gevoerd moest worden, en waar verdragen gesloten dienden te worden.
Formeel waren zij ondergeschikt aan de Heren XVII van de V.O.C., maar die zaten wel erg ver weg in de Republiek van de Verenigde Zeven Provinciën (Nederland), vandaar dat een 18 eeuwse Gouverneur-generaal eens verklaarde, “De Heeren XVII in ’t vaderland besluyten de zaaken zoals zij daer goetvinden, maar wij doen het hier, zoals wy het verstaen en best oordelen”.
Corruptie vierde hoogtij, en al werden maatregelen ingevoerd, zoals halvering van salaris, waarbij het ingehouden deel uitbetaald werd na afloop van het dienstverband, waarbij de ambtenaar niet geknoeid mocht hebben, anders kreeg hij die uitbetaling niet.
Maar de bijverdiensten, of de morshandel deed dat ongemak snel vergeten. Zelfs was men in staat, om tijdelijk staatsgeld uit te lenen tegen woekerrente van wel 20%, en de winst natuurlijk in eigen zak te steken, ook kocht men tegen bodemprijzen voor eigen rekening in, en liet het door een bevriende schipper op basis van half om half in het vaderland aan de man brengen.
Een van de aantrekkelijkste kanten van het bewindhebberschap, was het aanstellen van personeel. Ook al benoemden de verschillende commissies de dienaren in de verschillende functies, de bewindhebber had een flinke stem in de procedure, ook al omdat zij bij toerbeurt de kandidaten mochten voordragen. Voor zo’n aanbeveling lieten zij zich flink betalen, net zoals vele posten in de republiek eveneens tegen betaling werden toegewezen.
VOC directeur en burgemeester van Amsterdam Jeronimus de Haze ontving in 1723 16.000 gulden van een sollicitant voor diens benoeming tot hoofd van een grote scheepswerf van de Compagnie in Amsterdam.
En in Zeeland betaalden opper en onderboekhouder respectievelijk 21.000 en 9.600 gulden voor hun benoeming. En zouden zij dat echt zelf betalen, of zouden zij dat later terugverdienen van de Compagnie.
De Amsterdamse bewindhebber Mr. Willem Sautijn raakte in opspraak door dergelijke praktijken. Zijn kwistige levensstijl bracht hem in voortdurende geldnood, en daardoor probeerde hij de posten voor de VOC zo profijtelijk mogelijk voor hem zelf te vergeven.
Hij had zelfs twee bemiddelaars, Evertje Flaming en Pieter Backer, van bedenkelijk allooi in dienst die geschikte kandidaten opzochten. Voor de positie van onderkoopman vroeg hij 3500 gulden, en voor aspirant schipper tussen 2 en 2.500 gulden. Een soldaat was ten hoogste 40 gulden kwijt, en dat voor een baan waar men meer kans had te overlijden, dan te overleven. Het moeten toch wel barre tijden zijn voor de gewone man, die van uit alle windstreken richting Amsterdam kwamen om te proberen het hoofd boven water te houden.
Sautijn verdiende in 7 jaar tijd 23.000 gulden, en had daarbij door het ontbreken van liquide middelen ook genoegen genomen met betaling in natura. Zo was hij in bezit gekomen van vele kostbaarheden, zoals Indiase zijde, gespen met diamant, en gouden en zilveren voorwerpen.
Lang ging het goed, maar toen hij Pieter Backer op straat zette, omdat hij zich onbeschaamd had gedragen tegen zijn ongehuwde schoonzuster, ging het mis.
Pieter Backer verlinkte daarop zijn voormalige broodheer, en het kwam tot een rechterlijk onderzoek, waarbij bleek dat hij ook nog aanzienlijke geldleningen had verstrekt aan Compagniesdienaren, die in Indië daarmee voor eigen gewin handel dreven, en dat hijzelf daarvan 10 % opstreek aan rente.
Mr Willem Sautin overleed echter in 1731 alvoor het tot een rechtzaak was gekomen.
Bewindhebbers woonden slechts bij toerbeurt de vergadering bij van de heren XVII, terwijl zij wel voor het leven waren benoemd.
De belangrijkste schakel was echter de secretaris, een advocaat, die de hoofddirectie, de heren XVII voorzag van vergaderstof in de vorm van besluiten, resoluties e.d. Pieter van Dam was secretaris van 1652 tot aan zijn dood in 1706, hij was het die zijn ervaring uitvoerig te boek stelde in zijn “Beschrijvinge van de Oost Indische Compagnie” in 1701. Het was een belangrijk naslagwerk voor de bewindvoerders, het boek was niet openbaar voor buitenstaanders, en lag het opgeslagen in een gesloten kist in de vergaderkamer van de Heren XVII.
Al in 1731 werden de toenmalige Gouverneur Generaal, de Directeur-generaal en verscheidene hoge ambtenaren ontslagen en als gewone passagiers naar Holland vervoert om ondervraagt te worden, en in 1743 krijgt Gouverneur Generaal van Imhoff de opdracht van de heren XVII om een grondige reorganisatie door te voeren om de kosten in de hand te houden, hij vertrekt met een schip de “Hersteller” genaamd, maar hij slaagt daar niet in, en het schip werd in de volksmond al gauw de “Versteller” genoemd.
Naarmate de 18e eeuw vorderde, gingen al die kantoren, schepen en vooral duizenden ambtenaren, zeelieden en soldaten in Azië, steeds zwaarder op de begroting drukken, zo zwaar dat de V.O.C. in de rode cijfers begon te geraken, bezuinigingen en reorganisaties zoals gemeld, brachten nauwelijks enig soelaas. Zelfs een reglement uit 1754, die bepaalde hoeveel elke groep ambtenaren mocht bezitten aan slaven, paarden, rijtuigen, wandelstokken, zonneschermen en andere luxe goederen, mochten niet baten.
En toen in 1780 ook nog eens de vierde Engelse oorlog uitbrak, en vele schepen met of zonder lading in handen van de vijand vielen, ging het wel heel erg snel bergafwaarts met de Compagnie, en was het in feite gedaan met de V.O.C., en de definitieve opheffing kwam dan ook in 1799. De bezittingen en schulden van de V.O.C. werden overgenomen door de Bataafse Republiek, die de Republiek van de 7 Provinciën opvolgde, de rekeningen van de V.O.C. tonen een tekort van 135.000.000 gulden, een gigantisch bedrag in die tijd.
Tengevolge van de oorlog met Engeland in 1780, en het stilliggen van de handel voor twee jaar tengevolge daarvan, was het overgrote deel van de bevolking van Enkhuizen brodeloos, en in Middelburg zelfs een derde deel.
De Amsterdamse Compagnieswerf was zelfs in die dagen met 1000 werknemers een van de grootste bedrijven van Europa.
Op vele plaatsen in Azië zoals in, Arabië, Voor-Indië, Ceylon, Perzië, Formosa, Japan, de Kaap de Goede Hoop in Zuid Afrika en Indië was het daarna ook snel gedaan met de Nederlandse overheersing.

Na de ondergang van de VOC
De Engelsen namen het bewind in Indië voor korte tijd over, maar nadat zij in Java een hevige opstand hadden onderdrukt, namen de Nederlanders opnieuw het heft in handen, en voerden in 1830 het zogenaamde Cultuurstelsel in. De inlanders werden gedwongen om op 20 % van hun landbouwgronden, handelsgewassen te verbouwen, met gevolg dat het ten koste ging van de traditionele rijstbouw, waardoor er veelvuldig hongersnood voorkwam met alle noodlottige gevolgen van dien. 35 jaar heeft dat stand gehouden, en leverde Nederland een winst op van ca. 800 miljoen.
Pas omstreeks 1870 komt er een kentering, en ging men over naar een meer menswaardiger bestaan, en bestede men meer aandacht aan onderwijs, verbetering van landbouwmethoden, en verplaatste men inwoners van het tjokvolle Java naar minder bevolkte gebieden. Financiële tegenvallers in het moederland waren er de oorzaak van dat het resultaat niet was, wat men er van verwachtte, ondanks de enorme winsten uit de koloniën.
Eenheid was er in Indië nog niet, alleen de Nederlanders, andere Europeanen en Chinezen stonden onder Nederlands gezag, en de inheemse bevolking stond onder gezag van de inheemse vorsten, die op hun beurt weer het Nederlandse gezag erkende.
Generaal van Heutz zorgde ervoor, dat er daadwerkelijk gezag kwam over Indië, hij voerde inlandse oorlogen en zo werden de mensen onderdrukt, Atjeh in 1904, Borneo in 1905, Celebes in 1908, en Timor in 1911.
In 1917 stelde Nederland een volksraad in, welke een Indonesische meerderheid had, en adviserende bevoegdheden kreeg, maar in datzelfde jaar kwamen er nationalistische gevoelens aan de oppervlakte.
In 1920 ontstond de communistische partij de P.K.J. en in 1927 de P.N.I. de Partai National Indonesië van Soekarno, Hatta en Sjahir, met als voornaamste leuze Indonesia Merdekka (Vrij Indonesië). Nederland voelde nog niets voor een overdracht, en verbannen de leiders samen met honderden andere sympathisanten naar Nieuw Guinea.
Tijdens de Japanse overheersing in de 2e  W.O. werkten Soekarno en Hatta samen met de bezetters, om de Nederlanders tijdens die bezetting te vervangen door Indonesiers, en toen op 15 augustus 1945 de Japanners capituleerden na een afschuwelijk wrede oorlog in de pacific, riepen Soekarno en Hatta op 17 augustus 1945 onmiddellijk  de onafhankelijkheid uit van Indonesië, die vier jaar later en twee Nederlandse politionele acties, welke ook niet erg fris waren, werd bekrachtigd met de soevereiniteitsoverdracht.
Bij die overdracht kwamen vele Indische militairen van het Koninklijk Nederlands Indisch Leger in een moeilijk parket, en zij werden overgebracht naar Nederland, omdat zij in het nieuwe Indonesië als landverraders werden beschouwd, omdat zij dienst hadden gedaan in het KNIL, het Koninklijk Nederlands Indisch Leger, in Nederland waren zij oorspronkelijk tweede rangs burgers, veelal weggestopt in kampementen, waarvan de laatste in Vugt in de jaren 1993/1994 pas werd afgebroken, en meer nog met het doel om de Indische mensen te integreren in de Nederlandse samenleving, terwijl zij zich juist willen verenigen in samenhang met hun afkomst om te proberen hun wortels zo lang mogelijk vast te houden, en die heden ten dage nog steeds voor hun rechten op moeten komen, velen voelen zich in de steek gelaten door de toenmalige Nederlandse regering, en ook door de latere opeenvolgende regeringen.

Uit een dagboek, bijgehouden door Carolus van der Haeghe, soldaat sinds 1698 bij de V.O.C, krijgt men een uniek kijkje in het leven van alledag als soldaat van de V.O.C.

Carolus van der Haeghe, had er zwaar de pest in, hij was tot over zijn oren verliefd op de schone Cornelia, “van wien hij het ja woord bekomen hadde, en van wien hij ook seer gelieft wierd”. Zijn baas Guillis de Smit echter wilde niets van deze verbintenis weten, beneden zijnstand, oftewel “wesende te laag van meriten” oordeelde deze en kwam vervolgens met zijn nichtje op de proppen, met de vraag of hij niets in haar zag. Maar Carolus de klerk mocht en kon nicht Isabella niet lijden, en maakte dat hij weg kwam.
Zo kwam deze Vlaamse griffier in Nederland terecht, waar vandaan hij als passagier met een schip mee wilde varen de wijde wereld in, maar hij hield echter bijzonder veel van het goede leven, en ging samen met een mooie jonge en vrolijke dame aan de zwier, geldgebrek speelde hem parten, maar de waardin Hestertje genaamd wist wel raad, zij leende hem 150 guldens als hij eventjes de wissel wilde onderschrijven.
Carolus van der Haeghe  liep er met open ogen in, en op 29 april 1698 de dag dat hij tekende, was hij verkocht aan de Verenigde Oostindische Compagnie als gemeen (gewoon) soldaat tegen een gage van 9 guldens per maand. In tegenstelling tot de meeste arme sloebers in dienst van de compagnie, met 35.000 mensen die op een of andere wijze van de Compagnie afhankelijk waren, en somtijds wel 150 schepen in de vaart, kon Carolus schrijven, en kunnen wij nu zijn wederwaardigheden volgen over lange jaren.
Bestuurders en hoge ambtenaen hielden nauwkeurig rapporten en lange staten bij, maar dat een gewone soldaat zijn verhaal opschreef was in die dagen ongekend, terwijl Carolus van der Haeghe ook nog een wilde jongen was, die meer meemaakte als menig ander persoon.
Met de carriere van Carolus ging het eigenlijk al onmiddellijk fout, bij aankomst in 1700 met het schip de IJsselmonde in Batavia. Het schip had geen voorspoedige reis, er heerste scheurbuik aan boord in alle hevigheid, wat de bemanning zo had uitgeput, dat zij voor de haven van Batavia aankomende, niet in staat waren om binnen te lopen. In het zicht van de haven werd dan ook de noodvlag gehesen, “Siende de schippers malkanderen met bedruckte oogen aan, leiten op staande voet van hun volk aan boord te komen, om ons op Batavia te brengen waar wij de 3e februari 1700 arriveerden te weten 18 soldaten, 7 gesonde matroosen en 85 sieken, de rest van de 286 opvarenden waren dood, waaruyt alleenlijck geconsidereert kan weren wat ons gepasseerd is”. Carolus is een grote fantast en smoesjesmaker, hij is nog niet aan land, vrijgesteld van wachtlopen vanwege zijn zwakke conditie of hij rent naar de Heer Bornezee, lid van de Raad van Indiä die in Batavia resideerde zoals boven reeds vermeld, met zijn aanbevelings brieven uit Vlaanderen. Bornezee kan een geschoolde klerk uit het moederland goed gebruiken, en bied hem een uitstekende positie aan, om hem zo uit het uniform van soldaat te helpen, maar Carolus mekkert dat er geen katholieke kerk in Batavia is, en hij wil en zal terug naar het vaderland, en weigert de aangeboden positie, en Bornezee belooft hem zijn best te doen.
Ondertussen zet Carolus maar weer eens flink de bloemetjes buiten. In de uitspanning “het Swarte Paard”, krijgt hij woorden met een andere soldaat van de compagnie,” welke ik door den dranck niet kon leijden”, hij had de ongelukkige aangetroffen bij zijn favoriete hoer, carolus ontsteekt in woede, en schrijft precies op wat voor schade hij heeft toegebracht, bij zijn razernij.” Ik gaf mijn confrater een cap in de kop dat hij ter aarde viel in perijckel van sterven, laten hem liggen, was niet tevreden, moest mij verder aan aan d’hoer wreecken, dewelke ik het hair afsneet en andersints met slagen vreselijk tracteerden, ook sloeg ik al het glaswerk kapot, en moest uiteindelijk door de geweldiger met zijn caffers worden overmeesterd”. Zes weken in de ijzers was de straf, terwijl op dat moment hij ook mocht vertrekken naar het vaderland, welke Heer Bornezee had bewerkstelligt, maar dat ging omdat hij vastzat aan zijn neus voorbij, “de verlossing passeerde” omschreef hij het zelf. Carolus wordt nog een keer op vechten betrapt, en is constant lazerus, en krijgt voor straf van 6 corporaals elk met een goede rotting uitgerust, een geweldig pak slaag, ” ze sloegen mij de cleren van het lijff en het vel aan stucken”.
Op tweede Paasdag in 1702 heeft carolus er genoeg van, en gaat er vandoor.
Hij weet aan boord te komen van een Spaans schip dat op weg is naar Manilla op de Philipijnen, en zonder veel moeite krijgt hij werk bij de Spanjaarden, hij helpt de verdedigingswerken te verbeteren, gaat uit vrijen bij een Indiaanse en laat zich door de paters Jezuïeten flink de oren wassen en schrijft in zijn dagboek, dat hij zich daarna als een herboren mens voelt, hoewel hij nog regelmatig over zijn Vlaamsche liefje schrijft, kan hij zich het leven zonder een bijzit niet meer voorstellen. “Dito ‘smorgens vroeg wierd ik gewaarschout aldat mijn lieve Indiane siek was van ’t kermisse of drinken, dewelke ik dadelijk gong besoeken met een regaal van chocolate, suijker, biscuit ende een flesse geprepareerde wijn de koke die seer costelijck was”. Opnieuw begint Carolus van der Haeghe te zeuren, hij wil naar zijn Vlaanderen terug, en of de Spanjaarden hem niet op een boot terug willen zetten, maar natuurlijk willen de Spanjaarden dat niet, en houden hem aan het lijntje met wat halve beloften, die niet worden nagekomen. Als hij daarachter komt, gaat hij op zoek naar medestanders, die samen met hem willen vluchten en ontsnappen.
Hij heeft het plan opgevat om over zee naar China te ontsnappen en van daaruit per Engels schip verder proberen te komen. Zij krijgen een kano (knoo) te pakken van 3 voet breed en 5 vaam lang, en het is een klein wonder dat het scheepje niet is vergaan in een storm welke zij onderweg moeten doorstaan, die storm blaast ze de andere kant op naar Japan, die Japanners leverden hem over aan de Nederlanders in de baai van Nagasaki, en nadat zij zijn dagboek hadden gelesen, wilden die Nederlanders hem ophangen aan de hoogste ra wegens desertie.
Maar het geluk was met hem, want de eerder genoemde Heer Bornezee zorgt er zelfs voor dat hij op zijn voorspraak weer terug kan keren naar Nederland, waar hij vrij verder kan leven. Maar dat vrije leven duurt niet lang, want hij laat zich opnieuw door drank en vrouwen verleiden, en tekent opnieuw een transportbrief van een zielenverkoper, en weer vaart hij voor de V.O.C., maar toch blijkt de wijsheid met de jaren te komen, en in 1710 weet hij zijn laatste restschuld te voldoen, en dat is tevens het laatste wat men van Carolus van der Haeghe gehoord heeft, en wie weet heeft hij het schrijven ook wel afgezworen, want dat heeft hem de nodige last bezorgt.

Anton G.M. Heijmerikx, Lathen

colofoon:
Met de Compagnie naar Bengalen/Frank Knight
De Vereenigde Oost Indische Compagnie/ Els M.Jacobs
Tijdschrift Nederlandsche historiën
Krantartikelen Bijlagen Telegraaf, Zwolsche Courant
Jan Compagnie/Dr.R.Reinsman

6 gedachten over “De V.O.C. 1602 t/m 1799

  1. Beste Anton,

    Met heel veel plezier dit artikel gelezen.

    Vergeef mij de voorgestelde correctie:
    “Deze, aanvankelijk vier schepen, waren op 2 april 1795 van de rede van Texel vertrokken, hun reis verliep zeer moeizaam, en de twee leiders kregen hooglopende onderlinge ruzie, en bleken uiteindelijk geheel ongeschikt voor hun taak.”
    Moet dit niet zijn 1595 ?

    Inhoudelijk een hele goede kernachtige weergave.

    Met dank.
    Ben Hagenberg

    Like

  2. Beste Anton,

    Ook ik heb met veel plezier het bovenstaande artikel gelezen.
    Ik woon in de zaanstreek en ben lid en mede-vrijwilliger van de Historische Vereniging Wormerveer alwaar heel is opgeschreven over het bouwen van schepen en natuurlijk prat gaat op Claes Compaen, de zeerover in de Gouden eeuw…..

    Met vriendelijke groet,

    Peter Sluiter

    Like

  3. beste Anton.
    ik moet voor school een project maken over de V.O.C.
    ik vind het prettig dat u zoveel moeite heeft gedaan hierover maar ik kan het geduld niet opbrengen om dat heeeeeele stuk te gaan lezen.
    dus nu ga ik een 1 halen, tenzij ik alles heeeel nauwkeurig ga lezen..
    hmm dan toch maar doen ?

    { devoornamelijkste rede dat ik deze reactie plaats is verveling, omdat ik geen zin heb om aan het project te gaan. }

    Groet,
    een hopeloze leerling.

    Like

  4. sooo. i decided to read this.
    het heeeeele stuk.
    en dan kijken naar mn cijfertje.

    okeee, ik ben gekomen tot hier;
    De deelnemers aan het “Indische pepercontract” mochten in naam van de Portugese koning peper opkopen, maar waren verplicht om het in Lissabon aan de koning te verkopen tegen vastgestelde prijzen.

    want nu vat ik er geen reet meer van.
    dat wordt een 1 voor peter pan. 😥

    Like

  5. heeej dit is een beetje te lang wetje wij doen het over de v.o.c maar ik zweer dit is egt te lang oja ps lekker voor je dat je een 1 krijgt peter pan

    Like

    1. Wat zijn leerlingen in deze tijd van snelle communicatie verwend, en wat gemakzuchtig om nog niet eens iets te willen doen voor hun eigen toekomst. Internet en de computer maakt het ze gemakkelijk, en dan nog zo mopperen. Ontevreden met het artikel, ga dan in de bibliotheek de boeken zelf lezen, en schrijf dan daarna je eigen samenvatting.

      Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: