Nooit heb ik, wat ons werd ontnomen, zo bitter bitter liefgehad.


Opschrift Monument slachtoffers “Apeldoornse Bosch”In het Prinsenpark te Apeldoorn.(AH)

Het Apeldoornse Bosch.

Een bijzondere Joodse instelling, gelegen te midden van de bossen net even buiten Apeldoorn gelegen aan de weg naar Zutphen. Opgericht in 1909, hier werden Joodse psychiatrische patiënten volgens de toen geldende modernste medische inzichten behandeld en verpleegd.
Het was een snelgroeiende instelling, waar rond 1938 ca. 900 patiënten verpleegd werden. Het Apeldoornse Bosch had ook een afdeling voor zwakzinnige en moeilijk opvoedbare kinderen, het Paedagogium Achisomog (Achisomog betekent “mijn broeder tot steun”), waar in 1938 74 patiënten verbleven.

Onder leiding van Dr Jacques Lobstein (Borculo 1883—Troebitz 5-1945 op weg naar huis vanuit Bergen-Belsen) sinds 1936, verliepen de gebeurtenissen in het Apeldoornse Bosch rustig. Weliswaar had men door de problemen die de Joden ondervonden in Duitsland enkele lichte gevallen hier opgenomen, maar op het grote complex van paviljoens en tuinen viel dat niet op, men had van de Duitsers op een hele enkele keer na geen enkele last.

Heel af en toe werd er iets gevorderd, maar verder leek de oorlog ver weg.
Op 31 december 1942 woonden er bijna 1100 mannelijke en vrouwelijke patiënten, zij werden verzorgd door verplegend, huishoudelijk en technisch personeel tussen 4-500 personen.
In het Paedagogium Achisomog woonden 74 jongens en 20 meisjes, andere bronnen geven een ander zij het klein afwijkend getal.
Men kan zich afvragen, of de Joodse leiding onder Dr. Lobstein de catastrofe niet heeft zien aankomen, de nazi’s die, en Joden wilden vernietigen, en krankzinnigen uitroeiden, waarom zouden zij dan het Apeldoornse Bosch met rust laten.
Punt is dan ook nog, dat de Duitsers meermalen op bezoek zijn geweest om het hele complex te bekijken, omdat dat bijzonder geschikt zou zijn om er verschillende Duitse instanties in onder te brengen. En ook, ondanks waarschuwingen van een toenmalige inspecteur van Staatstoezicht op Krankzinnigen en Krankzinnigengestichten (hij was zelfs lid van het Medisch Front en de N.S.B.) in november 1942 onder de grootste geheimhouding en in aanwezigheid van Dr. N. Speijer met de mededeling kwam, dat de Duitsers het Apeldoornse Bosch wilden liquideren. Een maand later kwam hij nog eens waarschuwen, maar Dr. Lobstein weigerde beide keren maatregelen te nemen.
Hij had een mededeling van het Rijkscommissariaat, volgens eigen zeggen, dat hij zich geen zorgen hoefde te maken.

Dr. Speijer echter had vele personeelsleden en lichte patiënten al aangeraden om te vertrekken. De Reichsgesundheitsfuhrer Dr. Leonardo Conti (Lugano 24-8-1900 – Nurnberg 6-10-1945) had ook iets vernomen en verzocht per telex op 22 december 1942 aan Arthur Seyss Inquart (geboren als Artur Zajtich te Stannern 22-7-1892—Neurenberg 16-10-1946), met afschriften aan Johann Baptist Albin (Hanns Albin) Rauter (Klagenfurt 4-2-1895 – Scheveningen 25-3-1949), Friedrich Wimmer (Salzburg 9-7-1897—Regensburg 2-8-1965) en Dr. Wilhelm Harster (Kelheim 21-7-1904—Munchen 25-12-1991) om het Apeldoornse Bosch vrij van Joden te maken en de inrichting voor hem beschikbaar te stellen. Op 22 december 1942 komen in een vergadering van meerdere secretarissen generaals de plaatsen aan de orde, waarheen men verschillende regeringsinstellingen wil verplaatsen, waaronder o.a. het complex van het Apeldoornse Bosch. Het was Harster die via een tussenpersoon van Adolf Eichmann de opdracht krijgt, om het Apeldoornse Bosch te ontruimen. Harster op zijn beurt geeft die opdracht weer door aan Ferdinand Hugo Aus der Fünten (Mülheim an der Ruhr 17-12-1909—Duisburg 19-4-1989).
Adolf Eichmann stuurt een trein met 25 wagons, om de patiënten weg te voeren.
Op 11 januari 1943 rond de klok van 18.00 uur komt Aus der Fünten in burger de inrichting bezoeken, laat zich door het hele complex uitvoerig rondleiden, en verzoekt om een situatietekening. Dr Lobstein kreeg de indruk, dat bleek bij latere verhoren, dat Aus der Fünten hierheen gekomen was, om plek te zoeken voor Joden die hier mogelijk vanuit elders zouden worden ondergebracht.
Op 19 januari 1943 deelde de Apeldoornse commissaris van politie aan ingezetenen van Apeldoorn en Dr.Lobstein mede, dat Apeldoorn Jodenvrij gemaakt moest worden, en werd het wel heel erg duidelijk dat het Apeldoornse Bosch groot gevaar liep evenals het nabijgelegen Paedagogium Achisomog, en alle Joodse inwoners van Apeldoorn.

Op 20 januari verschijnt er in het Apeldoornse Bosch een kleine honderd man van de Ordedienst uit Westerbork, onder leiding van de kampcommandant Albert Konrad Gemmeker (Dusseldorf 27-9-1907 – Duitsland 1982), die Dr. Lobstein gelast deze mannen onderdak te verlenen en zich openlijk afvroeg waarom Auf der Fünten niet aanwezig was. Overigens stelde hij Dr.Lobstein gerust door te verklaren dat deze mannen op doorreis waren naar Amsterdam en de volgende dag zouden vertrekken. Hoe naïef kan men zijn, Lobstein gelooft nog steeds dat er niets met zijn patiënten zal gebeuren.
Deze ODers uit Westerbork waren leden van de Joodse ordedienst, vaak oud militairen en jongeren die de orde in Westerbork moesten bewaren; soms werden zij ingezet voor acties buiten Westerbork, zoals bij grote razzia’s in 1943 in Amsterdam, en bij de ontruiming van het Apeldoornse Bosch.
Wel hebben zij een oogje dichtgeknepen en zijn er die nacht ruim 100 personen ontsnapt.
Het zal een onrustige nacht geweest zijn, de meesten begrijpen dat er iets gaat gebeuren, maar het is een krankzinnigengesticht, velen begrijpen dan ook niet wat er zou kunnen gebeuren. Personeel en patiënten, alles is in rep en roer, ernstige patiënten die opgesloten zitten, debielen, idioten, dementen, psychopaten en schizofrenen (woorden die in die tijd gebruikelijk waren, maar heden gelukkig niet meer gangbaar) die zich niet kunnen verweren, en geen raad weten, sommigen argeloos rustig, anderen in complete paniek.
Aus der Fünten had de leiding, maar gaf soms Harster en soms ook Zopf de schuld als zijnde zijn opdrachtgever in het proces na de oorlog.

Aus der Fünten, had opdracht om het Apeldoornse Bosch te ontruimen in de nacht van 21 op 22 januari, maar misverstanden hadden tot gevolg dat Gemmeker met zijn OD een dag te vroeg in Apeldoorn arriveerden, en het ongelooflijke was, dat daarmee niet echt de alarmbellen deed rinkelen. In het proces na de oorlog gaf Auf der Fünten dan ook Gemmeker en zijn OD de schuld van het vervoer van de verpleegden, ondanks getuigenverklaringen dat hij in die nacht als een baarlijke duivel te keer gaat, scheldt en schreeuwt en lacht tijdens afschuwelijke situaties, en geeft hij onmenselijke opdrachten en bevelen. Ook stabartz Dr.Mayer uit de staf van Rauter krijgt de schuld van e.e.a., en Kriminalsekretar Hassel die belast was met de bewaking. Aus der Fünten had dus naar eigen zeggen enkel geleid, anderen hadden het werk gedaan. Gemmeker gaf toe, dat hij met 100 man OD naar Apeldoorn was gekomen in opdracht van Zopf, maar enkel belast was met afzetting van het terrein; het inladen van patiënten, daarvan was geen sprake, daar was Untersturmfuhrer Werner aansprakelijk met de Schutzpolizei. Zo schoof eenieder de schuld door naar anderen.

Op 21 januari, deed het personeel alles, wat in hun vermogen lag, om zoveel mogelijk eten klaar te maken om mee te nemen, verzamelde men zoveel mogelijk medicijnen en medisch gereedschap dat nodig was maar van dat alles kwam niets terecht, uiteindelijk bleef alles achter. Gaande de dag werden doctoren en afdelingshoofden in kamers opgesloten, werden verpleegsters en verplegers gescheiden van hun patiënten, en werden de patiënten behandeld door Duitse en Joodse helpers onder leiding van Aus der Fünten.

Het vervoer verliep in 2 etappes, eerst werden zij in vrachtwagens vervoerd naar het station van Apeldoorn en vervolgens in veewagons geladen van de trein die klaarstond op het rangeerterrein.
Het vervoer van verstandige mensen is vaak al paniekerig en angstig, dan kan men zich voorstellen dat het vervoer van personen met een zware verstandelijke beperking al helemaal uit de hand moet lopen. Bij het inladen van de vrachtwagens liep het al volkomen uit de hand, niet begrijpend waarom men in een vrachtwagen moest stappen, er weer proberen om uit te stappen, vervolg was uiteindelijk dat men erin geslagen werd, jong, oud, ziek, en was men niet in staat om zelfstandig in te stappen, dan gooide men hen erin. Oude vrouwen gelegen op matrassen werden de vrachtwagen ingeschoven en een volgende mensen laag er overheen aldus ooggetuigen. De laadklep ging steeds met moeite dicht, men moest kracht gebruiken om die dicht te krijgen, mensen werden daardoor op elkaar geperst, en was er dan een ongelukkige die zijn vingers tussen de laadklep kreeg, had die pech, de klep moest dicht.
Sommige leden van de Joodse OD wilden hier en daar nog dekens uitdelen aan patiënten die soms niet meer aanhadden dan hun nachtkleding, maar dat werd verhinderd door Duitse officieren, met de woorden “dat is zonde”. Ook een arts wilde een lans breken voor sommige patiënten, maar Aus der Fünten antwoorde, niet nodig “ze zijn allemaal asociaal”.

Ging het aanvankelijk nog mannen, vrouwen en kinderen gescheiden, en onder “redelijke” omstandigheden, gaandeweg de nacht werd alles door elkaar in de vrachtwagens gestopt.
Onvervoerbare patiënten waarvan sommigen in dwangbuizen, gevaarlijke krankzinnigen, en kinderen, samen in een vrachtwagen op weg naar het station met steeds hogere snelheden, in een donkere nacht, die weliswaar zacht was, maar veel te koud voor sommige mensen die nauwelijks gekleed zijn.
De toenmalige stationschef, die een rapport heeft gemaakt van het transport, schrijft o.a. “Zo herinner ik mij een meisje van tussen 20-25 jaar die de armen stijf om haar lichaam had geslagen, de handen onder haar oksels. De armen werden door middel van een soort doek zo onbeweeglijk vastgebonden. De opgevouwen doek bedekte haar armen en een gedeelte van haar borst, verder was zij volkomen naakt. Toen ik tegenover de OD mannen die haar gebracht hadden, hierop aanmerkingen maakte, vertelden zij mij, dat het een patiënte betrof, die geen kleren duldde en die men toen maar naakt had meegenomen, hetgeen tot hilariteit aanleiding gaf bij de groene heren. Zij liep, door de schijn van de op haar gerichte elektrische zaklantaarns verblind, van de auto af, stortte voorover naar beneden op de grond en kon geen arm uitsteken om de val te breken. Zij maakte natuurlijk een lelijke smak, maar bezeerde zich klaarblijkelijk niet ernstig, want zij was in no-time weer overeind en daarna liep zij rustig de spoorwagon binnen”. Diezelfde chef keek machteloos toe, als de deuren dichtgemaakt werden, en patiënten in radeloze onmacht probeerden dat te verhinderen, dan gebeurde het meermaals dan vingers tussen de deuren kwamen met alle gevolgen van dien. Ook als hij de luchtluiken openzette, werden die steevast weer door de Duitsers dichtgemaakt. In elke wagon werden ca. 40 personen gestopt en dat 25 wagons achter elkaar.

Een Joodse ODer, die een patiënte voorzichtig in een wagon wilde neerleggen, kreeg van een SSer een ongenadige schop onder zijn achterste met maar één woord, “ schneller”.
Dezelfde ODers waren wel zo verstandig om hun handen en onderarmen te ontsmetten, want sommige patiënten hadden open tbc, er stonden daarvoor enkele emmers met desinfecterende vloeistof klaar.
Elke wagon had twee houten tonnetjes, bedoeld als toilet, maar velen hadden niet het besef waarvoor die bestemd waren, enkelen keerden ze om en gebruikten die als zitplaats.

In de vroege ochtend van 22 januari riep Aus der Fünten vrijwilligers op, om het dan ingeladen transport te begeleiden: een 20 tal melden zich, en hij wees er zelf nog 30 aan die gezamenlijk in een aparte wagon achter de andere wagons geplaatst werd. 16 verplegers en 36 verpleegsters (volgens de Jong) Zij kregen de verzekering dat zij zouden mogen terugkeren, of ander werk zouden krijgen in een modern ziekenhuis, maar niemand kon het navertellen, uiteindelijk kwam niemand van hen terug.
Het transport vertrok vanuit Apeldoorn op vrijdag 22 februari, met zoals dat heet onbekende bestemming, en kwam op zondag 24 januari in Auschwitz aan.
Ook van al die patiënten, kwam niemand terug, 1069 namen zijn bekend en openbaar gemaakt.
Alle andere artsen, verpleegsters en verplegers ca. 300 in getal, zijn samen met de 100 OD ers die terugkeerden naar Westerbork, meegevoerd evenals vele andere Joodse inwoners van Apeldoorn. Zij zijn vrijwel allemaal, ondanks beloftes, afgevoerd naar Auschwitz. De administratie bleef met de directeur nog tot 1 februari in Apeldoorn, daarna werden zij (30 in getal) ook naar Westerbork overgebracht; van deze groep overleefden 16 personen de oorlog.

Een Nederlandse Jood, in Auschwitz tewerk gesteld en overlevende van de holocaust, verhaalt van de aankomst van de trein. “Ik was zelf op het lange perron toen de trein aankwam, het was een van de verschrikkelijkste transporten uit Holland die ik ooit gezien heb. Vele van de geesteszieke patiënten probeerden door de postketting te breken en werden ter plekke doodgeschoten. De rest werd onmiddellijk afgevoerd en vergast. Een andere bron vertelde na de oorlog, dat enkelen van de verplegenden weigerden om de doden naar het crematorium te brengen, zij ondergingen hetzelfde lot. En er is het verhaal, dat enigen hunner waaronder nog levende mensen in een grote kuil werden geworpen gevuld met hout en benzine en zo werden verbrand. (volgens Presser) Andere bronnen (volgens de Jong) hebben verklaard dat de overige treinpassagiers door Joodse werkploegen, waaronder enkele Nederlanders, die door tierende SS’ers met knuppels opgejaagd werden, eerst in kiepkarren gegooid en vervolgens in vrachtwagens die kwamen aanrijden. De vrachtwagens voerden hen niet naar de gaskamers maar naar een van de grote langgerekte kuilen waarin de lijken van eerder vergasten verbrand werden. Hoog laaiden de vlammen op, de pas aangekomenen werden er middenin gesmeten, brokken hout en blikken petroleum volgden. Deze wijze van massamoord werd in Birkenau (volgens de Jong) vaker toegepast op slachtoffers voor wie men het in werking stellen van de gaskamers niet noodzakelijk vond. Dat veruit de meeste inzittenden van de trein op deze manier levend verbrand werden, werd korte tijd later door een van de leden van het Kommando dat bij de gaskamers in verbrandingskuilen dienst deed, verteld aan een van de Nederlandse leden van het Kommando dat de groep uit Apeldoorn op het laadperron van Birkenau in de kiepkarren en de vrachtwagens had moeten werpen.

Maar de artsen, verpleegsters en verplegers die in een aparte wagon zaten, werden in het kamp ondergebracht en zoals al vermeld, niemand heeft het overleeft.

Nadat de SS het werk in Apeldoorn had volbracht, en de trein was vertrokken, haalden zij hun loon: zij plunderden in alle gebouwen, niets bleef gespaard. Kleerkasten, nachtkastjes, medicijnkasten, geneesmiddelen, levensmiddelen alles lag op de grond. Kleren, wasgoed schoon en vies, schoenen, medisch gereedschap, schilderijen, gordijnen, alles lag vertrapt en vernield in een dikke 15-20 cm. dikke laag in alle kamers, trappen vloeren en gangen.
Na ca. 1 uur was door de SS het Apeldoornse Bosch zo vernietigd alsof er een bombardement had plaatsgevonden. Alle boeken met waardevolle wetenschappelijke inhoud, waaronder onvervangbaar materiaal zijn verscheurd en kapotgetrokken.

Namen ze eerst nog genoegen met geld, ringen, horloges, geld en andere spullen van waarde, de volgende dag kwamen zij met een autobus voorrijden om uit het gebouw van de 1e klas alles van waarde mee te nemen; later moesten zij de meubels weer teruggeven.
Teneinde raad haalde men 200 Joden uit Westerbork, om samen met de Marechaussee verdere plundering te voorkomen, alles op te ruimen en het weer enigszins toonbaar te maken, zij hadden daar 10 dagen voor nodig. Maar schrijft een lid van die Vliegende Kolonne uit Westerbork in zijn dagboek, onze jongens hebben goed geleerd, zij trekken door alle gebouwen, breken nog gesloten kasten open, en nemen alles wat zij kunnen gebruiken.

Allen zijn helemaal gek geworden. Mensen die anders niets zouden nemen wat niet van hen is, stoppen nu alles in hun zakken. OD lieden treden op als ploegleiders, leven hier en daar als koningen in de lege ruimten en hebben koffers vol met mooie dingen. Aus der Fünten geeft als dank voor bewezen hulpdiensten aan de OD ers een Pick-up met platen, hij heeft het met zekerheid zelf achterovergedrukt, en de OD ers zijn er trots op.

Alleen al aan inventarisschade kwam men na de oorlog op het bedrag van F 675.000
De Joodse raad,(de voorzitters kregen op 28 januari Aus der Fünten te spreken), vroeg hem waarom het Apeldoornse Bosch was leeggehaald. Zijn antwoord, “We hebben de gebouwen nodig, de krankzinnigen en de zieken zijn in lazaretten ondergebracht en worden daar verder verpleegd, verder geen protest. Mr.Frederiks heeft van Katholieke zijde bij Wimmer geprotesteerd en medegedeeld dat in brede kring van de bevolking diepe ontroering en diepe ergernis is ontstaan, en dat dat met goede wil te vermijden was geweest. Hij protesteert verder met grote nadruk op de wijze waarop ingeladen is, Wimmer zal een glimlach nauwelijks hebben kunnen onderdrukken. Mr.Frederiks vraagt verder wat er met de gebouwen gaat gebeuren, waarom hij dat vraagt is onduidelijk, evenals of hij een antwoord heeft gekregen.
Bij de slachtoffers van het Apeldoornse bos, waren 2 Joodse inwoners van Raalte: Henrica de Lange geboren op 5 december 1870 te Raalte, dochter van Samuel de Lange en Willemina Steren, en Joël Zwarts geboren op 17 april 1889 te Raalte, zoon van Mozes Swarts en Dina de Lange, beiden zijn vrijwel direct vermoord bij aankomst in Auschwitz op 25 januari 1943.

Anton Heijmerikx
Uit het boek: “Gebroken Joods leven in Raalte”

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: