Geboorte van het dorp Raalte

Raalte komt voor het eerst voor, op een charter (perkamenten oorkonde) uit 1123, met als tekst:

1123 augustus 2.
Henricus, keizer (Hendrik V), verklaart dat hij in tegenwoordigheid van Frede­ricus, aartsbisschop van Colonia (Keulen), Bruno aartsbisschop van Treveri (Trier), Alberto bisschop van Leodium (Luik), Gerardus graaf van Gelra (Gelderland), Arnulfus graaf van Clivia (Kleef) e.a., de inwoners van Daventria (Deventer) wegens de door hen betoonde trouw heeft vrijgesteld van het betalen van doop- en begraafgelden en van het betalen van huistins (soort belasting) aan het kapittel aldaar, en dat hij het Kapittel voornoemd tot schadeloosstelling de kerk te Raelt (Raalte) heeft toegekend, waarvan Lifgerus bij rechtelijke uitspraak vervallen was verklaard.

Het perkamenten charter zelf is een vervalsing, maar het is van een origineel zegel voorzien. Vermoedelijk heeft de keizer in 1123 een soortgelijk privilege aan Deventer toegekend, daar hij in dat jaar met behulp van Deventer het kasteel Schuilenburg in Salland veroverd heeft en de stad toen door de bisschop van Munster, overigens zonder succes, werd belegerd.

Als men het over de kerk van Raalte heeft in de oudheid, dan heeft men het over de Plaskerk, of wat er voordien gestaan heeft. En omdat geen voldoende bewijzen voorhanden zijn, veronder­steld men dat, mede door de Rijksdienst voor Monumen­tenzorg ge­staafd, het vol­gende resume. tussen 1100 en 1200 bouw van een Romaanse kerk, geheel in oersteen, het koor wat jonger dan het schip, en als er een toren was, wat waarschijn­lijk was, zal die wederom jonger zijn.

Tussen 1300 en 1400 versterking van het koor met bakstenen steunberen, vernieuwing van een gedeel­te van de zuid muur van het schip in baksteen met toevoeging van een steunbeer. Tussen 1400 en 1500 bouw van het huidige koor. 1600 bouw van het huidige schip. In 1697 bouw van de toren en het aansluitende gedeelte van de zuid muur van het schip. Hierbij vervielen de schipgewelven en werden de halfzuilen weggekapt.

Het dorp was onaanzienlijk en eigenlijk van geen betekenis, men moet het meer zien als een kerk die op een kruispunt van wegen gebouwd werd, en in de eeuwen die volgden, vestigde men zich rondom die kerk. Raalte en ook Hellendoorn, gelegen op onvruchtbare zandgronden, waren met van de armste gebieden.

In het nabijgelegen buurtschap Tye en Raden later Tijenraan stonden volgens de schattingslijsten uit 1457, 61 huizen en in 1474 waren er 49 huizen, maar toen stonden er in het dorp ter Raelt 15 huizen, waarvan er 7 door paupers bewoond werden. In 1429 werden in Tye en Raden al ambachtslieden vermeld, de mensen die omdat zij geen boer waren op een andere manier aan de kost moesten zien te komen, men vermelde o.a. Bernt die dreyer, Henric die pyper, Reiner die smit en Fenne die kogester.

In de marke, waar als vanouds de boer domi­neerde, kwamen langzamerhand de neringdoenden en ambachtslie­den, de “dar­pers”, de smid, de kuiper, de wever, de wannema­ker, de timmer­man, de bakker, de kleermaker (Schroder), de molenaar of mulder, en de armlastigen of paupers en niet te vergeten de herbergiers, waar Raalte er vele van heeft gekend.

Deze bevolking kwam bijna geheel voort uit de arme bevolking van het platteland, de keuterbevolking, die door de beperkin­gen van de marke naar de dorpen trokken om daar zo de kost te verdienen. Uit oude bronnen blijkt ook dat het dorp Raalte bestond uit overwegend katersteden, en aangezien zij beperkt waren in het gebruik van de omringende woeste gronden, welke beslist noodzakelijk was voor het uitoefenen van het boerenbe­drijf in die dagen, gingen de keuters veelal uit noodzaak een nevenbedrijf uitoefenen in hoofdzaak in nijverheid en handel, en dat concentreerde zich meestal rondom de kerk, waar dan een Brink ontstond. Vandaar dat de bevolking zich verplaatste van het platte­land naar de dorpen. Buiten de boeren, woonden buiten het dorp ook nog wel de boemholders of boemwachters, mensen die de wacht moesten houden bij een slagboom of runne­boem, vooral daar waar de landweer (verdediging) de weg kruis­te.

De in Raalte bekende naam Runneboom, komt van zo’n boemholder ook runneboom genaamd vandaan. De Raalter tak Runneboom heeft zijn oorsprong rond 1735  in de omgeving van de Elshof, halverwege Wijhe.
Gerrit Gerrits neemt in 1812 de naam Runneboom aan, hij was getrouwd met Gaaije Gerrits, en had toen nog 3 zonen en 1 dochter thuis wonen, Gerrit komt in 1813 te overlijden als landbouwer te Tongeren onder Wijhe oud ruim 80 jaren.

Daar, aan de buiten­kant dus buiten de boom, woonden ook vaak de armsten, de huttenmannen. In 1400 was een zekere Heynken Borcherdinc boemholder te Pleegste, in hetzelfde Pleegste vinden we in 1457 Esken en Bernt voer den boem, en verschillende buurschap­pen hadden een herder of hierde, zoals in 1400 in Heeten.

Lang­zamerhand verlegde de dorpskern zich in de richting van de Plas, in 1840 telde het dorp pas 463 inwoners, Tijenraan dat tot de Zwaan liep en geheel met het dorp vergroeid raakte, had 1381 inwoners, samen dus 1844 inwoners.

Tijenraan, welke 3/4 van de inwoners binnen zijn grenzen had, heeft niet zijn naam aan het dorp gegeven, waarmee het vergroeid was geraakt.

In 1900 bedroeg het dorp nog slechts 2526 inwoners. Hoe het verlopen is de laatste decennia is bij de meeste die het meemaakten bekend.

Anton G.M.Heijmerikx, Wijhe

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

<span>%d</span> bloggers liken dit: