De laatste vlucht van een Boeing bommenwerper.

Op 11 januari 1944 stijgen op het Engelse vliegveld te Podington 663 bommenwerpers op, om op pad te gaan naar de A.G.O vliegtuigfabrieken in Ochserleben nabij Braunschweig, opgericht in 1911 door Gustav Otto een pionier vlieger, wiens vader de Nikolaus Otte de uitvinder was van de viertaktmotor. Dit bedrijf was al meerdere keren gebombardeerd, maar met behulp van dwangarbeiders steeds weer opnieuw productief, en waar o.a. de Focke Wulff FW190 een Duitse jager werd gebouwd.

Een der leidende bommenwerper was de Boeing 17G met serienummer 42-31175, die eenmaal boven het doel, al snel werd geraakt door afweergeschut, waarbij een brandstoftank in de linkervleugel werd geraakt, en daardoor brandstof verloor. Toch zag het kans zijn bommen te laten vallen, en keerde vervolgens om de terugreis te aanvaarden met een lagere snelheid om zodoende brandstof te besparen. Onderweg werd het ook nog beschoten door Duitse jagers, maar het bleef desondanks toch in de lucht, maar werd wel door de lekkende brandstof in de linkervleugel in brand geschoten.
Dat was het teken voor de 10 koppige bemanning, om het vliegtuig te verlaten, welk inmiddels al wel boven Nederland vloog, in de omgeving van Raalte. Het vliegtuig moet brandend op klaarlichte dag over Raalte-Wijhe-Olst gevlogen zijn, gezien de landingsplaatsen van de piloten en de uiteindelijke crash van het vliegtuig in de buurtschap Markluiden ten zuiden van Heerde.
De bemanning bestond uit:
1e Lt. William B. Lock eerste piloot
1e Lt. Richard H. Sperry tweede piloot
1e Lt. Milton Cohen navigator
1e Lt. Sol H. Greenberg bommenrichter
T/Sgt. Raymond F.Pencek boordwerktuigkundige
T/Sgt. Vernon P. Brubaker radio-operator
S/Sgt. Charlie H. Mullins linkerrompschutter
S/Sgt. Jack J. Wilhoit rechterrompschutter
S/Sgt. James B. Farrell buikkoepelschutter
S/Sgt. Charles H. Scot staatschutter

Lock, Pencek en Mullins verlieten als eersten het toestel, Lock kwam in Wesepe aan de grond, Pencek aan de Boerlestraat en Mullins over de IJssel in Terwolde. Lock en Mullins troffen elkaar bij toeval op een onderduikadres in Olst, en zijn samengebleven tot hun ontsnapping via het kanaal vanuit Frankrijk naar Engeland.
Greenberg sprong boven de IJssel en kwam tussen IJssel en de Grote Wetering in een weiland aan de grond, sloeg op de vlucht, hield zich een tijdlang verborgen in een droge sloot, en werd tenslotte geholpen door inwoners uit Veessen om over de IJssel te geraken en kwam in Wijhe terecht en werd daar ’s avonds gearresteerd volgens niet bevestigde berichten, bewijs heb ik daarvan niet gevonden.
Cohen, Wilhoit, Schott en Brubaker verlieten het toestel kort voor de explosie van het toestel en zijn ter plaatse gearresteerd door de Duitsers in de buurtschap Markluiden. Het was aan de tweede piloot Sperry te danken dat zij veilig aan de grond kwamen in de buurtschap Markluiden ten zuiden van Heerde, hij bracht het toestel wat op dat moment te laag vloog om veilig uit het vliegtuig te stappen naar een grotere hoogte zodat zij veilig er uit konden springen. Vrijwel onmiddellijk daarna rond de klok van 14.00 uur, volgens het rapport van de opperwachtmeester van de Marechaussee H. van Huffelen van het rayon Veessen, was er de explosie op ca. 600 meter hoogte die het toestel in een grote hoeveelheid brokstukken over grote afstand in Markluiden deed neerkomen. Tussen de brokstukken vond men naderhand het lichaam van de held Richard H. Sperry, die zich opofferde en in het staartstuk met de daaraan verbonden buikkoepel vond met het stoffelijk overschot van James B. Farrell, die mogelijk al tijdens de beschieting van een Duitse jager getroffen was en daardoor niet uit het toestel kon komen. Beiden zijn tijdelijk begraven geweest op het kerkhof aan de Mr. Nijhoffstraat.
Sperry is in januari 1946 overgebracht naar het ereveld Margraten in Limburg, en Farrell is op verzoek van de familie overgebracht naar zijn woonplaats Muskogee Oklahoma U.S.A.

William B. Lock.
Op een koude zondag op 15 januari 1944 liep Hans Mensink van 3,5 met zijn moeder Gerritjen Mensink-van den Noord van 31 jaar een stukje rond het bietenland waar zij wat suikerbieten gerooid had, langs een bosje aan de rand van dat bouwland, en waar middenin een oude schuur stond. Plotseling verscheen er een manspersoon die er wat sjofeltjes uitzag wel in militaire kleding, maar had zich zichtbaar dagenlang niet geschoren. Hij leek wat zenuwachtig en keek wat vertwijfeld naar moeder en zoon die behoorlijk geschrokken waren. Hij had zich kennelijk in dat schuurtje verborgen gehouden.
Tenslotte was het nog steeds oorlogstijd, en je kon maar nooit weten wat je tegenkwam.

De man begon voorzichtig en zachtjes te praten, maar moeder en zoon konden er geen touw aan vastknopen. Een ding kon hij hun wel aan het verstand brengen, hij wreef over zijn buik en maakte etensgebaren, ten teken dat hij behoorlijk honger had, en te zien was ook dat hij het erg koud had.Moeder gebaarde hem mee te gaan naar hun boerderij een paar honderd meter verderop, waar hij te eten kreeg en een andere broek, de broek die hij aanhad was kapot en erg vies. Na dat hij gegeten had, bracht men hem naar een slaapplaats in de boerderij en kon daar van zijn zichtbare vermoeidheid een beetje bijkomen.

Inmiddels was Antonij van den Noord, een broer van Gerritje erbij gekomen, en kwamen tot de ontdekking dat het wel om een Amerikaanse piloot moest gaan, maar verstond ook geen Engels.
Zij spraken af, dat als de man wat uitgerust was, en het wat donkerder begon te worden dat Antonij met hem naar wijkzuster Johanna Hendrika Smolders (3-6-1889 Harderwijk- 22-2-1961 Wesepe) zou gaan, zij woonde enkele kilometers verderop in een huis midden in het  bos in de buurtschap Middel met haar vriendin Johanna Bartha Henriette Bake (30-11-1885 Amsterdam-16-4-1956 Wesepe), en die spraken in elk geval Engels, en dat gaf misschien opheldering.

En inderdaad, de man sprak in het Engels met de dames Smolders en Bake, en gaf aan dat hij graag geholpen wilde worden om vanuit Wesepe naar Engeland te kunnen komen via hulp van de ondergrondse.
Antonij aanhoorde het geheel, zonder dat hij begreep waar het over ging, maar hoorde wel van zuster Smolders dat de piloot naar Olst gebracht moest worden en van daar eventueel over de IJssel verder geholpen moest worden.
Dat was voor Antonij van de Noord geen probleem, hij sprak af dat hij de volgende dag met paard en wagen langs zou komen om de piloot naar Olst te brengen zodat hij van daaruit mogelijk over de IJssel gebracht zou kunnen worden.                                    

Na een goede nachtrust bij de dames Smolders en Bake in een schuilplaats, kwam Antonij van den Noord de volgende dag met paard en wagen naar Middel beladen met een vrachtje hooi. De piloot had inmiddels zijn militaire kleding, en alles wat hij bij zich had en hem zou kunnen verraden bij de dames achtergelaten, en zich in gewone burgerkleding gehesen. De piloot kreeg opdracht op de wagen en onder het hooi zich te verstoppen en zich stil te houden, en zo begon een toch wel wat angstig ritje via binnenwegen naar Olst waar de ondergrondse inmiddels gewaarschuwd door zuster Smolders die gezien haar beroep heel veel goede en juiste personen kende die zich over de piloot zouden ontfermen en zorg zouden dragen dat hij ongezien over de IJssel in Welsum zou worden afgeleverd.

Nadat de piloot afgeleverd was in Olst, ging Antonij toch wel wat opgelucht naar huis, en alsof het paard wist wat er gebeurt was, liep die met gezwinde spoed weer naar huis.
Antonij van den Noord heeft eigenlijk nooit precies geweten hoe de piloot bij hun boerderij is gekomen, wist ook niet zijn naam en had tot ruim na de oorlog geen idee hoe als het die piloot was vergaan, en wist ook zijn naam niet.
Totdat er door de post in het voorjaar van 1946 een brief werd bezorgd vanuit Engeland met zijn naam op het adres Wesepe F 10. De inhoud was onduidelijk, was in het Engels opgesteld bleek later, dus maar weer naar zuster Smolders, en die vertelde hem dat Antonij werd bedankt voor zijn hulp aan een piloot, die kennelijk terug in Engeland zijn verhaal heeft gedaan van zijn ontsnapping uit Wesepe naar Engeland.

Jammer was wel, dat de naam van de piloot niet genoemd werd op dat certificaat met als kenmerk nr.22647, en Antonij heeft zelf nooit geweten wie als hij geholpen had.
Het certificaat kreeg nadien toch een ingelijste ereplaats in de boerderij.
Na het overlijden van Antonij en zijn ouders, kwam het in handen van Hans Mensink, het toen 3,5 jarig jongetje die het al die tijd heeft bewaart. Hans (Johan Antonij 30-8-1940 Wesepe) Mensink trouwde op 30 november 1962 in Olst, met Johanna Egberdina Nijland (27-2-1941 Wesepe).
Zij had haar vader verloren in de oorlog door splinterbommen afgegooid door Engelse vliegtuigen, en haar vader Gerrit Dorus Nijland had de pech door scherven geraakt dodelijk om te komen, terwijl haar moeder zwaar gewond werd, maar het uiteindelijk wel overleefde. De kinderen werden toen ondergebracht bij verschillende gezinnen, totdat de moeder weer in staat was voor hun te zorgen.            

Deze verhalen kreeg ik mee, toen ik bezig was om te proberen om alle namen te achterhalen van alle oorlogsslachtoffers die uit of in Olst en Wijhe waren omgekomen. Het doel was toen om al die namen geplaatst te krijgen bij de twee monumenten die in de gemeente Olst-Wijhe staan. Al die 147 namen zijn op 4 mei 2017 onthult. 73 in Wijhe en 74 in Olst waaronder die van Gerrit Dorus Nijland. Zijn dochter en kleindochter hebben in Olst de namen onthult van de Olster slachtoffers.

Het certificaat verdween op gegeven moment in de la van een kast, en kwam weer tevoorschijn bij mijn onderzoek naar de oorlogsslachtoffers. De familie heeft het certificaat aan mij geschonken, en daarna ben ik op zoek gegaan naar de naam van de piloot.
Uiteindelijk is niet veel bekend geworden over hem, maar de archieven in Engeland welke ik had aangeschreven stuurden na een lange, vooraf medegedeelde periode, dat zijn naam B. Lock was, neergeschoten was in januari 1944 en diende bij de R.C.A.F. (Royal Canadien Air Force) hij kwam uiteindelijk in Wesepe terecht en werd daar dus geholpen door de fam. van den Noord.
Bij verder navragen, bleek dat ook de wijkzuster Smolders en Johanna Bake meerdere piloten moeten hebben geholpen, omdat zij meerdere certificaten ontvangen zouden hebben.
Na de oorlog, toen hun huis hen te groot werd, zijn ze gaan wonen aan de Mengerweg in Wesepe, bijna op de plek waar de piloot uit het schuurtje kwam. Johanna Bake overleed op 16 april 1956 te Wesepe en is elders begraven, en Wijkzuster Smolders overleed op 22 februari 1961te Wesepe adres 48a en werd op 25 februari 1961 te Wesepe begraven in een graf waar door een dankbare Wesepenaar enkele Buxusplanten zijn gepland en dat jarenlang heeft bijgehouden tot een 20 jaar terug toen de laatste persoon die het bijhield overleed.                

En op de plek van dat schuurtje hebben Hans Mensink en Jo Nijland later hun huis gebouwd.
Maar het was onbevredigend, dat er niet meer bekend was over die piloot, waar was hij terechtgekomen en hoe was zijn tocht terug naar Engeland. Dus bleef ik zoeken en overal kontakten leggen.
Ik kwam in contact met Robert Jan Leerink, die ik al eens had gesproken in Wijhe rond 4 mei herdenking in Wijhe, waar wij voor elkaar allerlei vragen hadden over verschillende onderwerpen WOII aangaande. Hem vroeg ik op gegeven moment heb jij wel eens gehoord van een neergehaald vliegtuig in de omgeving van Wesepe, en piloot met de naam B.Lock uitgesprongen zou zijn. Via zijn uitgebreid netwerk, kreeg ik antwoord, dat B.Lock, mogelijk dezelfde was als William B. Lock die als piloot door luchtafweergeschut boven de buurtschap Markluiden in de gemeente Heerde, uit de lucht was geschoten, en in Wesepe aan de grond is gekomen.

Na de oorlog is er een vereniging opgericht om de geschiedenis van pilotenhulp in kaart te brengen en er over te publiceren “The Escape”. Via leden van die vereniging kreeg ik veel informatie binnen, maar het ultieme bewijs zat er voor alsnog niet tussen. The Escape heeft vele contacten gehad en briefwisselingen met vele piloten over de gehele wereld en een van die contacten was met William B.Lock die in een uitvoerige brief zijn herinnering op papier had gezet. Een passage nadat hij in Wesepe was terechtgekomen nadat hij uit zijn vliegruig was gesprongen, trok mijn aandacht, hij schrijft: “I saw a woman pulling sugarbeets”.
Hans Mensink zoals boven al geschreven liep daar met zijn moeder, en als hij zich kon herinneren dat zijn moeder suikerbieten aan het rooien was, dan was het verhaal compleet, Dus op naar Hans Mensink om hem te vragen, wat deed jouw moeder daar op dat bouwland, en hij zei zonder na te denken suikerbieten trekken. Wat later binnen de familie verteld werd dat hij over de IJssel gezet zou zijn is dus niet juist.

Zuster Smolders had door haar beroep als wijkzuster een brede kennis van wat er in de omgeving speelde, en zij had contact gelegd met de plaatselijke ondergrondse die William B. Lock tijdelijk onderbracht op een onderduikadres. Daar kwam ook Charlie Mullins terecht, die ook uit datzelfde vliegtuig was gesprongen en net over de IJssel in Terwolde terecht was gekomen. Samen zijn zij door de ondergrondse in verschillende plaatsen ondergebracht in Nederland allereerst in Deventer bij het bekende onderduikadres B.J. van der Dool, Van der Dool is op 25 april 1944 gearresteerd en in december 1944 omgekomen in Neuengamme. Daarna waarschijnlijk naar Koeslag in Laren en nadien met de trein via Zutpen, Arnhem, Nijmegen, Venlo naar Roermond. Van Roermond naar Maastricht gebracht door de groep van Jacques Vrij en door gidsen van die groep bij Caberg of Smeermaes  over de grens gezet en overgedragen aan de Belgische passeurs Souren of Beckers die hen verder hebben geholpen.

Eenmaal in België zijn zij met de trein naar Brussel gereisd waarin ook Duitse soldaten zaten. Via Brussel zouden ze naar Parijs gaan met valse persoonsbewijzen, met papieren waaruit zou blijken dat zij daar voor de Duitsers zouden gaan werken. In Parijs zijn ze met de ondergrondse naar het centrum gereisd en in een katholieke kerk opgevangen en verstopt in de toren voor enkele dagen. Een Nederlander die ontsnapt was uit Duits gevangenschap, en de priester van de kerk gingen dagelijks op pad om eten te regelen, wat een gevaarlijke bezigheid was. In de kerk zaten meerdere personen die wachten op het moment om met gidsen richting Spanje te vertrekken.
Maar op een dag werden de priester en de Hollander gesnapt door de Gestapo en gearresteerd, dat betekende dat alle ondergedoken personen de kerk hals over kop moesten verlaten voor hun eigen en voor de leden van de ondergrondse beweging. William B.Lock en Scharlie Mullins sloegen samen op de vlucht en liepen een dag en nacht en sliepen hier en daar in een hooiberg. Op gegeven moment op een namiddag spraken zij een boer aan in het veld en vroegen om hulp. Hij vertrouwde ons niet erg, maar mochten in de hooiberg slapen, en zei dat hij hulp ging halen. Die hulp kwam, maar wij moesten eerst bewijzen dat wij echt op de vlucht zijnde piloten waren en geen geïnfiltreerde Duitsers die zich als piloten voordeden.
Zij waren van een andere hulporganisatie, en brachten ons terug naar Parijs. Wij hadden toch tussen 25-35 km gelopen, maar waren dus weer terug bij af. Hier werden wij ondergebracht in een huis met de schuilnaam Charlie, en kregen daar sinds de vlucht uit Holland genoeg te eten. In dat huis zaten wij 21 dagen, en heb ik een boek welke daar lag, 3 maal uitgelezen, en keken wij via ons raam uit op de Eifeltoren.
Na 21 dagen gingen ze vanuit Parijs per trein naar Guingamp een stad ca. 8 km van de kust en vandaar met een vrachtwagen naar een nieuw onderduikadres huis Alphonse in Plouha ca. 3 km van de kust.

Na enkele dagen in dat huis doorgebracht te hebben, gingen we in de nacht van 22 maart 1944 3 km. lopend naar een klif boven aan het strand (mogelijk het strand van Le Palus welk strand omgeven is door steile rotsformaties), vandaar klimmend en glibberend naar beneden van die steile klif naar het strand, en daar wachten op Engelse zeelieden. De top van het klif werd door de Duitse wachters gecontroleerd, zodat we tussen hun rondes door moesten klauteren, een zenuwachtig gebeuren. We stonden klaar op het strand rond middernacht om opgehaald te worden maar de kanonneerboot had een kleine schermutseling met de Duitsers gehad, en kwam pas om ongeveer 4 uur ’s ochtends naar het strand. We waren erg bezorgd.

Een rubberboot bracht ons naar een kanonneerboot ca. 120 feet 35 meter lang met een bemanning van 36 koppen die enkele mijlen uit de kust lag.
Wij waren met 18 personen, zodat de roeiboot twee maal naar het strand moest. Het begon al licht te worden toen iedereen aan boord was, ze begonnen de motoren te starten en gingen heel langzaam varen om niet door het lawaai van de motoren ontdekt te worden, en geleidelijk aan te versnellen hoe verder we van de kust kwamen, tot uiteindelijk op volle snelheid van ca 50 km/u.
Op 23 maart 1944 waren we eindelijk terug in Engeland. Het hadden Charlie en ik 72 dagen gekost om te ontsnappen van de Duitse bezetters in Europa, met behulp van twee ondergrondse organisaties, “Shelbourne” en “Operation Bonaparte”, zij alleen al waren verantwoordelijk voor de veilige terugkeer van 135 geheim agenten en vliegeniers.

Raymond F.Pencek.
Raymond F. Pencek kwam met zijn parachute op de middag van 11 januari 1944 terecht aan de Boerlestraat op de Boerhaar in de gemeente Wijhe, waar in die tijd de fam. Bruggeman woonde.
Bij die landing, verstuikte hij zijn enkel, hij probeerde weg te lopen, maar een buurtbewoner zag hem en hielp hem naar een boerderij in de omgeving.
Ze gaven hem daar te eten, maar de gedachte dat er te veel mensen rond hem waren benauwde hem, dus ging hij er weer vandoor om zo te proberen zich te verbergen. Een 16 jarige jongen uit de buurt (Antoon Freriks) nam hem vervolgens mee naar de boerderij van Jans Beumer waar hem een blauwe overal werd aangemeten. Toen de politie arriveerde, was hij natuurlijk al gevlogen en konden zij enkel zijn vliegerjas, pistool en zwemvest in beslag nemen.
Daarna ging Pencek met twee begeleiders op de fiets naar Broekland, Pencek als boerenarbeider in overal en inmiddels in het bezit van een hooivork, terwijl onderweg verschillende Duitsers gepasseerd werden. In Broekland werd hij tijdelijk verborgen in de dorpsschool, en later die middag naar het huis van een lid van de ondergrondse. Diezelfde avond nog, gingen zij op de fiets via Raalte naar Mariënheem, waar hij twee dagen bij de ondergrondse werd ondergebracht. Genaamd oom Herman (Ben Doppen lid Raalter ondergrondse). Na 2 dagen ging hij naar Lichtenvoorde, de geboorteplaats van Ben Doppen (2-12-1914), en waardoor hij op de hoogte was van de plaatselijke ondergrondse, ca 60 kilometer naar het zuiden. ’s Nachts sliep hij in de buitenlucht en ging vervolgens naar het gezin van Martin Lelivelt, (Martinus Antonius Lelivelt geboren 17-1-1896 Lichtenvoorde gefusilleerd 25-7-1944 Rhijnauwen, hij was gehuwd met de Duitse Johanna Clara Maria Ludmilla Hund, geboren op 24-8-1896 Hamm en overleden 10-5-1973 Lichtenvoorde) het gezin bestond uit het echtpaar en  twee zonen en een dochter Mia. Hier verbleef hij de volgende vijf weken, in een vernuftig onderkomen op zolder, waar Martin Lelivelt, als timmerman,  een dubbele zolder had gemaakt.

Lt. Ford Wade Babcock, een andere Amerikaanse piloot was hier ook ondergedoken.
Ongeveer op 17 februari, bracht een jonge Hollandse verzetsman hen per trein via Zutphen, Nijmegen naar Echt in Limburg. Op de laatstgenoemde plaats verbleven zij bij twee marechaussees, leden van de ondergrondse. Er waren daar ook drie Franse vluchtelingen.
Een priester en een marechaussee namen hen mee voor een rit van ca. 15 – 20 minuten naar de Maas, maar ze konden er geen boot vinden voor de oversteek van de Maas en wij moesten toen blijven wachten op een onderduikplek bij de andere marechaussee.
De volgende nacht roeiden ze ons over de Maas en ontmoeten wij aan de overkant enkele Belgen. De Amerikanen en Fransen werden daar van elkaar gescheiden. Een gids bracht ons naar een klein dorp in de buurt van Lanklaar waar we bij een oudere dame kort zouden verblijven. De volgende dag bracht onze gids Albert Bigelow ons naar het klooster van de Zusters van Voorzienigheid waar we zes dagen bleven. We ontmoetten daar Mickey een luitenant vlieger die op 9 februari was neergeschoten door een Duitse jager.

Wij gingen met de fiets naar Hasselt en verbleven bij een ingenieur die voor de Belgische overheid werkte, M. de Bergniot, een veteraan uit de laatste oorlog die een volwassen zoon en dochter had. De volgende dag namen een onbekende man en vrouw ons mee naar Brussel. Daar aangekomen, bleek er aanvankelijk geen plaats voor ons te zijn, maar dat werd opgelost door een dunne, lange, donkerharige onbekende man met een snor en een bril. Het klonk alsof hij het hoofd was van de Nederlandse/Parijzenaars in Brussel, later hoorden wij, dat deze man rond 25 februari 1944 werd gevangen genomen, samen met nog 13 bemanningsleden van vliegtuigen en een Rus. Deze informatie hadden we van de inwoners uit Hasselt verkregen. Wij gingen met een onbekende Nederlandse jongen naar de slagerij van Emile Moens, Rue de President 67, Brussel, en bleven daar vijf weken. We ontmoetten daar Theo Moens, de broer van onze gastheer.
Na vier weken vertrekt Lt. Ford Wade Babcock en leek te worden overgedragen aan een andere organisatie. Hij werd overgedragen, omdat hij erg ontevreden was met de gang van zaken, na de oorlog heeft hij daar zijn excuus voor gemaakt bij een bezoek aan Nederland.
Ene Victor kwam, en die nam Pencek mee naar zijn huis. Daarna ging Pincek één nacht naar de gendarme Marcel, die hem naar de fam. Wemel bracht, adres Herman Chatelaine 282 Chaussee de Bruxelles bracht, waar hij 18 dagen verbleef. Marcel nam hem daarna dan weer terug mee naar zijn eigen huis en daarna ondergebracht bij Victor’s huis waar wij de bevrijders Bib en Ro ontmoetten, die leefden daar met een man genaamd Bill, beiden gingen ongeveer 29 maart naar Charleroi, diezelfde dag ging Pencek naar een oudere vrouw, Bertha Fille, in de Reu de Boer, en bleef daar een week, maar de plek was zo vies dat hij vroeg om te mogen verhuizen. Hij ontmoette een Belg, die één Amerikaan, Max (Gottlieb) en één Engelsman Louis in huis had. Vervolgens ging hij naar Molenbeek waar hij ongeveer acht dagen verbleef bij een weduwe van ongeveer 33 jaar. Hij ontmoette John Meredith, Bob Hersch en Jim Brown, allemaal leden van een vliegtuigbemanning.
Van deze plaats verhuisde hij naar 758 Chausee d ‘Almsberg en verbleef bij een weduwe en haar dochter, Marcelle Martens. Hij moest hier plots weg, omdat er iemand gearresteerd werd, Victor, Henri, Simone, allemaal vertrokken ze van dit adres. Zo ongeveer 1 juni ging hij naar 1 Charles Bernaetz, Louis Rosatiyon, en verbleef daar tot 13 augustus. Op deze datum bracht Simone en een andere vrouw hem naar een klooster op 314 Reu Leopold I waar hij bleef totdat de stad op 5 september werd bevrijd. Op dit moment ontmoette hij Mevr. Anne Brusselmans, die het hoofd van de ondergrondse organisatie moest zijn.
Ene Germaine bracht hem naar haar toe, en zij nam hem vervolgens mee naar het Hotel Metropole waar hij Lt. Woods of WEA en een aantal andere Amerikanen zag. Deze mensen regelden vrachtwagens om naar Parijs te rijden met de onderduikers, maar er was niet genoeg ruimte voor alle onderduikers, dus Pencek bleef twee dagen langer in Brussel en hapte vervolgens toe om terug te kunnen gaan naar de RCAF (Royal Canadiën Air Force) op de vliegbasis Podington in Engeland als een gelukkig man.                                                                  
Met dank aan de Hr.en Mevr. Mensink-Nijland en hun dochter Gerda Tijhaar-Mensink.
Robert Jan Leerink, Wolter Noordman, Wim Willemsen, Huub van Sabben, en hen die ik aangesproken heb op mijn speurtocht in Middel en Wesepe, zonder hun naam te kennen. Historische Vereniging Heerde: Heerde 1940-1945.Edwin Kleijn van het NOB (Netwerk Oorlogs Bronnen) die mij van advies diende .

Diverse internetsites.

Anton Heijmerikx
anton@heijmerikx.nl

Een der laatste transporten naar Westerbork 6 februai 1945

Het was een beschieting door een Engelse bommenwerper, die samen met nog 6 andere bommenwerpers in Overijssel op zoek waren naar transporten en lanceerinrichtingen van V1 en V2 raketten. Een hunner zag op de dijk bij Wijhe een grote vrachtauto richting Zwolle rijden. Na het afwerpen van lichtkogels zag de piloot dat het een grote Duitse militaire vrachtwagen was.
De bemanning besloot om het  aan te vallen, en beschoot in enkele duikvluchten de vrachtauto van voren als wel van achteren.
De gevolgen waren enorm, het was een der laatste transporten van Joodse gevangenen richting Westerbork. Bij die aanval zijn 7 hunner onmiddellijk dodelijk getroffen, 1 persoon Willy Polak geboren op 23-10-1915 overleed even later bij de fam. Witholt waar hij zwaar gewond naar binnen was gebracht. Hij werd later te Wijhe begraven en liet vrouw en een zoontje van bijna 2 jaar achter; 2 maand later beviel zij nog van een dochter.         
Op weg naar het ziekenhuis in Zwolle, overleden nog eens 3 personen aan hun verwondingen, Mozes Duis 50 jr, Benedictus Furth 55 jr, Samuel Kool 59 jr. Diezelfde dag stierven in het ziekenhuis nog eens 2 zwaargewonden, Simon de Vries 51 jr. Isidoor Polk 36 jr. en op 7 maart bezweek Rachel Leisen 27 jr. alsnog aan haar verwondingen. Andere gewonden, zeker 3 personen, werden na behandeling in Zwolle naar een ander noodhospitaal gebracht, de Dr. Fransenschool aan de Middelweg. Ook 2 kinderen kwamen daar voor behandeling terecht.

Eén van die kinderen, Ronnie Groenteman en nog geen 2 jaar, was door een kogel gewond geraakt aan zijn kleine teen, is na behandeling aan een toevallig passerend echtpaar, de fam. Van Alderen, in hun handen gedrukt en is daar gebleven tot het eind van de oorlog. Gezien de ernst van de toestand, noemden zij hem Ernst. In juni 1945 is hij weer herenigd met zijn ouders die de oorlog in onderdijk hebben overleefd.

Een niet met naam bekende vrouw werd op 7 maart 1945 uit het ziekenhuis ontslagen.
Mevr. Coronel werd ontslagen op 31 maart 1945, maar bleef haar leven lang aan geheugenverlies lijden. Zij hield haar verdere leven hinder van haar verwondingen. Zij herinnerde zich dat er ca. 25 a 30 personen in de vrachtauto zaten, maar een reconstructie van het voorval leerde dat er minstens 40 personen in de vrachtauto moeten hebben gezeten.
De meesten zaten in Amsterdam gevangen door verraad en zijn vanuit de Amsterdamse Schouwburg op transport gezet naar Westerbork.
Dit transport was een der laatste transporten naar Westerbork.

Ook onder de Grüne Polizei die het transport begeleidde zijn doden en gewonden gevallen, maar een juist aantal is niet bekend. Wel bleek dat de Duitsers, nadat zij bij het beschoten transport aankwamen, eerst hun eigen mensen hebben verzorgd en afgevoerd naar het ziekenhuis in Zwolle en zich daarna pas hebben bekommerd over de Joodse slachtoffers die niet konden vluchten.
Voor het vervoer van de gewonde Joden was men meer aangewezen op paard en wagen. Dat was niet geheel ongevaarlijk, want Engelse vliegtuigen schoten op het eind van de oorlog zo ongeveer op alles wat zich op de weg bevond. Rijdend op een dijk had men niet veel uitwijkmogelijkheden.

Andere gewonden en personen die geen verwondingen hadden opgelopen namen de kans waar om te vluchten. Ze probeerden zo snel als mogelijk een veilige plek te zoeken.

Verhalen daarover staan in het boek van Jan Veerman: “Wijhe voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog”, deel 3.

Een hunner, naar later bleek Johanna Kapp, was gewond aan haar been en schouder. Zij werd gevonden in het weiland van landbouwer Drosten aan de Zandwetering. Riek Drosten begeleidde haar op weg naar een veilige plek. Ze kwamen via de Gelder en de Hamelweg bij landbouwer Hoogeland nabij Langeveldslo, die haar met paard en wagen naar het evacuatiegebouw in Raalte bracht.
Van daaruit werd ze opgenomen in het Raalter ziekenhuis.
Daar is zij ca. 14 dagen verpleegd en verzorgd en had daar veelvuldig contact met Willem Albers van het plaatselijk verzet. Aan hem vertelde zij dat haar man was ondergedoken in Wageningen en zij graag wilde dat hij naar Raalte kwam. Haar werd ontraden om contact met haar man te zoeken. Men vond dat te gevaarlijk, maar desondanks kwam hij, Martijn Schatz, toch onverwachts in Raalte aan. Samen doken zij onder, via bemiddeling van het verzet in Raalte, op de boerderij van de fam. Rechterschot aan de Schoonhetenseweg waar zij overigens de beschikking kregen over een eigen slaapkamer. Op die boerderij waren overigens meerdere onderduikers, die vaak ’s avonds gezamenlijk in de keuken elkaars gezelschap zochten. Bij onraad zochten zij allen een plek in een schuilhut verborgen in een nabij gelegen bos, ondergronds en verstevigd met balken, takken, mos, gras- en heideplaggen. De fam. Rechterschot had natuurlijk wel een vermoeden dat er Joodse onderduikers bij zouden kunnen zitten, maar wisten niet alles van hun tijdelijke inwoners. De kinderen Rechterschot hebben goede herinneringen aan die tijd. Ze hadden een goed contact met o.a. Johanna Kapp, die vaak met de kinderen bezig was.
Maar Johanna Kapp werd ziek, zij kreeg difterie, een erg besmettelijke ziekte. Dr. Van der Werf uit Raalte is nog bij haar geweest, maar kon ook niets meer voor haar doen. Zij overleed op 29 maart 1945.

Martijn Schatz vroeg aan vader Rechterschot of hij samen met hem wilden bidden, bij en voor zijn vrouw. Toen wist hij zeker dat het Joden waren; hij vertelde: Martijn zette zijn petje op en ik deed mijn pet af. Na de oorlog heeft Martijn Schatz een boom laten planten in het Westerweelwoud op de helling van de Israëlische berg Efraïm in Galilei, uit dankbaarheid voor de hulp van de familie Rechterschot ontvangen. Maar toen had men een probleem, hoe kon je zonder problemen op een nette manier van een overleden Joodse onderduikster afkomen.In het geheim werd zij op een platte wagen afgevoerd naar de algemene begraafplaats in Raalte en begraven in graf nr. 1132 (zie artikel in de Stentor van 17 april 2007). Het Raalter verzet heeft hier ongetwijfeld een rol in gespeeld. Anno 2016 is het nog steeds naamloos aanwezig. Op haar graf staat enkel het nummer 1132.

De volgende dag doet Cornelis Evert Jan Peet (lid van het Raalter verzet) hoofd ener school aangifte van het overlijden van de Jong, Johanna oud twee en dertig jaren, zonder beroep, geboren te Worms, Duitsland, wonende te Renkum, echtgenote van Bledgen, Martijn, dochter van de Jong, Johan en van Kapp, Hendrika, beiden overleden. Spannend is het in huize Rechterschot uiteraard ook wel meer geweest. Veel geluk hebben zij ook gehad. Vlak voor het einde van de oorlog kwamen er Duitse soldaten bij hen ingekwartierd. Eén hunner ontdekte dat er Joodse onderduikers in huis woonden, maar omdat het einde van de oorlog aanstaande was en hun fanatisme geluwd was, maakten zij er geen werk meer van. Wanneer dat wel was gebeurd was het ongetwijfeld verkeerd afgelopen. Hiermee zou het leven van Johanna Kapp en haar verhaal ten einde zijn geweest, behalve in de herinnering van hen die haar gekend hebben, maar niets in minder waar.

Martijn Schatz die na de oorlog in s’Gravenhage woonde en daar als accountant werkzaam was, onderhield regelmatig contact met zijn helpers van weleer en kwam ook vele malen naar Schoonheten met zijn latere 2e echtgenote. Probleem voor hem was alleen dat hij niet een wettig huwelijk aan kon gaan, omdat de papieren van zijn overleden vrouw ontbraken. Voor haar was immers onder valse naam aangifte gedaan van haar overlijden.
In 1953 werd daarom een akte opgemaakt bij de Zutphense Arrondissement Rechtbank, waarin door getuigen werd verklaard dat de aangegeven Johanna de Jong in werkelijkheid Johanna Kapp was, geboren op 12-12-1912 te Worms Duitsland, dochter van Moritz Kapp veehandelaar en Selma Sara Marx.

In die opgemaakte akte staat ook dat zij te Amsterdam gehuwd is met Martijn Schatz op 13 augustus 1941 en zij eerder gehuwd geweest is met Martijn Spitz welk huwelijk ontbonden is. Het 1e huwelijk was een schijnhuwelijk. Zij kwam op 1 maart 1934 van Worms naar Amsterdam en verdiende de kost als dienstmeisje, maar studeerde daarnaast ook voor lerares lichamelijke opvoeding, welke studie zij met goed gevolg afsloot. Haar vader was al eerder overleden en haar moeder overleed op 31 oktober 1934 in Worms. Haar vertrek bij het begin van het Drittes Reich kwam enkel omdat zij toen al voorzag dat in Duitsland voor Joden geen of praktisch geen ontplooiingsmogelijkheden waren. Maar als zij dan werk zoekt in Nederland met haar diploma lichamelijke opvoeding, ondervindt zij als Duitse ook hier grote problemen met het vinden van een baan. Het wordt haar onmogelijk gemaakt. Een inmiddels goede Joodse Nederlandse vriend, Martijn Spitz, is bereid met haar een schijnhuwelijk aan te gaan, om haar zodoende de Nederlandse nationaliteit te verschaffen en mogelijk zo werk te kunnen vinden als lerares lichamelijke opvoeding.

Martijn Spitz is geboren op 22 maart 1912 te Amsterdam en overleden op 7 september 2004 te Jeruzalem. Hij was een zoon van Joachim Spitz en Rebecca Marchand. Martijn Spitz is na het ontbinden van zijn schijnhuwelijk opnieuw in het huwelijk getreden met Bernardina Elisabeth Glaser, geboren te Nijmegen op 16 maart 1919 en overleden op 27 februari 2000 te Jeruzalem. Samen kregen zij 3 kinderen, Dan Jochanan, Michal Hanna en Ada Rivka. Na de ontbinding van haar schijnhuwelijk met Martijn Spitz huwt zij dus met Martijn Schatz, maar duikt samen met hem en haar schoonmoeder nadien onder tijdens de Duitse bezetting, voor zover bekend in de omgeving van Ede Wageningen. Johanna Schatz-Kapp is dus op gegeven moment opgepakt, haar man en schoonmoeder niet. Waarom zij wel en de andere familieleden niet, geven de archieven niet prijs, werd op transport gezet naar Westerbork, waar zij dus zoals hierboven omschreven nimmer is aangekomen.

Bekend is wel dat nadien een zwangere vrouw gearresteerd is. Of er andere leden van de groep na de beschieting zijn opgepakt en alsnog naar Westerbork zijn afgevoerd, is niet bekend. Maar mocht het wel zo zijn, dan hebben zij mogelijk toch geluk gehad, want het laatste transport  uit Westerbork richting de vernietigingskampen was al op 13 september 1944.

Dat waren mevr. Jetje Gerritse – Aldewereld, haar dochter Regina Sonépouse – Gerritse en schoonzoon Sylvain Sonépouse. Uit deel 3 “Wijhe voor en tijdens de oorlog” van Jan Veerman, hieronder een uittreksel uit het verhaal van mevr. Regina Sonépouse-Gerritse.

Wij zaten met 5 familieleden in de oorlog al ondergedoken in Amsterdam, maar werden na verraad opgepakt op 6 januari 1945. Twee leden weten te ontkomen en wij drieën werden gevangen gezet op verschillende plaatsen in Amsterdam. In de nacht van 5 op 6 februari gingen wij met het laatste transport naar Westerbork, begeleid door leden van de Grüne Polizei in een dichte vrachtauto, zodat wij niet konden zien waar wij reden, urenlang. In de ochtend hoorden wij vliegtuigen en werden beschoten, gevolgd door gekerm van gewonden en geschreeuw van de begeleiders. Iedereen probeerde zo snel als mogelijk uit de stilstaande vrachtauto te komen en een veilig heenkomen te zoeken,  zo ook wij drieën. Mevr. Regina Sonépouse-Gerritse was gewond, had een schotwond opgelopen en granaatscherven in haar rug en het lopen ging dan ook erg moeilijk. Bij het uitstappen zagen ze dat bij een Duitser, een deel van zijn hoofd was weggeschoten, en mijn moeder legde er een doek over, hij was weliswaar een vijand, maar toch ook een mens. Moeder en mijn man waren niet gewond, maar wel zwak. Bij het dichtstbijzijnde huis werd op herhaald bonzen niet opengedaan. Wij zijn toen verder gekropen door sloten, over prikkeldraad en kwamen bij een boerderij aan. Mevr. Coronel die bij ons was kon niet verder en mocht bij de boer achterblijven. Hij zorgde ervoor dat zij in Zwolle in het ziekenhuis terechtkwam. Wij moesten verder, want de Duitsers gingen zeker op zoek naar gevluchte Joden. Wij kwamen op een volgende boerderij terecht, waar wij volop te eten kregen van de twee bewoonsters, in een kamer met veel antiek. Na een verdere vermoeiende tocht, bereikten wij de kerk van Broekland. Via de koster kwamen wij bij de fam. Jansen terecht. Mevr. Jansen belde meteen dr. Goedhart uit Raalte, want ik was volkomen uitgeput en had het bloed in mijn schoenen staan. Ik kreeg een behandeling in het ziekenhuis van Raalte en keerde daarna weer terug naar de fam. Jansen in Broekland. Na enkele weken gingen wij naar een gebouw in Raalte waar veel evacués opgevangen werden. Omdat de omstandigheden niet hygiënisch waren met ook veel ongedierte, zijn wij toch op zoek gegaan naar een privé-adres waar wij mogelijk het einde van de oorlog af mochten wachten. Wij vonden  bij de fam. Johan van Noorel in de Grotestraat een veilig en gastvrij, kortom een geweldig onderkomen.

Tussen de families Jansen, van Noorel en Sonépouse, zijn jarenlange vriendschapsbanden onderhouden, met bezoeken over en weer.
Helaas heeft mevr. Jetje Gerritse-Aldewereld de gevolgen van de oorlog niet kunnen verwerken. Zij verkoos in mei 1956 op haar eigen wijze uit het leven te stappen.

Bij een reconstructie na de oorlog bleek dat er minstens tussen 30-40 personen in de vrachtauto moeten hebben gezeten. Er zijn er dus meer ontkomen, maar van hun avonturen is weinig of niets bekend geworden. Enkele namen zijn na intensief speurwerk in 2019 bekend geworden.

1 Willy Polak dodelijk getroffen, (23-10-1915 Amsterdam-6-2-1945 Wijhe) begraven Algemene begraafplaats Wijhe.
2 Mozes Duis dodelijk getroffen, begraven 10-2-1945 Kranenburg Zwolle, graf is inmiddels geruimd. (3-1-1895 Amsterdam-6-2-1945 Wijhe)
3 Benedictus Furth dodelijk getroffen begraven 10-2-1945 Kranenburg Zwolle, herbegraven Ereveld Loenen (11-4-1889 Amsterdam-6-2-1945 Wijhe)
4 Samuel Kool dodelijk getroffen begraven 10-2-1945 Kranenburg Zwolle, herbegraven Joodse begraafplaats Muiden (1-7-1885-6-2-1945 Wijhe)
5 Rebecca Berta Kool-Groen is gevlucht en ondergedoken (8-6-1884 Amsterdam-21-4-1976 Amsterdam)6 Julie Kool-Schatz is gevlucht en ondergedoken mogelijk Apeldoorn.  (10-11-1916 Amsterdam-25-5-2010 Groningen) Haar man Rudolf Kool (2-3-1915 Amsterdam-2-3-2002 Beer Yaakof Isr)zat ondergedoken in Overijssel en zwom op het eind van de oorlog de Regge over naar de Canadezen.
7 Simon de Vries dodelijk getroffen begraven Kranenburg Zwolle, graf is inmiddels geruimd. (8-9-1893 Amsterdam-6-2-1945 Zwolle)
8 Isidor Polk dodelijk getroffen begraven Kranenburg Zwolle, graf is inmiddels geruimd. (15-4-1908 Amsterdam-6-2-1945 Zwolle)
9 Rachel Leisen zwaar gewond overleden 7-3-1945 Zwolle begraven 15-3-1945 Kranenburg Zwolle, graf is inmiddels geruimd. (16-12-1918 Amstrdam-7-3-1945 Zwolle)
10 Johanna Schatz-Kapp (schoonzus nr.6) licht gewond gevlucht ondergedoken fam. Rechterschot Schoonheeten. Kort voor het einde van de oorlog in onderduik overleden en stiekem begraven door de ondergrondse op de algemene begraafplaats Raalte onder valse naam. (12-12-1912 Worms D-29-3-1945 Raalte) Haar man Martijn Pinchas Schatz werd met een groep naar verluid vastgehouden in Apeldoorn en kon niet op transport gesteld worden. In 2017 is in Raalte een klein gedenksteentje geplaatst met haar eigen naam, en in 2018 is een foto bekend geworden van het echtpaar Schatz-Kapp.     
11 Ronnie (Aron) Groenteman jong kind lichtgewond ondergedoken fam. Van Alderen Zwolle (27-5-1943 Amsterdam)De Fam. v. Aalderen bood hulp bij het passeren bij het noodziekenhuis van Zwolle, en hielden daar bij toeval Ronnie Groenteman aan over, die zij de naam van Ernst gaven gezien de moeilijke tijden. In juni 1945 werd Ronnie weer met zijn ouders herenigd, die de oorlog hadden overleeft in onderduik.
12 Rika Coronel-(Salstman of Salomons) gewond en ontslagen ziekenhuis Zwolle 31 maart 1945
13 Vrouw met onbekende naam gewond en ontslagen uit ziekenhuis Zwolle 7 maart 1945
14 Jetje Gerritse-Aldewereld ondergedoken bij fam. Van Noorel-Hutterd in de Grotestraat Raalte.(29-6-1894 Amsterdam-8-5-1956 Amsterdam)
15 Regina Sonepouse-Gerritse ondergedoken bij fam. Van Noorel-Hutterd in de Grotestraat Raalte (6-9-1916 Amsterdam- 23-6-2000 Amsterdam)
16 Silvain Sonepouse ondergedoken bij fam. Van Noorel-Hutterd in de Grotestraat Raalte (6-8-1913 Amsterdam-5-2-1987 Amsterdam)
17 Paul Mayer, licht gewond geraakt, bleef tot de dood van Willy Polak bij hem, is nadien gevlucht. Hij is geboren op 6-11-1880 onbekend waar en overleden op 28-3-1967 te Amsterdam. Hij was gehuwd met Lotte Heidorn geboren 5-8-1886 onbekend waar, die overleed op 9-4-1969 te Amsterdam. Het echtpaar had geen kinderen en zij waren gemengd gehuwd, hij Joods en zij Evangelisch. Op 13-8-1942 werd melding gemaakt van hun huwelijk door “Der Reichscommissar fur die besetzten Niederlandische gebiete” Hans Albin Rauter met de vermelding “lebt in Mischehe mit”.

Colofoon:
Wijhe voor en tijdens WOII – G.J.Veerman
Mevr. Chaja Meir-Kool, Israël
Hr. Itamar Kool, Groningen
Mevr. Ineke van Noorel, Amerika
Hr. Frank Polak, Amsterdam
H.C.O. Zwolle


Anton G.M. Heijmerikx
anton@heijmerikx.nl
www: heijmerikx.nl

Nooit heb ik, wat ons werd ontnomen, zo bitter bitter liefgehad.


Opschrift Monument slachtoffers “Apeldoornse Bosch”In het Prinsenpark te Apeldoorn.(AH)

Het Apeldoornse Bosch.

Een bijzondere Joodse instelling, gelegen te midden van de bossen net even buiten Apeldoorn gelegen aan de weg naar Zutphen. Opgericht in 1909, hier werden Joodse psychiatrische patiënten volgens de toen geldende modernste medische inzichten behandeld en verpleegd.
Het was een snelgroeiende instelling, waar rond 1938 ca. 900 patiënten verpleegd werden. Het Apeldoornse Bosch had ook een afdeling voor zwakzinnige en moeilijk opvoedbare kinderen, het Paedagogium Achisomog (Achisomog betekent “mijn broeder tot steun”), waar in 1938 74 patiënten verbleven.

Onder leiding van Dr Jacques Lobstein (Borculo 1883—Troebitz 5-1945 op weg naar huis vanuit Bergen-Belsen) sinds 1936, verliepen de gebeurtenissen in het Apeldoornse Bosch rustig. Weliswaar had men door de problemen die de Joden ondervonden in Duitsland enkele lichte gevallen hier opgenomen, maar op het grote complex van paviljoens en tuinen viel dat niet op, men had van de Duitsers op een hele enkele keer na geen enkele last.

Heel af en toe werd er iets gevorderd, maar verder leek de oorlog ver weg.
Op 31 december 1942 woonden er bijna 1100 mannelijke en vrouwelijke patiënten, zij werden verzorgd door verplegend, huishoudelijk en technisch personeel tussen 4-500 personen.
In het Paedagogium Achisomog woonden 74 jongens en 20 meisjes, andere bronnen geven een ander zij het klein afwijkend getal.
Men kan zich afvragen, of de Joodse leiding onder Dr. Lobstein de catastrofe niet heeft zien aankomen, de nazi’s die, en Joden wilden vernietigen, en krankzinnigen uitroeiden, waarom zouden zij dan het Apeldoornse Bosch met rust laten.
Punt is dan ook nog, dat de Duitsers meermalen op bezoek zijn geweest om het hele complex te bekijken, omdat dat bijzonder geschikt zou zijn om er verschillende Duitse instanties in onder te brengen. En ook, ondanks waarschuwingen van een toenmalige inspecteur van Staatstoezicht op Krankzinnigen en Krankzinnigengestichten (hij was zelfs lid van het Medisch Front en de N.S.B.) in november 1942 onder de grootste geheimhouding en in aanwezigheid van Dr. N. Speijer met de mededeling kwam, dat de Duitsers het Apeldoornse Bosch wilden liquideren. Een maand later kwam hij nog eens waarschuwen, maar Dr. Lobstein weigerde beide keren maatregelen te nemen.
Hij had een mededeling van het Rijkscommissariaat, volgens eigen zeggen, dat hij zich geen zorgen hoefde te maken.

Dr. Speijer echter had vele personeelsleden en lichte patiënten al aangeraden om te vertrekken. De Reichsgesundheitsfuhrer Dr. Leonardo Conti (Lugano 24-8-1900 – Nurnberg 6-10-1945) had ook iets vernomen en verzocht per telex op 22 december 1942 aan Arthur Seyss Inquart (geboren als Artur Zajtich te Stannern 22-7-1892—Neurenberg 16-10-1946), met afschriften aan Johann Baptist Albin (Hanns Albin) Rauter (Klagenfurt 4-2-1895 – Scheveningen 25-3-1949), Friedrich Wimmer (Salzburg 9-7-1897—Regensburg 2-8-1965) en Dr. Wilhelm Harster (Kelheim 21-7-1904—Munchen 25-12-1991) om het Apeldoornse Bosch vrij van Joden te maken en de inrichting voor hem beschikbaar te stellen. Op 22 december 1942 komen in een vergadering van meerdere secretarissen generaals de plaatsen aan de orde, waarheen men verschillende regeringsinstellingen wil verplaatsen, waaronder o.a. het complex van het Apeldoornse Bosch. Het was Harster die via een tussenpersoon van Adolf Eichmann de opdracht krijgt, om het Apeldoornse Bosch te ontruimen. Harster op zijn beurt geeft die opdracht weer door aan Ferdinand Hugo Aus der Fünten (Mülheim an der Ruhr 17-12-1909—Duisburg 19-4-1989).
Adolf Eichmann stuurt een trein met 25 wagons, om de patiënten weg te voeren.
Op 11 januari 1943 rond de klok van 18.00 uur komt Aus der Fünten in burger de inrichting bezoeken, laat zich door het hele complex uitvoerig rondleiden, en verzoekt om een situatietekening. Dr Lobstein kreeg de indruk, dat bleek bij latere verhoren, dat Aus der Fünten hierheen gekomen was, om plek te zoeken voor Joden die hier mogelijk vanuit elders zouden worden ondergebracht.
Op 19 januari 1943 deelde de Apeldoornse commissaris van politie aan ingezetenen van Apeldoorn en Dr.Lobstein mede, dat Apeldoorn Jodenvrij gemaakt moest worden, en werd het wel heel erg duidelijk dat het Apeldoornse Bosch groot gevaar liep evenals het nabijgelegen Paedagogium Achisomog, en alle Joodse inwoners van Apeldoorn.

Op 20 januari verschijnt er in het Apeldoornse Bosch een kleine honderd man van de Ordedienst uit Westerbork, onder leiding van de kampcommandant Albert Konrad Gemmeker (Dusseldorf 27-9-1907 – Duitsland 1982), die Dr. Lobstein gelast deze mannen onderdak te verlenen en zich openlijk afvroeg waarom Auf der Fünten niet aanwezig was. Overigens stelde hij Dr.Lobstein gerust door te verklaren dat deze mannen op doorreis waren naar Amsterdam en de volgende dag zouden vertrekken. Hoe naïef kan men zijn, Lobstein gelooft nog steeds dat er niets met zijn patiënten zal gebeuren.
Deze ODers uit Westerbork waren leden van de Joodse ordedienst, vaak oud militairen en jongeren die de orde in Westerbork moesten bewaren; soms werden zij ingezet voor acties buiten Westerbork, zoals bij grote razzia’s in 1943 in Amsterdam, en bij de ontruiming van het Apeldoornse Bosch.
Wel hebben zij een oogje dichtgeknepen en zijn er die nacht ruim 100 personen ontsnapt.
Het zal een onrustige nacht geweest zijn, de meesten begrijpen dat er iets gaat gebeuren, maar het is een krankzinnigengesticht, velen begrijpen dan ook niet wat er zou kunnen gebeuren. Personeel en patiënten, alles is in rep en roer, ernstige patiënten die opgesloten zitten, debielen, idioten, dementen, psychopaten en schizofrenen (woorden die in die tijd gebruikelijk waren, maar heden gelukkig niet meer gangbaar) die zich niet kunnen verweren, en geen raad weten, sommigen argeloos rustig, anderen in complete paniek.
Aus der Fünten had de leiding, maar gaf soms Harster en soms ook Zopf de schuld als zijnde zijn opdrachtgever in het proces na de oorlog.

Aus der Fünten, had opdracht om het Apeldoornse Bosch te ontruimen in de nacht van 21 op 22 januari, maar misverstanden hadden tot gevolg dat Gemmeker met zijn OD een dag te vroeg in Apeldoorn arriveerden, en het ongelooflijke was, dat daarmee niet echt de alarmbellen deed rinkelen. In het proces na de oorlog gaf Auf der Fünten dan ook Gemmeker en zijn OD de schuld van het vervoer van de verpleegden, ondanks getuigenverklaringen dat hij in die nacht als een baarlijke duivel te keer gaat, scheldt en schreeuwt en lacht tijdens afschuwelijke situaties, en geeft hij onmenselijke opdrachten en bevelen. Ook stabartz Dr.Mayer uit de staf van Rauter krijgt de schuld van e.e.a., en Kriminalsekretar Hassel die belast was met de bewaking. Aus der Fünten had dus naar eigen zeggen enkel geleid, anderen hadden het werk gedaan. Gemmeker gaf toe, dat hij met 100 man OD naar Apeldoorn was gekomen in opdracht van Zopf, maar enkel belast was met afzetting van het terrein; het inladen van patiënten, daarvan was geen sprake, daar was Untersturmfuhrer Werner aansprakelijk met de Schutzpolizei. Zo schoof eenieder de schuld door naar anderen.

Op 21 januari, deed het personeel alles, wat in hun vermogen lag, om zoveel mogelijk eten klaar te maken om mee te nemen, verzamelde men zoveel mogelijk medicijnen en medisch gereedschap dat nodig was maar van dat alles kwam niets terecht, uiteindelijk bleef alles achter. Gaande de dag werden doctoren en afdelingshoofden in kamers opgesloten, werden verpleegsters en verplegers gescheiden van hun patiënten, en werden de patiënten behandeld door Duitse en Joodse helpers onder leiding van Aus der Fünten.

Het vervoer verliep in 2 etappes, eerst werden zij in vrachtwagens vervoerd naar het station van Apeldoorn en vervolgens in veewagons geladen van de trein die klaarstond op het rangeerterrein.
Het vervoer van verstandige mensen is vaak al paniekerig en angstig, dan kan men zich voorstellen dat het vervoer van personen met een zware verstandelijke beperking al helemaal uit de hand moet lopen. Bij het inladen van de vrachtwagens liep het al volkomen uit de hand, niet begrijpend waarom men in een vrachtwagen moest stappen, er weer proberen om uit te stappen, vervolg was uiteindelijk dat men erin geslagen werd, jong, oud, ziek, en was men niet in staat om zelfstandig in te stappen, dan gooide men hen erin. Oude vrouwen gelegen op matrassen werden de vrachtwagen ingeschoven en een volgende mensen laag er overheen aldus ooggetuigen. De laadklep ging steeds met moeite dicht, men moest kracht gebruiken om die dicht te krijgen, mensen werden daardoor op elkaar geperst, en was er dan een ongelukkige die zijn vingers tussen de laadklep kreeg, had die pech, de klep moest dicht.
Sommige leden van de Joodse OD wilden hier en daar nog dekens uitdelen aan patiënten die soms niet meer aanhadden dan hun nachtkleding, maar dat werd verhinderd door Duitse officieren, met de woorden “dat is zonde”. Ook een arts wilde een lans breken voor sommige patiënten, maar Aus der Fünten antwoorde, niet nodig “ze zijn allemaal asociaal”.

Ging het aanvankelijk nog mannen, vrouwen en kinderen gescheiden, en onder “redelijke” omstandigheden, gaandeweg de nacht werd alles door elkaar in de vrachtwagens gestopt.
Onvervoerbare patiënten waarvan sommigen in dwangbuizen, gevaarlijke krankzinnigen, en kinderen, samen in een vrachtwagen op weg naar het station met steeds hogere snelheden, in een donkere nacht, die weliswaar zacht was, maar veel te koud voor sommige mensen die nauwelijks gekleed zijn.
De toenmalige stationschef, die een rapport heeft gemaakt van het transport, schrijft o.a. “Zo herinner ik mij een meisje van tussen 20-25 jaar die de armen stijf om haar lichaam had geslagen, de handen onder haar oksels. De armen werden door middel van een soort doek zo onbeweeglijk vastgebonden. De opgevouwen doek bedekte haar armen en een gedeelte van haar borst, verder was zij volkomen naakt. Toen ik tegenover de OD mannen die haar gebracht hadden, hierop aanmerkingen maakte, vertelden zij mij, dat het een patiënte betrof, die geen kleren duldde en die men toen maar naakt had meegenomen, hetgeen tot hilariteit aanleiding gaf bij de groene heren. Zij liep, door de schijn van de op haar gerichte elektrische zaklantaarns verblind, van de auto af, stortte voorover naar beneden op de grond en kon geen arm uitsteken om de val te breken. Zij maakte natuurlijk een lelijke smak, maar bezeerde zich klaarblijkelijk niet ernstig, want zij was in no-time weer overeind en daarna liep zij rustig de spoorwagon binnen”. Diezelfde chef keek machteloos toe, als de deuren dichtgemaakt werden, en patiënten in radeloze onmacht probeerden dat te verhinderen, dan gebeurde het meermaals dan vingers tussen de deuren kwamen met alle gevolgen van dien. Ook als hij de luchtluiken openzette, werden die steevast weer door de Duitsers dichtgemaakt. In elke wagon werden ca. 40 personen gestopt en dat 25 wagons achter elkaar.

Een Joodse ODer, die een patiënte voorzichtig in een wagon wilde neerleggen, kreeg van een SSer een ongenadige schop onder zijn achterste met maar één woord, “ schneller”.
Dezelfde ODers waren wel zo verstandig om hun handen en onderarmen te ontsmetten, want sommige patiënten hadden open tbc, er stonden daarvoor enkele emmers met desinfecterende vloeistof klaar.
Elke wagon had twee houten tonnetjes, bedoeld als toilet, maar velen hadden niet het besef waarvoor die bestemd waren, enkelen keerden ze om en gebruikten die als zitplaats.

In de vroege ochtend van 22 januari riep Aus der Fünten vrijwilligers op, om het dan ingeladen transport te begeleiden: een 20 tal melden zich, en hij wees er zelf nog 30 aan die gezamenlijk in een aparte wagon achter de andere wagons geplaatst werd. 16 verplegers en 36 verpleegsters (volgens de Jong) Zij kregen de verzekering dat zij zouden mogen terugkeren, of ander werk zouden krijgen in een modern ziekenhuis, maar niemand kon het navertellen, uiteindelijk kwam niemand van hen terug.
Het transport vertrok vanuit Apeldoorn op vrijdag 22 februari, met zoals dat heet onbekende bestemming, en kwam op zondag 24 januari in Auschwitz aan.
Ook van al die patiënten, kwam niemand terug, 1069 namen zijn bekend en openbaar gemaakt.
Alle andere artsen, verpleegsters en verplegers ca. 300 in getal, zijn samen met de 100 OD ers die terugkeerden naar Westerbork, meegevoerd evenals vele andere Joodse inwoners van Apeldoorn. Zij zijn vrijwel allemaal, ondanks beloftes, afgevoerd naar Auschwitz. De administratie bleef met de directeur nog tot 1 februari in Apeldoorn, daarna werden zij (30 in getal) ook naar Westerbork overgebracht; van deze groep overleefden 16 personen de oorlog.

Een Nederlandse Jood, in Auschwitz tewerk gesteld en overlevende van de holocaust, verhaalt van de aankomst van de trein. “Ik was zelf op het lange perron toen de trein aankwam, het was een van de verschrikkelijkste transporten uit Holland die ik ooit gezien heb. Vele van de geesteszieke patiënten probeerden door de postketting te breken en werden ter plekke doodgeschoten. De rest werd onmiddellijk afgevoerd en vergast. Een andere bron vertelde na de oorlog, dat enkelen van de verplegenden weigerden om de doden naar het crematorium te brengen, zij ondergingen hetzelfde lot. En er is het verhaal, dat enigen hunner waaronder nog levende mensen in een grote kuil werden geworpen gevuld met hout en benzine en zo werden verbrand. (volgens Presser) Andere bronnen (volgens de Jong) hebben verklaard dat de overige treinpassagiers door Joodse werkploegen, waaronder enkele Nederlanders, die door tierende SS’ers met knuppels opgejaagd werden, eerst in kiepkarren gegooid en vervolgens in vrachtwagens die kwamen aanrijden. De vrachtwagens voerden hen niet naar de gaskamers maar naar een van de grote langgerekte kuilen waarin de lijken van eerder vergasten verbrand werden. Hoog laaiden de vlammen op, de pas aangekomenen werden er middenin gesmeten, brokken hout en blikken petroleum volgden. Deze wijze van massamoord werd in Birkenau (volgens de Jong) vaker toegepast op slachtoffers voor wie men het in werking stellen van de gaskamers niet noodzakelijk vond. Dat veruit de meeste inzittenden van de trein op deze manier levend verbrand werden, werd korte tijd later door een van de leden van het Kommando dat bij de gaskamers in verbrandingskuilen dienst deed, verteld aan een van de Nederlandse leden van het Kommando dat de groep uit Apeldoorn op het laadperron van Birkenau in de kiepkarren en de vrachtwagens had moeten werpen.

Maar de artsen, verpleegsters en verplegers die in een aparte wagon zaten, werden in het kamp ondergebracht en zoals al vermeld, niemand heeft het overleeft.

Nadat de SS het werk in Apeldoorn had volbracht, en de trein was vertrokken, haalden zij hun loon: zij plunderden in alle gebouwen, niets bleef gespaard. Kleerkasten, nachtkastjes, medicijnkasten, geneesmiddelen, levensmiddelen alles lag op de grond. Kleren, wasgoed schoon en vies, schoenen, medisch gereedschap, schilderijen, gordijnen, alles lag vertrapt en vernield in een dikke 15-20 cm. dikke laag in alle kamers, trappen vloeren en gangen.
Na ca. 1 uur was door de SS het Apeldoornse Bosch zo vernietigd alsof er een bombardement had plaatsgevonden. Alle boeken met waardevolle wetenschappelijke inhoud, waaronder onvervangbaar materiaal zijn verscheurd en kapotgetrokken.

Namen ze eerst nog genoegen met geld, ringen, horloges, geld en andere spullen van waarde, de volgende dag kwamen zij met een autobus voorrijden om uit het gebouw van de 1e klas alles van waarde mee te nemen; later moesten zij de meubels weer teruggeven.
Teneinde raad haalde men 200 Joden uit Westerbork, om samen met de Marechaussee verdere plundering te voorkomen, alles op te ruimen en het weer enigszins toonbaar te maken, zij hadden daar 10 dagen voor nodig. Maar schrijft een lid van die Vliegende Kolonne uit Westerbork in zijn dagboek, onze jongens hebben goed geleerd, zij trekken door alle gebouwen, breken nog gesloten kasten open, en nemen alles wat zij kunnen gebruiken.

Allen zijn helemaal gek geworden. Mensen die anders niets zouden nemen wat niet van hen is, stoppen nu alles in hun zakken. OD lieden treden op als ploegleiders, leven hier en daar als koningen in de lege ruimten en hebben koffers vol met mooie dingen. Aus der Fünten geeft als dank voor bewezen hulpdiensten aan de OD ers een Pick-up met platen, hij heeft het met zekerheid zelf achterovergedrukt, en de OD ers zijn er trots op.

Alleen al aan inventarisschade kwam men na de oorlog op het bedrag van F 675.000
De Joodse raad,(de voorzitters kregen op 28 januari Aus der Fünten te spreken), vroeg hem waarom het Apeldoornse Bosch was leeggehaald. Zijn antwoord, “We hebben de gebouwen nodig, de krankzinnigen en de zieken zijn in lazaretten ondergebracht en worden daar verder verpleegd, verder geen protest. Mr.Frederiks heeft van Katholieke zijde bij Wimmer geprotesteerd en medegedeeld dat in brede kring van de bevolking diepe ontroering en diepe ergernis is ontstaan, en dat dat met goede wil te vermijden was geweest. Hij protesteert verder met grote nadruk op de wijze waarop ingeladen is, Wimmer zal een glimlach nauwelijks hebben kunnen onderdrukken. Mr.Frederiks vraagt verder wat er met de gebouwen gaat gebeuren, waarom hij dat vraagt is onduidelijk, evenals of hij een antwoord heeft gekregen.
Bij de slachtoffers van het Apeldoornse bos, waren 2 Joodse inwoners van Raalte: Henrica de Lange geboren op 5 december 1870 te Raalte, dochter van Samuel de Lange en Willemina Steren, en Joël Zwarts geboren op 17 april 1889 te Raalte, zoon van Mozes Swarts en Dina de Lange, beiden zijn vrijwel direct vermoord bij aankomst in Auschwitz op 25 januari 1943.

Anton Heijmerikx
Uit het boek: “Gebroken Joods leven in Raalte”

BUCHENWALD

Karl Otto Koch en Ilse Koch-Kohler.
Karl Otto Koch, geboren op 2 augustus 1897 geboren in Darmstad, hij genoot een opleiding tot koopman, en boekhouder. In 1916 meld hij zich vrijwillig aan voor de militaire dienst tijdens WO1. Als soldaat dient hij aan het westfront en is meermaals gewond geraakt, en in 1917 krijgt hij het ijzeren kruis 2e klasse. Het einde van WO1 beleeft hij in Engelse krijgsgevangenschap, waarvan hij in oktober 1919 word ontslagen. Van 1919 tot 1925 werkt hij bij verschillende ondernemingen en banken, tot hij zich moet melden als werkloze, omdat de kleine Darmstadter bank failliet is gegaan. In 1924 is hij voor de 1e maal getrouwd, uit dat huwelijk is 1 zoon Walther geboren, maar dat huwelijk strand in 1931.

Hij is lid geworden in 1931 van de N.S.D.A.P. en enkele maanden later van de SS. Van 1932-1933 gaf hij leiding aan SS eenheden in Kassel en Sachsen. Hij maakt een snelle carrière.  
In oktober 1934 neemt hij de leiding over van concentratiekamp Sachsenburg, in november 1934 is hij SS fuhrer in Esterwegen, maart 1935 lid Kommando KZ Lichtenberg, april 1935 kommandant KZ Columbia huis Berlijn, april 1936 kommandant KZ Esterwegen, september 1936 kommandant Sachsenhausen, in mei 1937 trouwt hij met Ilse Kohler, van 1937 tot kommandant van Buchenwald, waar hij vanaf het begin een waar schrokbewind voert. Tirannie en foltering, zelfs voor de kleinste overtreding zijn vastendagen het gevolg.
Als gevangenen andere gevangenen niet verraden voor welke beschuldiging ook, worden ze vastgezet en komen verhoren tot ze hun kennis delen.
De sadistische kampbewaarder geeft de ondergeschikte Martin Sommer, dan opdracht om geslachtsdelen afwisselend in ijskoud water en kokend water te hangen, en aansluitend het geslachtsdeel met verbrande huid met jodium in te smeren, wat een waanzinnige pijn oplevert. Gevangenen met een mooie tatoeage op hun huid, worden apart behandeld in het kampziekenhuis. Dat betekend hun dood, en hun tatoeage komt in de verzameling van Ilse en Karl Koch. Als in november 1938 na de Kristalnacht, Buchenwald volstroomt met Joden, waarvan de meesten na korte tijd weer worden vrijgelaten, beval Koch aan de gevangenbewaarders om waardevolle zaken die die Joden bij zich hadden, in beslag te nemen, en die onder te brengen in het magazijn en te bewaren. Deze zaken komen hoofdzakelijk in de zakken van Koch, vertrouwde SS officieren en uitgezochte gevangenen. Die overigens later vermoord zijn, omdat zij teveel wisten en hem konden verraden toen hij zelf onderzocht werd door SS rechter Konrad Morgen.

In december 1941 is hij voor de eerste keer gearresteerd, maar door ingrijpen van de hoogste baas van de SS Heinrich Himmler die zich gepasseerd voelt, komt hij vrijwel direct weer op vrije voeten. Wel is hij is in januari 1942 gedwongen overgeplaatst naar het KZ Majdanek als commandant. Oswald Pohl, die als hoofd van de WVHA verantwoordelijk was voor de inspectie en werkprojecten van gevangenen in de concentratiekampen, gebruikt zijn macht door Karl Koch te helpen. Maar met de vlucht van 86 sovjet krijgsgevangenen uit KZ Majdanek is hij als kampcommandant in september 1942 overgeplaatst naar  het SS hoofdkantoor als verbindingsleider van het Rijkspost ministerie. Onderzoek naar de ontsnapping in KZ Majdanek eindigt in februari 1943 met het ontslag van Karl Otto Koch. Tegelijkertijd  laat Heinrich Himmler, de SS rechter Konrad Morgen onderzoek doen naar de handel en wandel van Karl Otto Koch. Enkele maanden lang, onderzoekt Morgen in KZ Buchenwald de zieken en dodenlijsten van KZ Buchenwald, en komt tot de conclusie dat minstens drie KZ gevangenen die meededen aan zijn corrupte praktijken en ervan wisten, in opdracht van Koch zijn vermoord. Ook het verduisteren van minstens 200.000 Rijks Mark. Na zes maanden gevangenschap word hij tot de doodstraf veroordeeld, welke in Buchenwald op 4 april 1945 is voltrokken door een vuurpeloton.
Vreemd is natuurlijk dat, hoe vreselijk ook, drie vermoorde gevangenen en het achteroverdrukken van 200.000 Rijks Mark kan leiden tot de doodstraf, en al zijn moorden en gruwelijke mishandelingen van krijgsgevangenen helemaal niet ter sprake zijn gekomen, mishandelingen die al begonnen waren in 1937 toen WOII nog moest beginnen. Overigens is Konrad Morgen na de oorlog vrijgesproken omdat hijzelf geen oorlogsmisdaden had begaan.

Ilse Koch-Köhler, geboren op 22 september 1906 te Dresden en overleden op 1 september 1967 in gevangenschap te Aichach. Zij was geboren in een gewoon warm gezin en gedroeg zich voorbeeldig. Op haar 15 stopte zij met leren in ging werken in de sigarettenfabriek in Dresden, later stenotypiste en tenslotte als bibliothecaris. In 1932 sloot ze zich aan bij de nazi’s, en in 1935 werd ze opzichter in KZ Sachsenhausen, waar ze kennis kreeg aan Karl Otto Koch, waar zij in 1936 mee trouwde. In 1937 kreeg Karl Koch opdracht om Buchenwald te bouwen en Ilse ging mee en werd in Buchenwald een der opzichters. In Buchenwald bemoeide zij zich veelvuldig met het werk van Karl Koch, en profiteerde van de macht en rijkdom die Karl Koch zich toe eigende. Zij toonde sadistische trekjes, wat haar de naam “Hexe von Buchenwald” opleverde.
Wanneer zij door het kamp liep bij haar ochtendwandeling, en er liep iemand voor haar voeten, kreeg diegene zweepslagen. Karl Koch liet voor zijn vrouw een paardenmanege ter waarde van 250.000 Rijks Mark bouwen, met verduisterd geld, en als paardenliefhebster, reed zij ook regelmatig op haar paard door het kamp, en exhibitionistisch als zij was, reed zij regelmatig in een doorkijkblouse en met korte rok door het kamp.
Keken de gevangenen, werden zij door haar begeleider Martin Sommer, met zweepslagen beloond, en dat had soms tot gevolg dat zij het niet overleefden. Ook liep zij regelmatig bij binnenkomst van nieuwe gevangenen topless rond, en we diegene die naar haar idee te lang keek, die werd voor het front van de hele groep zwaar afgeranseld door een der bewakers, met meestal 25 stokslagen. Ook werd zij beschuldigd van seksuele relaties met collega’s van haar man. Konrad Morgen de SS rechter die onderzoek deed naar de wandaden van haar man, liet ook Ilse Koch arresteren op 25 augustus 1943, en ze zat 16 maanden in voorarrest in de gevangenis van Weimar, waarna zij werd vrijgesproken door een SS rechtbank.
Na de oorlog in juni 1945 werd zij opnieuw gearresteerd door het Amerikaanse leger, zij woonde toen in Ludwigsburg bij haar familie. Het proces tegen Ilse Koch, kende een grillig verloop, maar op 14 augustus 1947 werd zij tot levenslange gevangenisstraf veroordeeld, de doodstraf bleef haar bespaard, omdat zij in gevangenschap zwanger was geraakt van een bewaker of medegevangene.
Er waren vele aantijgingen tegen haar, de belangrijkste was dat zij lampenkappen had laten maken van getatoeëerde huid van vermoorde gevangenen, maar de lampenkap was inmiddels spoorloos verdwenen. De Amerikanen probeerden de SS rechter Konrad Morgen een verklaring te laten tekenen dat die verdwenen lampenkap inderdaad van menselijke huid was, maar dat weigerde hij, ondanks dat hij walgde van de sadistische aard van Ilse Koch. Hij had bij uitvoerige huiszoekingen die bewuste lampenkap niet gevonden, en zou er mede daardoor geen bewijs zijn. Wel hebben anderen tijdens de verhoren verklaart dat het wel degelijk waar was.
Zijzelf ontkende natuurlijk dat zij in het bezit was geweest van dergelijke voorwerpen zij was slechts moeder en huisvrouw geweest.

Uit het verslag van het Internationaal Militairtribunaal te Nurnberg getuige Andreas Pfaffenberger.
“Nadat de gevangenen onderzocht waren werden diegenen met de mooiste tatoeages in het ziekenhuis achtergehouden, om met injecties gedood te worden. Zij werden naar het Pathologische afdeling gebracht, waar de getatoeëerde huid van de lijken werden afgenomen en geprepareerd. De klaargemaakte stukken werden aan Ilse Koch overgedragen die die stukken liet verwerken in lampenkappen, fotoboekomslagen handschoenen etc. “

Verschillende van die getatoeëerde stukken huid, zijn tijdens het proces gefotografeerd en tentoongesteld, maar onomstotelijk bewijs kon niet gegeven worden, de stukken zijn op onverklaarbare wijze verdwenen, voordat ze echt onderzocht konden worden.
Later werd zelfs ontkend dat het mensenhuid zou zijn, het zou gaan om geitenleer.

Op 15 augustus 1947 hoort Ilse Koch toch haar uitspraak, levenslang. Dat veroorzaakte Duitsland grote maatschappelijke verontwaardiging ook in Amerika ontstond commotie die nog eens werd aangewakkerd door de toen nog onbekende Joseph McCarthy. Hij wilde er ongetwijfeld politiek gewin mee binnen halen. De autoriteiten konden niets anders, dan de kwestie opnieuw te onderzoeken. Een comité van de Amerikaanse senaat presenteerde in oktober 1949 zijn rapport waarin werd vastgesteld dat er geen aannemelijke bewijzen waren voor de aantijgingen met betrekking tot fysieke mishandeling van de verdachten. Die twijfels over de bewijsgaring had tot gevolg dat er geen  doodstraf werd uitgesproken.
Voor Ilse Koch die tot levenslang werd veroordeelt, en niet tot de doodstraf kwam ook mede omdat zij in verwachting was geraakt tijdens haar gevangenschap van een bewaker of medegevangene.
Tot grote verontwaardiging in Amerika, werd levenslang op 8 juni 1948 omgezet in 4 jaar gevangenschap Ilse Koch werd in haar proces afgeschilderd als de personificatie van het kwaad, en dan maar 4 jaar, terwijl in Amerika soldaten gevangen zaten die 20 jaar hadden gekregen omdat zij een officier geslagen hadden. De militaire gouverneur van de Amerikaanse bezettingszone verklaarde: “dat de vermindering van haar straf in overeenstemming was met de beginselen van de Amerikaanse justitie”
Een nieuw onderzoek van een senaatscommissie stelde op 27 december 1948 onomstotelijk vast dat Koch betrokken was geweest bij het vermoorden en mishandelen van honderden gevangenen.
De schuld van deze beestachtige vrouw in specifieke moorden staat onomstotelijk vast”
Desondanks werd zij op 17 oktober 1949 vrijheid gesteld uit Amerikaanse hechtenis.
De Duitse justitie heeft haar echter onmiddellijk in voorarrest vastgezet. De Amerikanen konden haar niet opnieuw berechten, omdat zij nu eenmaal terecht had gestaan en men niet tweemaal voor hetzelfde vergrijp voor een Amerikaanse rechtbank kon verschijnen.
Maar de Duitse justitie had haar zaak nog nooit voor de rechter gebracht. Op 15 januari 1951 werd zij voor de 2e keer tot levenslang veroordeelt vanwege moord op gevangenen in Buchenwald. zij achtte zichzelf nog altijd onschuldig, maar psychiaters stelden tijdens haar voorarrest en proces vast dat zij:“een perverse nymfomane, hysterische, machtsbeluste demon was”.
Op 1 september 1967 pleegde zij in een Beierse gevangenis op bijna 61 jarige leeftijd zelfmoord door verhanging in de vrouwengevangenis van Aichach.
“ik kan niet anders, de dood is de enige verlossing” schrijft ze aan haar zoon die in 1947 in gevangenschap in Aichach geboren was, verwekt door een mede gevangene, en die onmiddellijk werd weggehaald bij zijn moeder. Op 19 jarige leeftijd hoorde deze zoon wie of zijn moeder was, en hij heeft haar regelmatig in de gevangenis in Aichach bezocht.
in 1971 heeft deze zoon postuum rehabilitatie voor zijn moeder gezocht.
De 1e zoon uit het  huwelijk van Karl Otto Koch en Ilse Koch, heeft helaas na de oorlog in 1968 zelfmoord gepleegd, omdat hij niet kon leven met de schaamte van de misdaden van zijn ouders. Een 2e was een dochter. Een 3e kind een meisje, is op jonge leeftijd al overleden, en de vierde was een zoon van Ilse, vader onbekend. Verder had Karl Otto Koch nog een zoon uit zijn 1e huwelijk.

Colofoon: Internet diverse sites
Encyclopedie van de Holocaust
Wegwijzer Gedenkplaats Buchenwald
Bezoek Buchenwald september 2019

Anton G.M.Heijmerikx

Eerbetoon aan Zus Smolders en Johanna Bake voor hun verdiensten tijdens WOII.

Johanna Hendrika Smolders, bij oud Olstenaren beter bekend als zuster Smolders, zij was jarenlang wijkzuster in Olst en omgeving. Zij woonde samen met Johanna Bake.

Eerst in het centrum van Olst, later tijdens WOII in Huize Middel, en tot slot tot haar overlijden aan de Mengeweg te Wesepe.
Tijdens WOII, werd veelvuldig gebruik gemaakt van haar netwerk in Olst, welke door haar beroep was opgebouwd, en van de kennis van de Engelse taal van beide bewoonsters.
Er is regelmatig van hun diensten gebruik gemaakt door omwonenden en de ondergrondse in Olst. Dat was niet zonder risico, als de Duitsers hen hadden gesnapt, dan was hun leven niets meer waard geweest, en zouden zij zeker zijn gefusilleerd na martelende verhoren. Maar zij hadden geluk, hebben toch een aantal inzittenden van geallieerde vliegtuigen die noodgedwongen naar  beneden zijn gekomen kunnen helpen, in samenwerking met leden van de ondergrondse.
Eerbewijzen van president Dwight D.Eisenhower van de Verenigde Staten, en de Air Chief Marshal van het Verenigd Koninkrijk voor beide dames zijn het bewijs.

Johanna Bartha Henriette Bake is geboren op 30 nov. 1885 te Amsterdam als dochter van William John Herman Bake en Johanna Bartha van den Berg, zij is overleden op 16 april 1956 te Wesepe terwijl het onbekend is waar en of zij begraven is.
Johanna Hendrika Smolders is geboren op 3 juni 1889 te Harderwijk als dochter van Johannes Petrus Smolders en Catharina Pieternella van Zwet, zij is overleden op 22 februari 1961 te Wesepe, en is ook aldaar begraven. Haar graf is vanaf die tijd naamloos gebleven, maar gezien haar werkzaamheden tijdens WOII, maar ook als wijkzuster in Olst, is het tijd om haar niet te vergeten, en is er onlangs een klein tekstmonumentje geplaatst die herinnerd aan haar verdiensten en de plek van haar laatste rustplaats.

“Want als hun naam nergens meer te lezen staat, zijn zij vergeten”

 

Bombardementen op stedelijke agglomeraties tijdens WOII.

Dergelijke bombardementen werden uitgevoerd door de Britten in Irak, door Frankrijk in Syrië, door Italië en Spanje in Afrika en door Japan in China.
Als eerste tapijtbombardement in Europa wordt het bombardement op Guernica gezien, dat op 26 april 1937 plaatsvond tijdens de Spaanse burgeroorlog. Het waren de Duitsers, die dat bombardement uitvoerden op Guernica (Spanje) tijdens de wekelijkse markt door het Condor Legioen. Volgens Baskische bronnen vielen er 1654 doden en 889 gewonden, latere onderzoekers kwamen tot tussen 3 en 800 doden.
En op Wielún 1939 (Polen) waar WOII begon op 1 september 1939, 15 km van de Duitse grens zonder oorlogsverklaring, en waarbij ca 1.300 inwoners de dood vonden. En ook Rotterdam wat gebombardeerd werd op 14 mei 1940 om ca. 13.30 uur en waarbij naar schatting tussen 650 en 900 burgers omkwamen en 80.000 mensen dakloos werden.
Vervolgens tijdens de slag om Engeland (1940-’41) waarbij talloze bommen neerdaalde op Engelse steden als Londen, Bristol, Birmingham, Liverpool en Coventry, waarbij meer dan 25.000 mensen hoofdzakelijk onschuldige burgers het leven lieten. Ook later (1944-’45) door aanvallen met V1 en V2 hoofdzakelijk op Londen en Antwerpen lieten nog eens ruim 8.000 burgerslachtoffers het leven.
Het antwoord was dat er bombardementen op Duitse steden plaatsvonden.
In 1940 was Berlijn al eens doelwit, het aantal slachtoffers was gering, van precisie bombardementen was toen nog geen sprake, bommen kwamen neer in een cirkel van ruim 8 km rond het doel.
Vaak was na zo’n bombardement niet duidelijk, wat het eigenlijke doel had moeten zijn.
In mei 1942 vond opnieuw een bombardement plaats en wel op de stad Keulen onder de codenaam “Operation Millennium”, het aantal slachtoffers was minder dan 500 inwoners, en om die reden, werden ingenieurs ingezet, om bommen beter en met meer efficiency  hun werk te laten doen.
Het was Arthur Harris die belast was met de uitvoering van de Engelse bombardementen, zijn bijnaam was “Bomber Harris”.
De gevolgen van die verbeteringen waren succesvol, in de nacht van 24-25 juni 1943 tijdens de “Operation Gomorra”, een verwijzing vaar de bijbel met de vernietiging van Sodom en Gomorra, en vervolgens in de nacht van 27-28  juni, en in de nacht van 29-30 juni vlogen de Engelsen met steeds 800 bommenwerpers naar de miljoenenstad Hamburg, de gevolgen waren voor de Engelsen succesvol, maar voor de burgers van Hamburg desastreus. Rond de 43.000 doden en nog eens ca 37.000 gewonden met vaak zware brandwonden waren het gevolg, en een miljoenenstad in puin en op de vlucht.
De vraag was toen, en nog steeds waarom een bommentapijt met zoveel burgerslachtoffers, en in verhouding weinig militaire doelen.
Een reden was wraak dat speelde zeker mee in die beslissingen, Londen Birmingham, Coventry Engelse steden waren in het begin van WOII bestookt met ca 18.000 ton aan Duitse bommen met vele 10.000 duizenden doden en gewonden, en ook andere steden zoals Rotterdam, Warschau enz.
Een tweede reden was, dat het Engels leger uit onmacht ’s nachts bombardeerden, en precisie ’s nachts helemaal te wensen overliet. Een op drie bommen kwamen binnen een straal van 8 km in de buurt van het doel wat men voor ogen had, en omdat overdag het te gevaarlijk was om boven Duitsland te vliegen. En tapijtbombardementen waren nu eenmaal gemakkelijker uit te voeren met helaas ernstige gevolgen voor burgers.
Een derde reden was ongetwijfeld, dat het Engelse leger niet groot genoeg was voor een invasie op het vasteland van Europa, en tapijtbombardementen op Duitse steden waren bedoeld om de wil van bevolking te breken, hun steden in as te leggen, huizen en fabrieken te vernielen, ze dakloos en brodeloos te maken om zo het verloop van de oorlog te beïnvloeden. Ondanks weerstand, en of het effect de middelen toestond, gingen de Engelsen tot aan het einde van WOII er mee door.

De Amerikanen, die inmiddels ook bij WOII betrokken waren, gingen meer uit van precisie bombardementen op oorlogsindustrie en olie industrie gerichte bombardementen. Zij ontwikkelde radarsystemen waarbij de grond onder de vliegtuigen kon worden gescand, waarop de Duitsers weet tegenmaatregelen ontwikkelden. Om radarsystemen te storen, weden door de vliegtuigen aluminium stroken uitgeworpen zodat op de radarschermen duizenden stipjes te zien waren, en vliegtuigen vrijwel onzichtbaar waren, en hun werk konden uitvoeren.
Deze aluminium stroken waren het succes voor de Britten bij hun aanval op Hamburg, tevens waren de ingenieurs er in geslaagd om een beter systeem voor bombardementen te ontwikkelen.
Met “blockbusters” van 4000 pond, die ontploften voordat ze de grond raakten, bliezen ze da daken van de huizen af, en belemmerden zo ook de hulpdiensten door de obstakels, en vervolgens maakten een regen aan brandbommen het karwei af, de gevolgen waren verschrikkelijk.
De luchtaanvallen op Hamburg golden als de dodelijkste tijdens WOII, dodelijker dan de aanval op Dresden in februari 1945, terwijl die veel meer bekend is, dat komt mogelijk omdat die aanval als een oorlogsmisdaad is gezien, omdat Duitsland op dat moment eigenlijk al verslagen was.
De vliegers van het Bomber Command kregen na de oorlog niet dezelfde erkenning als andere leden van de Britse strijdkrachten, Harris verdedigde zich, door te verklaren dat belangrijkere personen dan hemzelf, voor het tapijtbombardement waren, en dat klopt ook wel. Churchil was ook een groot voorstander van deze manier van bombarderen, alhoewel hij na Dresden zich distantieerde en afstand nam. Alhoewel ook de Amerikanen bij het bombarderen van Dresden waren betrokken.
Hamburg en Dresden, beide steden zijn zwaar getroffen door die tapijtbombardementen, maar de hoeveelheid bommen, die tot ontwikkeling kwamen  tot een vuurstorm, die zuurstof wegzoog en mede daardoor snelheden bereikte van boven de 200 km per uur, een temperatuur op sommige plaatsen van 800 graden Celsius, asfalt smolt, mensen die zich daarop bevonden vlogen spontaan in brand, zij die in het water sprongen, verbranden door het kokende water en anderen die geluk hadden om wat kouder water te bereiken, dachten het fosfor die op hun was neergekomen te doven, maar eenmaal weer uit het water brand dat fosfor opnieuw. Schuilkelders die vol liepen door de vluchtende massa, stikten omdat de vuurstorm alle zuurstof wegzoog, of omdat neerstortende gebouwen hen bedolf onder dikke lagen puin.
Her effect van de bombardementen is moeilijk te meten, zeker is in elk geval wel, dat Duitsland meer hinder ondervond van het bombarderen van hun infrastructuur, olie industrie, wapenfabrieken, dan van de bommen op de steden.
Jammer is het wel, dat het bombarderen van concentratiekampen, of hun spoorlijnen richting die kampen nimmer is uitgevoerd. Als reden werd gegeven dat men die vliegtuigen nodig had voor andere te bombarderen doelen, en dat dan onschuldigen in de kampen konden omkomen bij een eventueel bombardement. Ironisch is dan wel, dat gevangenen in Auschwitz de Amerikaanse bommen konden horen vallen op de Buna fabrieken op enkele kilometers afstand van het kamp Auschwitz, terwijl de geallieerden al lang wisten wat zich daar en in andere concentratiekampen afspeelde.

Na de oorlog, zijn verschillende kerken die als ruïnes deels zijn blijven staan ingericht als een blijvend monument en aandenken, dat het besef wakker houd aan de oorlog die zoveel ellende en leed onder de burgerbevolking heeft gebracht.
In Duitsland in Berlijn de Gedachteniskirche, in Hamburg de Nicolaikirche, in Dresden de Frauenkirsche waar men na de val van de muur in 1989, pas in 1994 begon met de restauratie en wederopbouw.
In Nederland de Laurenskerk te Rotterdam die in de meidagen tijdens Duits bombardement zwaar beschadigd werd, en waar toen stemmen opgingen om het verder maar afte breken, maar Hitler zelf verbood afbraak, “Auf Befehl des Führers unter Kunstschutz gestellt”, in 1952 legde koningin Juliana de eerste steen voor de restauratie, die pas in 1968 werd voltooid.
In Engeland, waar de kathedraal van Coventry zwaar werd beschadigd op 14 november 1940. De toren, een torenspits en de buitenmuur bleven staan, ook een graftombe van de eerste bisschop van Coventry bleef gespaard, verder was het totale dak en het binnenste van de kathedraal totaal verwoest.
Naast de ruïne werd een nieuwe kerk gebouwd, koningin Elisabeth legde de eerste steen op 23 maart 1956, die in mei 1962 werd ingewijd. Oud en nieuw, kregen te samen de status van “Grade I Listed Building”.
Coventry heeft als teken van verzoening, van 3 spijkers uit de verwoeste kathedraal een kruis gemaakt en geschonken aan de Gedachteniskirsche in Berlijn. Deze zogenaamde Coventry kruizen zijn overigens in veel meer kerken te zien, waar zwaar gevochten is tijdens WOII.

Momenteel 27 juli 2018 is het 75 jaar geleden, dat de bombardementen op Hamburg plaatsvonden, De Nicolaikirsche is een blijvend aandenken aan deze verschrikkelijke bombardementen, waarbij zovelen zijn omgekomen of voor hun leven verminkt. Stilstaan, in de hoop dat zoiets zich niet meer zal herhalen, is nog steeds een utopie, maar blijven hopen mag.
Colofoon: eigen archief, en diverse internetsites.
Anton Heijmerikx.

Het naamloze graf nr. 1123 heeft na 72 jaar eindelijk zijn naam.

Het was een beschieting door een Engelse bommenwerper op 6 februari 1945, die samen met nog 6 andere bommenwerpers in Overijssel op zoek waren naar transporten en lanceerinrichtingen van V1 en V2 raketten. Een hunner zag op de dijk bij Wijhe een grote vrachtauto richting Zwolle rijden. De bemanning besloot om het aan te vallen, en beschoot in enkele duikvluchten de vrachtauto van voren als wel van achteren.
De gevolgen waren enorm, het was een der laatste transporten van Joodse gevangenen richting Westerbork. Bij die aanval zijn 7 hunner onmiddellijk dodelijk getroffen, 1 persoon Willy Polak 31 jr. overleed even later bij de fam. Witholt waar hij zwaar gewond naar binnen was gebracht. Hij werd later te Wijhe begraven.
Op weg naar het ziekenhuis in Zwolle, overleden nog eens 3 personen aan hun verwondingen, Mozes Duis 50 jr, Benedictus Furth 55 jr, Samuel Kool 59 jr. Diezelfde dag stierven in het ziekenhuis nog eens 2 zwaargewonden, Simon de Vries 51 jr. Isidoor Polk 36 jr. en op 7 maart bezweek Rachel Leisen 27 jr. alsnog aan haar verwondingen.
Andere gewonden, zeker 5 personen, waaronder 2 kinderen, werden na behandeling in Zwolle naar een noodhospitaal gebracht. En na genezing ontslagen.
Een reconstructie van het voorval leerde dat er minstens 40 personen in de vrachtauto moeten hebben gezeten. De meesten zaten gevangen in de Amsterdamse Schouwburg en zijn van daaruit op transport gezet naar Westerbork. Ook onder de Grüne Polizei die het transport begeleidde zijn doden en gewonden gevallen, maar een juist aantal is niet bekend.
Voor het vervoer van de gewonde Joden was men aangewezen op paard en wagen. Anderen al dan niet gewond namen de kans waar om te vluchten. Ze probeerden zo snel als mogelijk een veilige plek te zoeken.
Een hunner, naar later bleek Johanna Kapp, was gewond aan haar been en schouder. Zij werd gevonden in het weiland van landbouwer Drosten aan de Zandwetering.
Riek Drosten begeleidde haar op weg naar een veilige plek. Ze kwamen via de Gelder en de Hamelweg bij landbouwer Hoogeland nabij Langeveldslo, die haar met paard en wagen naar het evacuatiegebouw in Raalte bracht. Van daaruit werd ze opgenomen in het Raalter ziekenhuis.
Daar is zij ca. 14 dagen verpleegd en verzorgd en had daar veelvuldig contact met Willem Albers van het plaatselijk verzet. Aan hem vertelde zij dat haar man was ondergedoken in Wageningen en zij graag wilde dat hij naar Raalte kwam. Haar werd ontraden om contact met haar man te zoeken. Men vond dat te gevaarlijk, maar desondanks kwam hij, Martijn Schatz, toch onverwachts in Raalte aan. Samen doken zij onder, via bemiddeling van het verzet in Raalte, op de boerderij van de fam. Rechterschot aan de Schoonhetenseweg waar zij overigens de beschikking kregen over een eigen slaapkamer. Op die boerderij waren overigens meerdere onderduikers, die vaak ’s avonds gezamenlijk in de keuken elkaars gezelschap zochten. Bij onraad zochten zij allen een plek in een schuilhut verborgen in een nabij gelegen bos, ondergronds en verstevigd met balken, takken, mos, gras- en heideplaggen.
De fam. Rechterschot had natuurlijk wel een vermoeden dat er Joodse onderduikers bij zouden kunnen zitten, maar wisten niet alles van hun tijdelijke inwoners.
De kinderen Rechterschot hebben goede herinneringen aan die tijd. Ze hadden een goed contact met o.a. Johanna Kapp, die vaak met de kinderen bezig was.
Maar Johanna Kapp werd ziek, zij kreeg difterie, een erg besmettelijke ziekte.
Dr. Van der Werf uit Raalte is nog bij haar geweest, maar kon ook niets meer voor haar doen.
Zij overleed op 29 maart 1945.
Martijn Schatz vroeg aan vader Rechterschot of hij samen met hem wilden bidden, bij en voor zijn vrouw. Toen wist hij zeker dat het Joden waren; hij vertelde: Martijn zette zijn petje op en ik deed mijn pet af.
Na de oorlog heeft Martijn Schatz een boom laten planten in het Westerweelwoud op de helling van de Israëlische berg Efraïm in Galilei, uit dankbaarheid voor de hulp van de familie Rechterschot ontvangen.
Maar toen had men een probleem, hoe kon je zonder problemen op een nette manier van een overleden Joodse onderduikster afkomen.
In het geheim werd zij op een platte wagen afgevoerd naar de algemene begraafplaats in Raalte en begraven in graf nr. 1132 (zie artikel in de Stentor van 17 april 2007). Het Raalter verzet heeft hier ongetwijfeld een rol in gespeeld. Anno 2017 was het nog steeds naamloos aanwezig. Bij haar graf stond enkel het nummer 1132. Maar daar is nu verandering in gekomen, sinds half juli staat haar naam nu op haar graf aan de Westdorplaan in Raalte.
De volgende dag doet Cornelis Evert Jan Peet (lid van het Raalter verzet) hoofd ener school aangifte van het overlijden van de Jong, Johanna oud twee en dertig jaren, zonder beroep, geboren te Worms, Duitsland, wonende te Renkum, echtgenote van Bledgen, Martijn, dochter van de Jong, Johan en van Kapp, Hendrika, beiden overleden, alles onder valse verzonnen namen om de Joodse identiteit te verzwijgen.
In 1953 werd een akte opgemaakt bij de Zutphense Arrondissement Rechtbank, waarin door getuigen werd verklaard dat de aangegeven Johanna de Jong in werkelijkheid Johanna Kapp was, geboren op 12-12-1912 te Worms Duitsland, dochter van Moritz Kapp veehandelaar en Selma Sara Marx.
In die opgemaakte akte staat ook dat zij te Amsterdam gehuwd is met Martijn Schatz op 13 augustus 1941 en zij eerder gehuwd geweest is met Martijn Spitz welk huwelijk ontbonden is.
Het 1e huwelijk was een schijnhuwelijk, om zodoende de Nederlandse nationaliteit te verkrijgen.
Johanna Schatz-Kapp is dus op gegeven moment opgepakt, haar man en schoonmoeder niet. Waarom zij wel en de andere familieleden niet, geven de archieven niet prijs, werd op transport gezet naar Westerbork, waar zij dus zoals hierboven omschreven nimmer is aangekomen.
Anton Heijmerikx.

De moord op 1500 Joodse vrouwen in Grodno.

Het geheim van Baron Evert Roderich Arndt Johann von Freytag-Loringhoven.

Simon Wiesenthal, zat gevangen in 1943 in een buitenkamp van het concentratiekamp Lvov Galicië in Polen, nu Rusland, als leden van de ondergrondse hem in zijn hut bij de spoorwegwerkplaats, een Joodse jongen van ca 15 jaar binnensmokkelen. Olek zo werd hij genoemd, was de enige overlevende van de zuivering van de nazi’s van de stad Chodorov in Galicie. Een niet joodse buurman had hem achter een berg steenkolen verstopt, en zo was hij de enige overlevende van de drieduizend mannen, vrouwen en kinderen. Hij was bang, verschrikkelijk bang. Zijn blauwe ogen stonden wijd open van angst had rood haar en was lijkbleek. De ondergrondse had hem valse papieren bezorgd maar konden verder niets voor hem doen. Simon Wiesenthal hield hem een paar dagen verstopt, maar dat was voor beiden natuurlijk erg gevaarlijk. Wiesenthal sprak een bedrijfsleider van een bouwonderneming, en vroeg of hij geen plek had voor een Poolse weesjongen die zijn beide ouders verloren had, en de Poolse bedrijfsleider wilde zich wel over hem ontfermen, zodat Olek als leerjongen aan het werk kon, en  mocht eten in de kantine en ook daar een slaapplek mocht inrichten. Hij had een opdracht meegekregen, vertel nooit dat je een Jood bent, zelfs niet aan andere Joden als je doe tegenkomt, en vooral geen vrienden zoeken onder andere Joden, dat heeft hij beloofd en volgehouden zolang als de oorlog heeft geduurd. Olek overleefde de oorlog, evenals Simon Wiesenthal, zij zagen elkaar in 1946 terug in Linz, hij was uit Polen naar Linz gekomen, en wachtte op een illegaal transport waarmee hij naar Israël wilde.

Als Simon Wiesenthal drie jaar later ook in Israël is, om een lezingen te houden, vernam hij waar Olek woonde, en bezocht hem in een kibboets van voormalige Warschau strijders ca. 30 km ten noorden van Haifa. Hij is getrouwd, en heeft 2 kinderen en zijn oude naam weer aangenomen Jitzack Sternberg. Sindsdien hebben zij altijd contact gehouden.

In 1964 nodigde Jitzack Sternberg, Simon Wiesenthal uit om naar Israël te komen en daar te vertellen over zijn werk als nazispeurder. Na zijn uiteenzetting, wordt Simon Wiesenthal vrijwel onmiddellijk gebeld door Heinz Jacob, die in een naburige kibboets zijn uiteenzetting had meebeluisterd, hij vroeg of hij dadelijk naar hem toe mocht komen.

Heinz Jacob vertelde dat hij al in 1933 met zijn ouders naar Palestina was geëmigreerd, en voor het eerst in 1963 weer in Duitsland was geweest om familiezaken te regelen vanwege gestolen familiebezittingen door de nazi’s.

In de trein naar Berlijn, kwam hij in een coupe te zitten met een gedistingeerd persoon van ca. 60 jaar oud. Zij kwamen aan de praat, en hij stelde zich voor als Evert von Freytag-Loringhoven (geboren 28 maart 1902 Gross-Born Letland). De man verbaasde zich over Heinz Jacob, en vertelde dat hij er niet bepaald als een Jood uitzag, maar hij verheugde zich met hem in gesprek te geraken, en vroeg honderd uit over Israël waar hij nog nooit geweest was, en dat hij vele Joodse mensen kende uit zijn geboortestreek dicht bij Riga. Hij vertelde dat hij was opgegroeid op een feodaal landgoed van zijn familie in Letland. Toen de bolsjewieken in 1919 kwamen, werden alle bezittingen van de grootgrondbezitters onteigend, en vluchtten hij en zijn familie naar Duitsland, waar de familie later in Oost Pruissen door erfenis wederom in het bezit kwamen van twee landgoederen. Hij was het die de landgoederen beheerde nabij Grodno en Mirakowo. En toen kwamen de Russen in 1945 wederom achter hem aan, en zij spraken over zijn vlucht voor de Russen en de vlucht van Heinz Jacob voor de Duitsers.

Evert von Freytag-Loringhoven vertelde dat hij als beheerder van de landgoederen geen ander vak kende, het was gebruikelijk binnen zijn familie, dat de een zoon de landgoederen ging beheren, en de andere broers zich in het leger begaven, zoals ook zijn broer Wessel Oskar Karl Johann Freiherr von Freytag-Loringhoven (geboren 10-11-1899 Gross-Born, Letland, overleden door zelfmoord 26 Juli 1944 in Mauerwald, Pruissen) die officier was in het leger van nazi Duitsland, maar al heel snel gedesillusioneerd werd toen hij zag wat de SS allemaal deed voor en tijdens de oorlog. Hij was het die de springstof leverde voor de moordaanslag op Hitler door de groep rondom graaf von  Stauvenberg op 20 juli 1944 en die jammerlijk mislukte. Hij heeft zelfmoord gepleegd, omdat hij anders wel vermoord was geworden door de nazi’s. Evert werd nadien gearresteerd door de Berlijnse Gestapo en heeft enkele maanden in de gevangenis aan de Alexanderplatz gezeten, en werd door tussenkomst van een vriend een hooggeplaatste nazi vrijgelaten. Na het einde van de oorlog werd hij door de Russen gezocht, en ontkwam doordat een Poolse officier die in concentratiekamp Stutthoff had gezeten hem valse papieren bezorgde, en hij naar Hessen kon vluchten waar zijn zus woonde, en daar beheer ik nu een kleine boerderij, landbouw is het enige wat ik ken.

Evert von Freytad-Loringhoven was zichtbaar aangedaan, en zei tegen Heinz Jacob, ik geloof niet in toeval, ik kom bijna nooit uit mijn huis, ben na de oorlog nog nooit Joden tegengekomen, ik ken de verschrikkingen die de Duitsers de Joden hebben aangedaan, ik heb het met eigen ogen allemaal gezien, ik zag hen onschuldige vrouwen vermoorden en heb tot nu toe er nooit met iemand over gesproken. Maar ik kan en wil mijn geheim niet in mijn graf meenemen. Ik zie nog de Joodse vrouw voor me in mijn nachtmerries, zij werkte op mijn landgoed bij Mirakowo, een zeer beschaafde dame uit Praag, ook de jonge ca. 30 jarige vrouw uit Boedapest die arts was en in een klein schooltje in Grodno een ziekenzaaltje had ingericht. Ik wilde haar helpen te ontsnappen, maar zij weigerde, zij wilde bij haar patiënten blijven. Zij werd tenslotte samen met haar patiënten vermoord. Evert keek naar Heinz Jacob, en zei geef mij uw adres, ik zal u schrijven, ik kan het verhaal nu niet verder vertellen, ik ben daartoe nu niet meer in staat.
En zo zaten in Israel in de kibboets, Simon Wiesenthal, Jitzak Sternberg en Heinz Jacob, welke laatste de brieven van Evert Freytag-Loringhoven aan Simon Wiesenthal overhandigde.

Heinz vertelde dat hij steeds contact met Evert had gehouden, en hem schreef dat hij misschien wel iemand wist die iets met zijn geschreven verhaal kon doen, en noemde de naam van Simon Wiesenthal. Evert was blij verrast, en zei, zie je wel ik wist dat het geen toeval was dat ik u in de trein tegenkwam, en Wiesenthal was ook de naam van een klein kamp waar de ergste dingen gebeurden, dicht bij Thorn. Dus verzocht Evert Freytag-Loringhoven aan Heinz Jacob bij gelegenheid zijn brieven aan Simon Wiesenthal te overhandigen.

En dus las Simon Wiesenthal de brieven van de oude Baron, en was zich ervan bewust dat wanneer Evert en de Jood Heinz Jacob elkaar niet toevallig hadden ontmoet in de trein naar Berlijn, dit geheim mogelijk nimmer bekend was geworden.

In november 1944, komt de trein met 2.800 Joodse vrouwen in veewagons aan op het station van Mirakowo vlak bij de Poolse stad Thorn. De stationschef Zacharek kan zich het transport nog goed herinneren, het was een uitgeputte en verzwakte groep vrouwen die uit de trein kwamen, sommigen meer dan half dood. Hun reis van lang geweest, de meesten kwamen uit Hongarije, anderen uit Polen, Tsjechoslowakeije, Roemenie, Nederland, Frankrijk en Oostenrijk. Velen hadden al meerdere concentratiekampen achter de rug in Letland en Litouwen, waren in kleine scheepjes over de Baltische zee gekomen en daarna naar concentratiekamp Stutthoff, en vervolgens naar Mirakowo. Daarna werden zij naar het landgoed bij Grodno gedreven wat eigendom was van Evert Baron Freytag-Loringhoven.
Hij verklaarde in zijn brieven en ook later aan de medewerkers van Simon Wiesenthal: “Van Grodno werden de vrouwen  naar vier werkkampen gebracht, Malvern bij Strassburg, Grodno en Wiesenthal beiden bij Thorn en Shirokopas bij Kulm. Leider van dat transport was SS Obersturmfuhrer Ehle. De vrouwen moesten in Grodno antitankgrachten graven en woonden in tenten, achtergelaten door de Hitlerjugend die een begin hadden gemaakt met het graven van de antitankgrachten. Ca 135 vrouwen moesten op het landgoed van de baron aan het werk, in de stallen en helpen bij het aardappelen rooien. De meeste vrouwen hadden vrijwel geen kleren meer aan toen ze aankwamen, velen bedekten zich met oude militaire dekens, die zij over de schouders sloegen en anderen over hun middel knoopten, Zij hadden zo’n honger, dat zij zich bij het zien van bladeren aan de suikerbieten zich daarop storten en die opaten. Anderen waren te zwak, en niet in staat naar die suikerbietenbladeren te gaan, en werden ter plekke doodgeknuppeld met een knuppel op de nekwervels. Ss commandant Ehle vertelde later aan de baron, dit is de enige manier waarbij men later bij een postmortem onderzoek ooit de doodsoorzaak zal uitwijzen. De vrouwen werden vermoord op een klein schiereilandje in het meer van Grodno. Ze werden door andere vrouwen in een massagraf gegooid, en op hun beurt werden later die vrouwen ook doodgeknuppeld, om levende bewijzen ook op te ruimen. Elke dag werden er wel tussen 8-20 vrouwen op deze wijze vermoord.

De Baron verteld verschrikkingen die begaan zijn in een lang verhaal, een vrouw werd gedwongen uren op de dichtgevroren rivier te knielen, net zolang dat haar knieën vastgevroren waren aan het ijs.

De bewakers waren Duitsers en Oekraïners, het grootste uitschot welk hij ooit gezien had, zij sloegen om niets de vrouwen met de kolven van de geweren, kwam een vrouw te laat naar het idee van de bewakers, bedachten zij allerlei sadistische straffen, die niet zelden tot de dood leiden.

Sommige vrouwen vertoonden grote heldenmoed, zoals de dokter die hulp van de Baron weigerde, en wist dat zij daardoor haar eigen doodvonnis tekende.

Baron Freytag-Loringhoven, had twee van die vrouwen in zijn huis verborgen, een naaister uit Boedapest en een vrouw uit Praag. Zijn Poolse voorman verborg een 19 jarig Joods meisje uit uit Lódz. Er werkten 10 vrouwen in de stallen om het vee te verzorgen, en de baron zorgde ervoor dat zij melk en aardappels kregen, hoewel hij wist dat Ehle dat ten strengste verboden had. Een Joodse gevangen vrouw uit de omgeving van Praag bezorgde de baron een lijst van ca. 500 gevangen vrouwen, maar toen hij later in Polen onder een valse naam woonde kreeg hij bezoek van een Russische militair die hem de lijst afhandig maakte, en verscheurde die.
Kort voordat de Russen kwamen, op 16 of 17 februari 1945 werden 118 vrouwen vermoord en verdwenen in de massagraven. Een der vrouwen kreeg kort daarvoor een baby, die de baron met behulp van twee zijner arbeiders geprobeerd heeft te redden, maar Ehle vond moeder en kind, en voor de ogen van Evert Freytag-Loringhoven vermoorde hij moeder en kind.”
Op 18 januari 1945 werden de overgebleven vrouwen weggevoerd naar Dantzig, en volgens de geruchten zouden zij in zee gedreven zijn en verdronken.

Verschrikkelijke verhalen las Simon Wiesenthal in de kibboets in Israël, verhalen waarvan hij het bestaan niet wist.
Terug in Oostenrijk stuurt Wiesenthal een zijner medewerkers naar Evert Freytag-Loringhoven om te horen, of hij getuigen wil als het tot een rechtszaak zou komen, dat was geen enkel probleem, en stemde toe te getuigen van hetgeen hij wist en met eigen ogen had gezien.
Maar alvorens verder te werken aan de voorbereidingen van zo’n proces, werd eerst inlichtingen ingewonnen bij het Joods Historisch Instituut in Warschau, alsook aan de Israëlische politie en aan de Israëlische experts inzake nazi misdaden begaan tijdens WOII, maar al deze instanties hadden nimmer gehoord van de massamoord op ca. 1500 vrouwen in Grodno.
Omdat de vrouwen afkomstig waren uit concentratiekamp Stutthoff, werden de bewakerslijsten van dat kamp nagekeken, en SS Obersturmfuhrer Paul Ehle kwam op die lijsten voor. Bij verder onderzoek bleek, dat Paul Ehle woonachtig was in Kiel waar hij als mecanicien werkzaam was. Volgens de officier van justitie Rückerl die deze zaak behartigde, zouden de brieven enkel als informatie beschouwd worden, en moest er eerst een beëdigde verklaring van de baron komen om deze zaak niet als verjaard te beschouwen door de rechtbank. Enkele weken later verklaart Evert von Freyrag-Loringhoven onder ede dat alles wat hij geschreven heeft de waarheid en niets anders dan de waarheid bevat. Daarna is Paul Ehle gearresteerd, hij doet geen enkele poging om zijn misdaden te ontkennen, hij zou zeker zijn veroordeeld, ware het niet dat hij in september 1965 plotseling in zijn cel is overleden. In november 1965 vinden de Poolse autoriteiten het massagraf op het kleine schiereiland in het meer van Grodno, welke door Evert Baron Freytag-Loringhoven is beschreven.

Colofoon:
Moordenaars onder ons – Simon Wiesenthal
diverse internetsites

 

 

Alle namen van slachtoffers t.g.v. WOII in of uit Olst-Wijhe

Alle namen van slachtoffers t.g.v. WOII in of uit Olst-Wijhe

Zoals u hebt kunnen lezen in de diverse media, maar ook al tijdens de toespraak van burgemeester Strien op 4 mei 2016, is er een burgerinitiatief gestart om alle slachtoffers in of uit Olst en Wijhe van of door WOII, hun naam zichtbaar te maken bij de oorlogsmonumenten in Olst en in Wijhe. Omdat de procedure zorgvuldig moet gebeuren, staan hierbij alle namen van de slachtoffers die tot heden gevonden zijn, en die geboren zijn in Olst-Wijhe en elders omgekomen of zij die elders geboren maar in Olst-Wijhe zijn omgekomen.
Mocht u namen tegenkomen waartegen u bezwaar maakt, of personen mist in de lijst, dan verzoeken wij u dat kenbaar te maken, vermeld wel uw naam en reden van bezwaar, anoniem nemen wij het bezwaar niet in behandeling evenals zonder een genoemde reden. Ook het noemen van een ontbrekende naam, met uw naam en reden waarom hij of zij op de lijst plaats hoort. Er zal dan onderzoek gedaan worden, en zal ook contact opgenomen worden met de bezwaarmaker en ook met de persoon die een nieuwe naam aanbrengt.
Bezwaren en aanvullingen kunt u sturen naar e-mail: anton@heijmerikx.nl

Burger slachtoffers in Olst

of afkomstig uit Olst.

Akkersdijk, Lambertus Hendrikus

Alberts, Marinus Johannes

Bijsterveld, Maria

Brand, Jacob

Diestelhof, Gerhard

Dijk, Berend van

Drost, Hendrik
Edelijn, Jan

Everts, Gerrit Jan

Haan, Sijtske de.

Haanstra, Johannes

Hoogland, Johannes Wilhelmus

Immerzeel, Leendert Gerrit

Jansen, Gerrit

Jonkman, Marinus.

Laar-Brand, Derkjen van

Logtenberg, Antonius Martinus

Lokhorst-Nijenhuis, Hendrika

Nieuwenhuis, Hendrik

Nijland, Gerrit Dorus

Rutgers, Hendrik Jan

Schamhart, Hendrikus Albertus Johan H.

Schoemaker, Aert Willem

Severs, Johannes

Stork-Pijnappel Bertha Christina

Terpstra, Ds.Klaas

Tölke, Werner Wilhelm

Veldman, Hendrikus Johannes

Weerd, Willem Hendrik de

Wichers, Johannes

Wijnhoud, Antonij

Zeën, Edo Johannes

 

Geallieerde militairen gevallen in Olst.

Agar B.W.

Barker G.G.

Boyd P.D.

Fry J.R.

Hall S.N.

Hill R.T.

Langley J.B.

Lawry G.W.

Macdonald, H.T.

Ransome L.H.

Roche A.F.

Ross J.B.

Sage T.E.

Whittenbury M.T.

Wolloshin G.

 

Joodse slachtoffers geboren in Olst,

elders weggevoerd en vermoord.

Anholt, Eduard

Leeuw, Barend de

Leve-Zendijk, Marianna Rozetta de

Matteman-Rozeband, Heintje

Mogendorff-Zendijk, Marianne

Philips-Zendijk, Rozette Saartje

Rozebrand, Clara

Rozeband, Joseph

Rozeband, Mietje

Rozeband, Mozes

Rozeband, Reintje

Zendijk Amon Mozes

Zendijk, Aron Mozes

Zendijk, Hirsch Aron

Zendijk, Mozes Aron

Zendijk, Joseph Aron

Zendijk, Max

 

Omgekomen militairen gevallen in,

of afkomstig uit Olst

Bongers, Hendrik Jan

Geerts, Aaldert

Heijink, Berend Jan

Jonker, Herman

Kappert, Gerrit Jan

Limburg Stirum, Carel Everhard van

Nieuwenhuis, Cornelis Bernardus Johannes

Nijland, Geerlig

Slijkhuis, Jannes

Veerman Egbert

 

Burger slachtoffers omgekomen in,

of afkomstig uit Wijhe

Berendijk, Gerrit Hendrik
Broekhuis, Gerrit Jan

Bruggen, Jan van
Docter, Gerrit Jan
Duren, Albert van,
Duren, Hendrik van,
Hal, Gerritje van
Heuver, Anton
Hulleman, Gerrit
Hulleman, Hermina Alberta
Klink, Hermanus Everhardus
Nieuwenhoven, Jannes van
Pruis, Gezienus
Roelofs Peter
Schoenaker, Reinerus Johannes
Stoker, Sjoerd
Teunis, Johan Gerrit
Willemsen, Berend
Zwartjens, Theodora Hendrika

 

Geallieerde militairen gevallen in Wijhe.

Anderson, Hugh Henry,

Broad, Frederick Heath,

Hardy, John Eward Cecil,

Weir, Graeme Robert Eric,

 

Joodse slachtoffers, weggevoerd uit Wijhe
vermoord in Auschwitz

Aussen, Jacob

Aussen-Winter, Klara

Aussen, Anna Sophia

Aussen, Herta

 

 

Joodse slachtoffers t.g.v. Beschieting
6-2-1945 op de Dijk, Wijhe

Duis, Mozes

Furth, Benedictus

Kool, Samuel

Leisen, Rachel

Polak, Willy

Polk, Isidoor

Vries, Simon de

 

Joodse slachtoffers, geb. Wijhe,

elders weggevoerd en vermoord

Engers-van de Velde, Betje

Gosschalk, Jacob

Leeuwe de-de Wied, Betje

Polak, Berend

Polak, David

Polak Jacob

Wied, Herman de

 

Roma slachtoffer, geb. Wijhe,

elders weggevoerd en vermoord

Petalo, Surka

 

Omgekomen militairen,

afkomstig uit Wijhe

Boer, Lambertus de.

Bonnet, Herman

Bouten, Gerrit

Bruins, Willem Arnoldus

Dijk, Jan Willem

Hendriks, Karel

Hofstede, Jan Willem

Hoppe, Gerrit Adolf Hermen
Hove, Anton ten
Janssen, Martinus Johannes Pieter

Kleinherenbrink, Gerhardus Johannes

Kops Hagedoorn, Roelof

 

Ontploffing munitieopslag,

Wijhe 7 mei 1945.

Bend, Gerrit van der

Boers, Aleid Wilhelm

Boers, Jan,

Dekker, Janna Hendrikje

Enst, Helena Gerridina van

Jong, Ronald Herman de

Jong, Victor (Vicky) de

Kupper, Hendrika Everdina Christina

Kutschruiter, Hermanus Petrus

Linde, Gerrit Jan van der

Linsen, Antoon

Marskamp, Hermanna

Meijer, Jacob

Schoenaker, Hermanus Johannes

Smit, Hendrik de

Thoben, Johanna Maria Theresia

Ullenbroek, Jan Hendrik

Vos, Maria Josepha

Zweers, Roelof

 

 

 

Helpt u helpen.

Tijdens WOII, zijn in Olst en Wijhe veel slachtoffers gevallen.
Van al deze slachtoffers zijn weinig namen terug te vinden.
Wij willen met uw hulp deze namen openbaar maken bij de bestaande oorlogsmonumenten

in Wijhe en in Olst. Om het project te financieren, vragen wij u om een naam te sponsoren
met een bedrag van € 15,-.
Als beloning krijgt u daarvoor eind april 2017 een boekje van ca. 70 pagina’s waarin al

die namen staan, en tevens enkele gebeurtenissen waarbij en waardoor zij zijn omgekomen.
Want als men nergens de namen van de slachtoffers kan lezen, zijn zij vergeten.
Het zou en de inwoners van Wijhe en van Olst onwaardig zijn als hun namen voor de huidige en toekomstige generaties onzichtbaar zouden blijven.
U kunt € 15,- over maken op rekening nr.  NL 47 RABO 0373054807 t.n.v. Hist.Ver.Wijhe

onder vermelding oorlogsmonument, en uw adres.

Dit burgerinitiatief is door mij ondergetekende ontstaan, en onderstaande partijen omarmen het idee.
4 mei comité Olst, Historische Vereniging Wijhe, Olster Erfgoed, Verenigd comité Wijhe,
Toerist Info Olst/Wijhe, Ondernemersvereniging Gastvrij Wijhe, Burgerbelang Wijhe.

Het is natuurlijk lastig om alle inwoners en of oud inwoners van Olst en Wijhe, alsmede nabestaanden die naar elders zijn vertrokken, om die te benaderen, vandaar dit bericht. En al is er maar een die gehoor geeft, dan is dat welkom. Ook mag u namen doorgeven van oorlogsslachtoffers die uit of in Olst en of Wijhe zijn omgekomen, wel met enige toelichting s.v.p.

Tot slot, uw sponsoring zal met naam genoemd worden in het dan te verschijnen boekje, dat u toegezonden zal worden.
Ook zullen de eventueel overgebleven financiële bijdragen, ter beschikking worden gesteld aan een goed sociaal doel in de gemeente Olst-Wijhe.

Alvast dank voor uw eventuele medewerking.
Met vriendelijke groet Anton Heijmerikx

 

 

Hedwig Höss-Hensel de vrouw van de kampcommandant en haar rol in Auschwitz.

Hedwig Höss-Hensel de vrouw van de kampcommandant en haar rol in Auschwitz.

 

In de Pakketstelle, de plek in Auschwitz waar de pakketten binnenkwamen bedoelt voor de gevangenen, gebeurde er nog al eens wat vreemde zaken. De pakketten van het Rode Kruis kwamen daarbinnen, maar ook pakketten vanuit vele landen waarvan de meeste uit Tsjechoslowakije. Familieleden vandaar namen aan dat hun familieleden in Auschwitz, Auschwitz-Birkenau of in een der buitenkampen gevangen zaten. Er stond dan simpel op genoteerd om die pakketten dan aan de desbetreffende persoon af te geven. Als die nog leefde, kreeg die het in de regel ook wel, was hij niet aanwezig of al overleden, dan verzuimde men de familie daarover in te lichten, en de pakketten bleven dan gewoon binnenkomen. Door ingewikkelde regels door de SS zelf opgesteld, was het niet eenvoudig om die pakketten zomaar mee te nemen, gek genoeg waren de SS’ers afhankelijk van de aldaar tewerkgestelde zogenaamde prominente gevangenen. Die pakketten waren zeer gewild, zelfs voor de meest wel doorvoede SS’ers.  De inhoud bestond veelal uit eigen gebakken brood, die wekenlang goed bleef, chocolade, cake, eigengemaakte marmelade, honing enz. wat meest afkomstig was van de boerenfamilies die trouw hun familieleden van alles stuurden, niet wetende dat het in verkeerde handen viel. Het zijn vooral de SS officieren die ervan hebben geprofiteerd, alhoewel dat niet zomaar openlijk gebeurde, haat, afgunst nijd en corruptie lagen daaraan ten grondslag, men vertrouwde elkaar in het geheel niet. Via slinkse methoden werden de prominente gevangenen waarvan men afhankelijk was, ingeschakeld. Waren die prominente gevangenen niet zo inschikkelijk, dan kon men snel overgeplaatst worden, naar bijvoorbeeld de kolenmijn Janina, en dan stond je lot vrijwel zeker vast.

Maar het meest heeft Frau Höss van de pakketdienst geprofiteerd, ondanks dat haar man de kampcommandant het had verboden dat niemand van de SS zich mocht verrijken of vergrijpen aan de pakketten. Toen haar man die er overigens net zo goed aan meedeed, eind 1943 bevorderd werd en overgeplaatst werd naar Berlijn, waar hij verantwoordelijk werd voor de deportatie van de Hongaarse Joden, bleef zijn vrouw met hun 5 kinderen in de woning direct naast het kamp wonen. Met de ss officieren uit andere kampen, en zelfs uit Berlijn, alsmede met de ingenieurs van IG Farben werden in haar huis enorme eet festijnen gehouden, de fijnste delicatessen, specialiteiten en grote drankvoorraden werden daar gegeten en gedronken afkomstig uit de pakketdienst of Jodentransporten, ondanks het verbod van haar man. Zij beschikte over een grote en uitgebreide staf dienstpersoneel. Uit Auschwitz kwamen 2 Poolse vrije meisjes, een als dienstmeisje en de ander Janina Szczurek, als naaister. Voorts beschikte zij uit minstens 20 gevangenen uit het kamp met allemaal een speciale functie, twee van hen tuinmannen van beroep, verzorgden haar beeldschone tuin met exotische planten en bloemen. De burgerkleren van het gezin inclusief die van haar man, werden door de beste kleermakers uit het dorp Auschwitz gemaakt, de mooiste meubelen, beeldhouwwerken, sieraden werden door gedeporteerde gevangenen gemaakt, het is natuurlijk niet moeilijk te raden waar de ingrediënten zoals goud en diamanten voor die sieraden vandaan kwamen. De gevangenen die in haar villa moesten werken, hadden het overigens ook goed, beter eten, betere kleding en vaak kregen zij sigaretten van Frau Höss, die zij dan weer in het kamp konden ruilen, het kamp waar zij s ’avonds weer naar terugkeerden. Met lorries vol werden de meest luxe goederen en lekkernijen bij de villa afgeleverd. Frau Höss organiseerde o.a. hele stapels ondergoed, zogenaamd voor haar personeel, maar in werkelijkheid stuurde zij het naar haar familie in Duitsland.

Tenslotte werd ook haar het vuur onder de voeten te heet, en vertrok zij eind 1944 uit Auschwitz, en vergat niet, om 4 vrachtwagens vol met geroofde goederen mee te nemen.

Toen zij later door de Amerikanen werd verhoord, verklaarde zij glashard van niets te weten, zij had zich op geen enkele wijze met het werk van haar man bemoeid.

 

Hedwig Höss-Hensel geboren (1908 Neukirch-1989 Arlington op bezoek bij haar dochter) dochter van Ostwald Richard Hensel en Linna Florendine Kremtz. Hedwig had een broer en een zus. Zij huwde op 17 augustus 1929 met Rudolph Höss (25-11-1900 Baden-Baden – 16-4-1947 Auschwitz)

Het echtpaar kreeg 5 kinderen, Ingebrigitt, Klaus, Hans-Rudolf, Heidetraut und Annegret.

Rudolf Höss was een Duitse Nationaalsocialist, SS-Obersturmfuhrer, en van mei 1940-november 1943 kommandant van het Concentratiekamp Auschwitz. Hij werd als oorlogsmisdadiger in 1947 veroordeeld tot de doodstraf doormiddel van de strop, en werd opgehangen in het dan voormalige concentratiekamp Auschwitz naast zijn voormalige villa.

 

De broer van Hedwig Hensel, Hensel Hensel werd nadat hij van het front in het oosten, waar hij als tekenaar en schilder werkzaam was voor het leger, terugkeerde naar Flensburg, heeft hij volgens vermoeden zijn zwager Rudolf Höss hulp geboden om aan arrestatie te ontkomen, en hem een nieuwe identiteit te verschaffen, en hem werk verschafte op een boerderij in Gottruppel. Hijzelf Hensel werd door de Amerikanen gearresteerd, omdat zij dachten dat hij de gezochte Rudolf Höss was, en uiteraard vrijgelaten toen bleek dat hij dat niet was.

Rudolf Höss geboren in een katholiek gezin, en zijn vader de koopman Franz Xaver Höss wilde dat zijn zoon priester zou worden, maar na de dood van zijn vader verliet hij de school al op 15 jarige leeftijd, en melde zich vrijwillig voor de dienst tijdens de 1e wereldoorlog. Hij diende o.a. in Turkije aan het front in Mesopotamië, en later in Palestina vocht hij tegen de Engelse overheersers.

Al op zijn 17e was Rudolf Höss al onderofficier en al onderscheiden met het IJzeren kruis 1 en 2 onderscheiden.

In 1919 sloot hij zich aan bij het Vrijkorps Rossbach en nam deel aan gevechten in Balticum, het Ruhrgebied en Obersilesien.

Walter Kadow de Duitse basisschoolleraar en lid van de rechtse Duitse partij Freiheitspartei werd op 31 mei 1923 vermoord door leden van het consortium Rossbach.

Rudolf Höss was betrokken bij die moord op Walter Kadow op 31 mei 1923, Walter Kadow werd verdacht van het verraden van Albert Leo Slageter aan de Fransen, die hem executeerden. Slageter was militair in WOI, lid van verschillende vrijkorpsen en heeft verschillende springstofaanslagen gepleegd ten tijde van de Franse bezetting van het Ruhrgebied na WOI, hij werd dan ook door de Fransen gezocht, en door verraad kwam hij in Franse handen.

Uit angst om geliquideerd te worden als een der vertrouwelingen gaf Höss zich zelf aan. Hij werd gearresteerd en kreeg 10 jaar gevangenisstraf op 15 maart 1924, maar kwam vervroegd vrij door algemene amnestie op 14 juli 1928. Zijn latere chef Martin Borrmann voor zijn rol op de moord van Walter Kadow kreeg 1 jaar gevangenisstraf.

Na die periode werkte hij als dagloner om zo in zijn onderhoud te voorzien, en was door omstandigheden in die periode suïcidaal. Dat verbeterde, toen hij aanhanger werd van de NSDAP, en daadwerkelijk lid werd onder nummer 3240 in november 1922. Werkte zich toch op als leider bij de landelijke bevolking van Ahlen-Vorheim bij de verschillende Nazi verenigingen, en ontmoette voor het eerst Heinrich Himmler, die Höss bewonderde voor zijn onderdanigheid, organisatievermogen en duidelijkheid.

Op 20 september 1933 wordt Rudolf Höss lid van de SS onder nr.193616, en in 1934 vraagt Heinrich Himmler hem toe te treden tot de Totenkopf SS, en wordt blokleider in Dachau, en vanaf april 1936 rapportführer in Dachau. In augustus 1938 werd hij adjudant van de kampcommandant van Sachsenhausen, en in november 1939 officier met de rang van SS Hauptsturmführer. In november 1940 komt zijn overplaatsing als kampcommandant naar Auschwitz.

Op 1 maart 1941 krijgt Höss van Heinrich Himmler opdracht om Auschwitz-Birkenau uit te bouwen, en in de zomer van 1941 werd hij naar Berlijn geroepen om de boodschap te horen dat Hitler bevolen had om de eindoplossing voor het Jodenvraagstuk uit te voeren. Terug in Auschwitz krijgt Höss bezoek van Adolf Eichmann, die met aantallen aangevoerde Joden komt, die op transport gesteld worden, en stelt onomwonden dat de enige manier om die aantallen te verwerken, en de Joden te vernietigen enkel door gas gedaan kan worden, door gewoon dood te schieten kan men onmogelijk die aantallen halen die verwacht worden. Overigens is dat voor de SS ook een te grote belasting, vanwege de vrouwen en kinderen die ook vernietigd moeten worden. Höss Plaatsvervanger Hauptsturmfuhrer Karl Fritsch, had eigenmachtig Russische krijgsgevangenen laten vergassen met Zyklon B, toen Höss op dienstreis was, en heeft Heinrich Himmler daarvan op de hoogte gesteld.

Karl Fritsch was trots op zijn werkwijze met het gas Zyklon B, en de efficientie daarvan. Hij noemde zichzelf later, de uitvinder van de gaskamers in Auschwitz te zijn.

Rudolf Höss leidden eind 1941-begin 1942 het begin van de massavernietiging der Joden in Auschwitz. Aanvankelijk werden daarvoor twee omgebouwde boerenhuizen gebruikt. Eind 1942 werd met de bouw van vier grote crematoriums met gaskamers begonnen, die in maart 1943 in gebruik werden genomen.

In november 1943 werd de SS generaal Oswald Pohl van het centrale hoofdkwartier geïnformeerd over het concentratiekamp Auschwitz, en Höss werd naar Berlijn geroepen en daar benoemd tot hoofd van bureau D1 in de WVHA (SS-Wirtschafts- und Verwaltungshauptamt) belast met de uitroeiing van de Hongaarse Joden.

 

De reden dat hij naar Berlijn geroepen is, zijn onderzoekingen die gaande zijn over corruptie in verschillende kampen die ongebreidelde vormen aannam, in Majdanek Buchenwal, en zoo werd ook  Auschwitz onderzocht. De SS rechter Konrad Morgen werd belast met de onderzoeken, hij was afgestudeerd in Frankfurt en Den Haag voor Internationaal recht. Aanvankelijk was hij ontslagen bij onderzoeken in Krakau naar hooggeplaatste SS officieren o.a. Hermann Fegelein, een favoriet van Heinrich Himmler en de gedoodverfde toekomstige zwager van Eva Braun. Na verzoeken om vervolging, word Morgen ontslagen door Himmler, zogenaamd voor het vrijspreken van een SS officier van racistische misdaden en van seksuele relaties met een buitenlands ras, maar eerder voor inmenging in Himmlers zaken. Hij werd naar het oostfront gestuurd, maar toch medio 1943 door Himmler teruggeroepen om de corruptie in de kampen aan te pakken. Werden in Majdanek en Buchenwald Hermann Koch en Ilse Koch beschuldigd en bestraft, in Auschwitz kwam aan het licht als voornaamste beschuldiging, dat Höss een verhouding had met een gevangen vrouw Dr.Nora Matteliano-Hodys, die zwanger van Höss was. Zij was in 1939 in Hamm veroordeeld tot 2 ½ jaar gevangenisstraf wegens o.a. hoogverraad en gevangen gezet in Ravensbruck en later overgeplaatst naar Auschwitz, en die in opdracht nadat bekend werd dat zij zwanger was, gevangen gezet werd in een isoleercel. Konrad Morgen die corruptie en verduistering onderzocht, in opdracht van Heinrich Himmler, was ervan overtuigd dat dit door Höss was bevolen, strengere omstandigheden, staand in een cel en weinig of geen eten, om zo haar de dood in te sturen als dekmantel voor zijn escapades. Bij confrontatie in 1944 ontkende Höss in alle toonaarden te hebben geweten van deze detentieomstandigheden.

 

Van mei t/m juli 1944 is Höss weer in Auschwitz Birkenau om de werking van de vernietiging en uitroeiing van de Hongaarse Joden nauwlettend te waarborgen.

Als dan de oorlog ten einde loopt, en de Russen Auschwitz naderen, vlucht Höss via de zogenaamde Rattenlinie Noord naar Flensburg. Zijn vrouw en hun 5 kinderen zijn in St. Michelsdonn ten noorden van Hamburg in Schleswig-Holstein ondergebracht, en Rudolf Höss verkrijgt een nieuwe identiteit onder de naam van Franz Lang van beroep matroos bij de marine en duikt onder op een boerderij in Gottrupel nabij Flensburg ca. 100 km noordelijker, zoals al genoemd.

Daar is hij door Hanns Alexander van het oorlogsmisdadigers team (WCTI) opgespoord en op 11 maart 1946 door de Engelse militaire politie gearresteerd. Bij zijn arrestatie bestreed hij de gezochte Höss te zijn, maar kon aan de hand van zijn trouwring geïdentificeerd worden.

In het Neurenberger hoofdtribunaal, getuigde hij als getuige voor de verdediging van Ernst Kaltenbrunner, en Oswald Pohl.

Op 25 mei 1946 werd Höss uitgeleverd aan Polen, en onder rechter Jan Sehn geplaatst. Hij deed voorkomen dat hij niet begreep, waarom hij voor de rechtbank moest verschijnen, hij had immers enkel de bevelen opgevolgd van zijn superieuren, en volgens hem moesten die terechtstaan en niet hij. Op 2 april 1947 werd Höss door de rechtbank te Warchau ter dood veroordeeld, en 14 dagen later op 16 april 1947 opgehangen in Auschwitz aan de galg die uitzag over het kamp, en direct naast zijn voormalige woonhuis opgesteld stond, en er tot afschrikking heden nog steeds staat.

 

Anton G.M.Heijmerikx

 

Colofoon.

Trompettist in Auschwitz herinnering van Lex van Weren- Dick Walda

Drittes Reich- Atlas Verlag

Wikipedia- verschillende sites

Encyclopedie van de Holocaust- Robert Rozett, Shmuel Spector

Persoonlijk archief- Anton Heijmerikx