Konzentrationslager Herzogenbusch, beter bekend als kamp Vught.

Een van de concentratiekampen die gelegen waren in Nederland tijdens WOII, andere kampen waren Amersfoort, Schoorl, Ommen en Westerbork. Kamp Vught stond rechtstreeks onder de verantwoordelijkheid van de SS in Berlijn.
Het kamp lag enkele kilometers buiten het dorp Vught en was gelegen naast recreatieoord de IJzeren man, dit recreatiegebied ontstond al door zandafgraving al in 1890, en werd genoemd naar de stoommachine van ie naam.
het kamp bezat 36 woon-slaapbarakken, 23 werkbarakken, gevangenis met 150 cellen, ziekenhuis, keuken en een crematorium. In totaal konden ruim 8600 personen hier gevangen gezet worden, maar soms waren het er beduidend meer. Het bouwen van het kamp van 1000 mtr. lengte en 350 mtr. breed heeft ca 15 miljoen gulden gekost, welk bedrag afkomstig was van geroofd Joods geld.

Kampcommandanten

 De 1e kampcommandant was Karl Walter Chmielewski,(geboren 16-7-1903 Frankfurth am Mein overleden 1-12-1991 Bernau am Chiemsee) Hij was kampcommandant van januari 1943 tot oktober 1943 hij werd vervangen na klachten over zijn losbandig leven, seksfeestjes en uitgebreide corruptie en o.a. het verduisteren van gelden, Hij zou ook Philips producten in kamp Vught gemaakt op de zwarte markt in Duitsland verhandeld hebben. Hij is daarvoor berecht en kreeg 15 jaar tuchthuisstraf. Hij weet in 1945 te ontvluchten, pas in 1961 is hij opnieuw opgepakt en tot levenslang veroordeelt o.a. voor de moord op 282 gevallen. Na de oorlog werd hij in 1961 in Oosterrijk gearresteerd en kreeg levenslang. In maart 1979 werd hij alsnog vrijgelaten vanwege geestelijke gezondheid en bracht de laatste jaren van zijn leven door in een zorgcentrum.

Zijn opvolger Adam Grünewald (Frickenhausen am Maim 20-10-1902-Veszprem Hongarije 22-1-1945) hij werd kampcommandant in oktober 1943, hij was betrokken bij het bunkerdrama in januari 1944, en werd al in februari 1944 al vervangen, Grünewald moet voor een Nederlandse SS rechter verschijnen, en is veroordeelt tot drie en een half jaar gevangenisstraf,  Wicklein een mede SS officier werd tot 6 maanden veroordeelt, echter Himmler herroept dat vonnis en degradeert Grünewald en zorgt ervoor dat hij weer bij zijn oude SS divisie terecht komt die dan aan het oostfront vecht, hij sneuvelt in januari 1945 in Hongarije.
Himmler vond dat als Grünewald voor dit incident veroordeelt zou worden, elke SS er in Duitsland wel veroordeelt zou kunnen worden.
Een derde SS officier die hierbij betrokken was, was Arnold Strippel, hij is overgeplaatst naar Neuengamme. Na de oorlog heeft men geprobeerd hem te berechten, maar zijn betrokkenheid was niet aan te toen, hooguit nalatigheid hij overleed in vrijheid in mei 1994 in Frankfurth. Voor zijn moorden en martelingen in andere concentratiekampen van zeker tientallen personen kreeg hij 3 ½ jaar gevangenisstraf en een schadevergoeding van 121.500  Deutsche Mark- vergoeding voor het verlies van inkomsten en zijn sociale zekerheid, bijdragen die hij gebruikte om een ​​flat in Frankfurt te kopen, die hij tot zijn dood bezette. 

Hans Hüttig (Dresden 5-4-1894—Wachenheim an der Weinstrasse 23-2-1980)  die hem opvolgde, kreeg na de oorlog de doodstraf opgelegd door een Franse rechter, maar die werd niet voltrokken en omgezet in levenslang maar hij kwam in 1956 al vervroegd vrij.

Kamp Vught

De eerste gevangenen bevolkten kamp Vught begin 1943, toen het kamp nog maar amper gereed was, ramen, douches en goed drinkwater waren nog niet aanwezig, en de keuken functioneerde ook nog niet naar behoren, matrassen en dekens ontbraken ook nog, en onder winterse omstandigheden waren zij gedwongen het kamp af te bouwen, velen stierven dan ook door ontberingen.
Nadat het kamp klaar was, waren de omstandigheden duidelijk beter, het kamp was opgezet als modelkamp, dat betekende een minder streng regime dan in andere kampen zoals kamp Amersfoort en kamp Erica. Het sterftecijfer lag beneden de 1 %, dat in tegenstelling met Duitse kampen waar het cijfer aanmerkelijk hoger was dan 50 %.
In kamp Vught, was men natuurlijk zijn vrijheid kwijt, en moest er hard gewerkt worden maar door de meesten werd er geen honger geleden.
In kamp Vught was een barak waar het Philips Kommando werkzaam was, opgezet om zoveel mogelijk gevangenen te vrijwaren van deportatie naar Duitse kampen, en waar de gevangenen per dag een warme maaltijd kregen. Ook het Rode Kruis verzorgde wekelijks voedselpakketten, en in het dorp Vught waren inwoners doende om voedselpakketten in het kamp bezorgen.

Tussen januari 1943 en september 1944 waren circa 31.000 personen gevangen in kamp Vught. De meesten waren Nederlanders, waaronder vele verzetsstrijders of gegijzelde familieleden. Ook ca. 12.000 Joden, van hen zijn uiteindelijk allen gedeporteerd naar de vernietigingskampen in het oosten.

In kamp Vught verbleven zowel mannen als vrouwen, alsmede kinderen. Mannen en vrouwen gescheiden in aparte delen, en kinderen in een aparte kinderbarak. Gevangenen bestonden uit Joodse mannen en vrouwen alsmede hun eventuele kinderen, politieke gevangenen en gijzelaars, Jehova’s getuigen, zigeuners en homoseksuelen. Vrouwen werden onder toezicht van S.S. aufseherinnen bewaakt, op een vrouw na waren dat allemaal Nederlandse vrouwen.
Het eerste hoofdaufseherin was de Duitse Margaretha Gallinat, bijgenaamd “de Knoll” zij kwam in 1943 als 49 jarige van Ravensbrück naar Vugt, in mei 1944 vroeg en kreeg zij ontslag om gezondheidsredenen, en werd opgevolgd door de veel jongere Gertrud Weniger ca. 25 jaar oud, ook uit Ravensbrück afkomsteg.

De meesten kwamen uit gebroken gezinnen, hadden een slechte verstandhouding met de naaste familie, hadden genoeg van de vaak slechte levensomstandigheden, en werden gelokt door goede verdiensten in die tijd, en hadden vaak banden met NSB en of Duitse militairen. Hun verdiensten in kamp Vught bedroeg ca. f 100,- p/maand met kost en inwoning, en daarbij een uniform waar sommigen bijzonder trots op waren. Zij werden ondergebracht in een van de gebouwen waar de SS staf ook woonden, en verschillende vrouwen begonnen een verhouding met hun medebewoners en raakte zwanger van een SS er.

Deze aufseherinnen hadden nadat zij zich gemeld hadden een korte opleiding in het vrouwenkamp Ravensbrück, waar zij getraind werden, en aanwezig waren als vrouwen aldaar hardhandig en gruwelijk werden behandeld, door hardhandig onderzoek in alle lichaamsholten op verborgen juwelen, geld etc. ook moesten zij toezien bij medische experimenten op vrouwen die meestal onverdoofd plaats vonden. Als zij deze training goed hadden doorstaan, waren zij gereed om als aufseherin aan het werk te gaan in kamp Vught.

Als mannen en vrouwen gescheiden gevangen zitten in hetzelfde kamp, is het niet vreemd als zij contact zoeken met elkaar, zeker ook als het getrouwde stellen zijn. Er ontstonden dan ook vele kontakten, en ondanks de prikkeldraadversperring bleken de mannen toch in staat om bij hun of andere vrouwen te komen. Niet enkel gevangenen lukte dat, ook SSers maakten gebruik van gevangen vrouwen al dan niet vrijwillig.
In september 1943 was er een feestje in kamp Vught, waarbij gevangenen werden ingeschakeld om te helpen. Er werd een feestkrantje gemaakt met daarin een afbeelding van een aufseherin met de tekst “Voor een nacht vol zaligheid en jenever bied ik volledige overgave aan”. Nu had Rauter al vaker klachten gehoord over de kampcommandant Chmielewski, over o.a. verduisteren van geld, en het aannemen van diamanten waardoor gevangenen niet op transport hoefden. Maar dit krantje met zijn inhoud was de druppel die de emmer deed overlopen, en werd Chmielewski ontslagen. Hij werd opgevolgd door SS Sturmbahnfuhrer Grünewald. Hij nam maatregelen, om kontakten tussen mannen en vrouwen te beperken. Een deel van de auseherinnen werd vervangen, en de regels worden strakker aangehaald, maar in de praktijk trok niemand zich daar iets van aan.
Suze Arts, een Nederlandse aufseherin wordt niet vervangen ondanks dat Grünewald een hekel aan haar heeft, en haar niet vertrouwt.

Bunkerdrama

In januari 1944 voltrok zich het bunkerdrama, waarbij elf vrouwen jammerlijk omkwamen.
een vrouwelijke gevangene de Duitse Jetzini, gehuwd met een hoge PTT ambtenaar, schreef aan Grünewald dat zij gehoord had dat enkele vrouwen vrijgelaten waren, die onderduikers hadden geholpen, en dat zij na hun vrijlating opnieuw zouden helpen. Jetzini noemde daarbij de namen van die vrouwen, de vrouwen in de barak waar zij samenwoonden kregen dat te horen, en verbanden haar uit hun slaapgedeelte, zodat Jetzini de nacht doorbracht in de eetzaal. Daarover deed zij opnieuw beklag bij Grünewald, maar die stuurde haar terug zonder maatregelen te nemen. Een der gevangen vrouwen Non Versteegen nam wraak, en knipte samen met Thea Breman haar vlechten af. Daardoor voelde zij zich dusdanig bedreigt, dat zij ’s nachts onder de prikkeldraad versperring kroop en zich wilde melden bij de SS. Zij werd gesnapt door een bewaker, die twee waarschuwingsschoten loste, waarop zij niet reageerde en de bewaker schoot haar gericht neer waardoor zij zwaar gewond bleef liggen. Enkele dagen later overlijd zij aan haar verwondingen.
Non Versteegen neemt de verantwoordelijkheid op zich, en wordt als een van de eerste gevangenen in een van de nieuwe bunkers opgesloten. In barak 23 besluiten 89 vrouwen samen om zich solidair te verklaren, en overhandigen die lijst aan de kampleiding.

Op 15 januari 1944 fietst Suze Arts op weg naar haar zoontje, maar werd bij de poort door Grünewald tegengehouden, die overhandigd haar de lijst met 89 namen en verzoekt haar al die vrouwen te verzamelen en naar de bunker te brengen. Daar aangekomen krijgt iedereen de kans om naar het toilet te gaan, en Grünewald en zijn staf arriveren daar inmiddels ook. De vrouwen worden in cal 115 opgesloten een cel van negen vierkante meter, 74 vrouwen onder wie Non Versteegen worden in cel 115 geperst, aufseherin Katja Schot klimt op een bankje om te kijken of er nog meer ruimte is, de overige 17 vrouwen worden in cel 117 gestopt. De temperatuur buiten moet enkele graden boven nul geweest zijn, in cel 115 was het snikheet, was er gebrek aan zuurstof, en wat toevoer van zuurstof totaal ontoereikend. Er was enkel ruimte om te staan in die overvolle cel, paniek brak uit bij deze en gene, er werd gehuild, gebeden en geschreeuwd. Sommigen probeerden hun kleren uit te trekken om toch maar een beetje aan de hitte te kunnen ontsnappen, maar transpiratie en staande tegen de muren met kalk bracht een chemische reactie teweeg die brandplekken veroorzaakte op hun lichamen. Anderen werden krankzinnig, en verwonden weer hun naast hun staande buurvrouw.

Op zondag 16 januari, rond 8.00 uur is de deur geopend en buitelen vrouwen over elkaar naar buiten, ca 34 vrouwen blijven op een hoop in de cel liggen, een van hun Tineke Guilonard die als verzetsstrijder in kamp Vught vastzat, een der jongsten probeert nog enkele vrouwen naar buiten te slepen, maar moet dat opgeven. Kort nadien komen Grünewald en kamparts Wolters ter plaatse, en vloekend en tierend geeft Grünewald, chef-arts Wolters opdracht de vrouwen uit de cel te halen. De vrouwen worden op de gang gelegd, en sommigen probeert men bij te brengen, Wolters zorgt voor eten en drinken, voordat zij opnieuw in de cel opgesloten worden. In plaats daarvan worden ze in groepjes van 5 over de lege cellen verdeeld, krijgen matrassen en dekens, maar dat alles zeer tegen de zin van Grünewald, die met volle overtuiging heeft geprobeerd om het bunkerdrama uit de publiciteit te houden, wat hem gelukkig dus niet is gelukt.

Uiteindelijk hebben 11 vrouwen in cel 115 die nacht en de gruwelijkheden niet overleeft.
Bagmeier-Krant, Helena zij is geboren op 26-10-1903 te Utrecht, gehuwd op 17-5-1922 te Amsterdam met de niet Joodse man Hermanus Gagmeijer geboren ca. 1898 te Amsterdam, zij  kregen samen 4 kinderen, zij is overleden op 16-1-1944 te Vught. Haar man en kinderen hebben de oorlog overleefd.
Bode, Nelly Adriana Jeannette de geboren 7-9-1905 te Heer en Keer en overleden 16-1-1944 te Vught, aangifte is gedaan op 1-1-1946 te Rotterdam.
Braber, Maartje den
geboren 1-11-1894 te Rotterdam, overleden op 16-1-1944 te Vught, aangifte is gedaan op 1-1-1946 te Rotterdam.Buiteman-Huijsmans, Lamberta Antonia Maria geboren 4-7-1904 Gorinchem gehuwd met Nicolaas Bernardus Gerardus Johannes Buiteman. Zij is overleden 16-1-1944 te Vught, aangifte is gedaan op 18-12-1947 te Gorinchem.
Gooszen, Anna Maria Frederika
geboren op 20-4-1888 te Amsterdam verpleegster, overleden 16-1-1944 Vught.
Hartogs-Samson, Mina
zij is geboren op 2-8-1885 te Harderwijk en gehuwd op 5-3-1919 te Amsterdam met Philippus Hartog directeur en arts van het Israelisch Oudeliedengesticht te Rotterdam geboren 18-8-1896 Rotterdam en overleden 23-3-1944 Auschwitz, die gedwongen werd als arts werkzaam te zijn in Auschwitz II Birkenau, zij is overleden op 16-1-1945 te Vught. Het echtpaar had 1 kind wat de oorlog overleeft heeft.
Hoek, Johanna Catharina Adriana van den
geboren 24-6-1900 Rotterdam en overleden op 16-1-1944 te Vught, aangifte is gedaan op 1-1-1946 te Rotterdam.
Holst, Lammerdina Elisabeth
geboren op 8-11-1887 te Amsterdam, overleden op 16-1-1944 Vught, aangifte op 16-10-1946 de Driebergen-Rijsenburg.
Janssen, Antoinette A. geboren 26-11-1904 Ruhrort (D) en overleden 16-1-1944 Vught, zij was verloofd met een Joodse man, wiens hele familie is uitgemoord, zij behartigde zijn familiebelangen maar is verraden en zo in kamp Vught terechtgekomen.
Witte-Verhagen, Huiberdina Adriana geboren 30-12-1901 te Harderwijk, gehuwd 27-7-1922 te Eindhoven met Job Adriaan Witte geboren 27-1-1899 te Goes, zij is overleden 16-1-1944 bij aangifte op 26-11-1946 te Breda, is als overlijdensplaats opgegeven Breda.
Leijen-Kalus, Emma geboren  op 22-8-1914 te Osterfeld (D) zij overleed op 25 mei 1944 in het revier van kamp Vught aan de gevolgen van het bunkerdrama.

Cel 117 is pas rond een uur ’s middags geopend, en pas dan krijgen ze te horen wat er zich heeft afgespeeld in cel 115.
Pas zondagavond komen alle vrouwen vrij uit hun cel, en worden voorgeleid aan Grünewald die hun beschuldigd van muiterij en eist dat zij een verklaring tekenen dat zij de schuld op zich nemen, alleen Non Verstegen weigert te tekenen, en gaat opnieuw de cel in. De volgende dag tekent zij alsnog op advies van enkele medegevangenen en noemt zij ook de naam van Thea Breman, die overigens vrij was gelaten net voor het bunkerdrama plaats vond, volgens de planning. Zij heeft daar nimmer enig probleem van ondervonden.
Suze Arts moet zich melden bij de SD in ’s Hertogenbosch, en enkele dagen later bij de SD in ’s Gravenhage bij de adjudant van Rauter, unterscharffuhrer Hoeker, waarna zij na het verhoor onder begeleiding in een dienstauto teruggebracht is naar Vught.
De Duitse chef kamparts Wolters schrijft een brief naar Berlijn, en is niet veel later weggepromoveerd, ook de telefoniste Eva Grijsseels moet naar ’s Gravenhage om haar relaas te vertellen. Zij is kort daarna ontslagen als telefoniste, maar is na de oorlog in augustus 1946 veroordeelt tot 8 maand internering vanwege haar vrijwillige indiensttreding in kamp Vught.
Het Rode Kruis heeft scherp geprotesteerd, en vele honderden protestbrieven bereiken de SD in ’s Gravenhage.

Aufseherin, kampbewaaksters.

Aufseherin, Nederlandse bewaaksters die na een korte opleiding in Ravensbrück bewaaksters werden in Kamp Vught.
Waarom nam men dienst als aufseherin, de meest voorkomende reden was, dat die functie beter betaald werd, tussen 70-100 gulden per maand, minus 1.20 per maand voor kost en inwoning, en men verkreeg ook een uniform, waar vrijwel allen trots op waren.
Een andere reden was dat velen uit gebroken gezinnen kwamen, waar een van de ouders overleden en er opnieuw getrouwd werd.
Ook hadden sommigen een verhouding met een Duitse of Nederlandse SS er, en mede daardoor soms niet meer welkom thuis of was het thuisfront aanhanger van de N.S.B.
Ook werkloosheid dreef sommigen in de armen van de bezetter.
Admiraal, Aart. Geboren 16-10-1922 Haarlem overleden 26-1-1998 Haarlem. Opzichter Vught en Auschwitz. Zij kwam in Vught terecht toen zij werd opgepakt na spertijd, haar moeder maakt een afspraak met de kampcommandant en zegt dat het een vergissing is, dat haar dochter net zo fanatiek was als zijzelf. Daarop is Aart gevraagd of zij auseherin wil worden, waarin zij toestemt. Haar ouders waren gescheiden.
Arts, Suze. Geboren 10-11-1916 Tilburg. Als kind werd zij naar verschillende kostscholen gestuurd in Nederland, Engeland Frankrijk en Duitsland. Zij kende de tweede lagerfuhrer Franz Ettlinger al vanaf haar lagere schooltijd in Duitsland, en was altijd blijven corresponderen met hem.  Zij had verschillende vriendjes, maar haar vader was altijd tegen. Deed een opleiding tot apothekersassistente en toen zij omgang kreeg met een apotheker, was haar vader wederom tegen.  Ze beland als doktersassistente bij een huisarts in Nistelrode, met kost en inwoning, tevens genoot zij aldaar de lijfelijke liefde. Toen zij in verwachting raakte moest zij opstappen, en kwam op een kleine kamer in Amsterdam terecht met haar in 1941 geboren zoon Hans. Zij werd daar onderhouden met een kleine toelage van haar vader, maar toen die in 1942 overleed stopte die toelage. In 1943 is zij werkloos en Franz Ettlinger schrijft haar dat in Vught waar hijzelf werkzaam was, dat daar wel een baan te vinden was. En na het overlijden van haar vader, en de slechte verstandhouding met haar stiefmoeder, waren de reden dat zij dan liever dicht bij haar correspondentievriend was, ondanks dat die getrouwd en 4 kinderen had. In juli 1943 meld zij zich in Vught. En daar omarmt zij opnieuw de lijfelijke liefde, nu met Franz Ettlinger, en in maart 1944 werd hun dochtertje geboren Joanne Claudette Arts. Na de oorlog is zij door het Bijzonder Gerechtshof in Amsterdam veroordeelt tot 15 jaar gevangenisstraf, het actief en passief kiesrecht is haar ontnomen, en in 1952 wordt haar straf met drie jaar verminderd, en komt in 1953 vrij.
Braake, Wilhelmina (Winny). ter werkzaam geweest in Vught en Auschwitz-Birkenau
Drunen, Jo van
. Haar ouders waren gescheiden, in kamp Vught raakt zij zwanger van de Nederlandse SS er Harm Oterdoom.
Jorink, Ria. Haar moeder komt te overlijden kort na het laatst geboren kind op30-3-1934. En zij is als 14 jarige en een der oudste kinderen aangewezen om voor het grote gezin van 13 kinderen en haar vader te zorgen. Bij haar spelen de druk voor de zorg van een groot gezin als jong meisje, de slechte contacten met haar vader en latere stiefmoeder een rol. Toen zij vaste verkering kreeg met een Duitse militair, en weigerde deze te verbreken, werd zij uit huis gezet, en trok in bij een vriendin die zij kende van de Nationaal Socialistische Vrouwenorganisatie. Haar verkering raakte overigens wel uit, maar zij bleef het zwarte schaap van de familie. Zij komt als 23 jarige in kamp Vught dankzij haar contacten met een Nederlandse SS er, september 1943 schreef zij aan Jan Thier lid van het Nationaalsocialistische Kraftfahrkorps, dat zij een week eerder zich had aangemeld in Vught en direct was aangenomen. Tenslotte schrijft zij trots te zijn op haar uniform, een kepie op en een jasje met adelaar op de linkermouw, een broekrok en lange laarzen, gewoon sjiek. Haar vriend de Nederlandse ss er Bernard Becker heeft haar overgehaald naar Vught te komen. Zij gaat aan het werk als aufseherin in de Philips barakken om toezicht te houden, en krijgt al snel haar bijnaam “Sprotje”. Al na een paar mand, en tussentijds ook nog een operatie ondergaan in een ziekenhuis, voordat het bunkerdrama zich voltrekt, worden Ria Jorink en Coby Roelofs vanwege overtolligheid overgeplaatst op 8-12-1943 naar Auschwitz-Birkenau en moeten daar werken in het frauenlager. Jorink moet toezicht houden in de keuken waar Poolse vrouwen werken, en Roelofs moet toezicht houden in het badhuis en bij een aardappelveld. Jorink begint een verhoudeng met de Duitse SS’er Walther Janszen. In maart 1944 wordt Jorink beschuldigd van ruilhandel, zij nam kousen en zeep aan van een gevangene, en daarmee beschuldigd van intieme omgang met gevangenen, en ze wordt vastgezet in de gevangenisbunker van Auschwitz waar de onderofficier Walther Janszen haar dagelijks bezoekt, en dan blijkt dat zij zwanger is van hem.
Het kriegsgerecht veroordeelt haar na zes weken in de bunker te hebben doorgebracht, tot drie-en-een-half jaar voorwaardelijke gevangenis en overplaatsing naar het Joodse getto van Kaunus (Litouwen) waar zij op 23 mei 1944 aankomt. Volgens haar eigen zeggen heeft zij daar niet gewerkt en is vrij kort na haar aankomst gevlucht voor de in aantocht zijnde Russen, en reist met de trein via Gdansk naar Berlijn waar zij aan het werk kan in een vliegtuigfabriek. Ook daar vertrekt zij half januari omdat het haar te gevaarlijk is geworden in Berlijn.
In de trein op weg naar Wiesbaden, beginnen haar weeën, en zij wordt uit de trein gezet. In een weiland naast het spoor, bevalt zij zonder hulp van een dochter. Daarna met haar dochter toch in Berlijn aangekomen, gaat zij op zoek naar Walther Janszen, die zij wonderwel na drie weken vind, en die zorgt ervoor dat zij naar Beieren evacueert. Op 1-5-1945 is zij gearresteerd door de Amerikanen, maar laten haar na 4 dagen toch maar weer gaan.
Uiteindelijk is zij door de geallieerden in Bamberg opnieuw gearresteerd en uitgeleverd aan de Nederlandse autoriteiten.
Via de gevangenis in Maastricht komt zij terecht in kamp de Roskam in Weesp waar zij haar vriendin Coby Roelofs wederom tegenkomt.
Haar dochtertje is bij een pleeggezin in Maastricht ondergebracht. Na drie jaar gevangenschap in “de Roskam” in Weesp, moet zij op 21 april 1948 voor het tribunaal in Zwolle verschijnen, en wordt beschuldigd van hulpverlening aan de vijand, omdat zij gewerkt heeft bij Duitse bedrijven en als bewaakster in Vught, Auschwitz en Kaunus. Zij heeft geluk dat zij een goede advocaat toegewezen kreeg, die voor een karige vergoeding zich voor haar heeft ingezet.
Er waren drie zware beschuldigingen van 3 Joodse vrouwen, maar dat was een persoonsverwisseling, ten tijde van die beschuldiging zat zij gevangen in een cel in de bunker in Auschwitz. Wegens bewijs aan belastende verklaringen en een sterk verweer was haar straf licht, achttien maanden hechtenis, die zij uit zou moeten zitten als zij de komende drie jaar zich niet als een goede Nederlander zou gedragen. Zij wordt dan ook onmiddellijk in vrijheid gesteld. Op 28-8-1949 verloofd zij zich en in 1952 trouwt zij alsnog met Bernhard Becker, uit hun huwelijk is een zoon geboren, die kort voor de dood van zijn moeder krijgt te horen dat hij ook nog een halfzus heeft. Zij komt in 1998 te overlijden.
Koch, Liesl. Geboren in Rotterdam Haar ouders waren gescheiden, haar vader was arts. Haar moeder kwam oorspronkelijk uit Duitsland.
Kohle, Dora. geboren in Eindhoven, werkzaam geweest in Vught, Auschwitz en Leipzig.
Kooren, Liesel.
Dijs-Mol, Johanna.
Geboren 13-8-1905 te Amsterdam, gehuwd 17-11-1927 te Amsterdam met Lambertus Dijs.
Mullenders, Maria Jos. Geboren op 6-6-1924 te Vaals werkzaam geweest in Vught overleden 3-3-2008 Vaals
Roelofs, Coby. Geboren  op 21-4-1924 te Utrecht in de Plataanstraat. Zij groeide op in een gezin van 8 kinderen. Haar vader was oliehandelaar en was in staat zijn gezin goed te onderhouden. Coby mocht o.a. naar de Mulo. Nadien had zij verschillende baantjes als administratief mede werkster. Zij meld zich op 15-10-1943 als bewaakster in Vught, met als reden dat zij verkering kreeg met een Duitse militair en samen met hem wilde verhuizen naar Duitsland. Omdat zij daarvoor toestemming van haar ouders moest krijgen, die overigens die toestemming weigerden. De gemakkelijkste weg was om voor de Duitsers te gaan werken, dan had je die toestemming niet nodig. Zij werkte overigens maar kort in kamp Vught, en werd samen met haar vriendin Ria Jorink wegens overtolligheid overgeplaatst naar Auswitsch-Birkenau. Zij werkte overigens in een van de vele werkkampen in de omgeving van Auschwitz. Daar slaat begin 1945 op de vlucht voor de naderende Russische troepen, zij trekt naar Frankrijk, maar daar herkennen voormalige kampbewoners haar, en zij wordt op 1 juli 1945 gearresteerd. Na negen maanden Franse detentie wordt zij uitgeleverd naar Nederland en komt in kamp de Roskam in Weesp terecht waar zij haar vriendin Ria Jorink weer tegenkomt.
In het strafproces tegen Roelofs op 10-7-1947 voor het Bijzonder Gerechtshof, zijn de getuigen aardig mild voor haar, geen kan zich herinneren dat zij treiterde of mishandelde. Maar de drie die getuigen tegen Jorink wat dus ging om een persoonswisseling, getuigen ook tegen Roelofs dat zij wreed en gewelddadig heeft opgetreden, wat bevestigd wordt door een derde getuige die is getrouwd met een getuige a charge in de zaak Jorink. Haar advocaat doet geen moeite om te onderzoeken of het ook hier niet om een persoonswisseling zou kunnen gaan, ook een brief van Ria Jorink dat het om een persoonswisseling zou kunnen gaan is genegeerd. Roelofs spreekt haar beschuldigingen tegen en blijft altijd ontkennen, maar kiest in de rechtszaal er voor om te zwijgen, en haar advocaten steken weinig energie in haar zaak, sterker nog het proces moest zelfs worden aangehouden omdat haar advocaat niet kwam opdagen. Zij is door onwilligheid van haar verdediging veroordeelt tot 10 jaar hechtenis, en het vonnis was onherroepelijk, zij kan enkel om gratie vragen. Door een ruimhartig gratiebeleid komt zij medio 1953 vrij. Zij trouwt kort na haar vrijlating met Hermannus Jorink, een broer van Ria Jorink, die als militair in de Koreaoorlog zwaar gewond is geraakt, hun huwelijk blijft kinderloos Coby Roelofs overlijd op 12 november 1998.
Schot, Katja. Geboren in Amsterdam als Catharina Maria Schot op 15-3-1925, was werkzaam in kamp Vught en Ravensbrück. Zij raakt in Vught zwanger van Friedrich Meyerhoff.
Sedlacek, Editha. In Oostenrijk geboren, maar kwam als 18 jarige naar Nederland om hier als huishoudster te werken, huwde in 1931 met een Nederlander en zij kregen 2 kinderen. Het huwelijk eindigde op 17-2-1944 te ’s Gravenhage.
Thijssen, Petronella Maria.
Haar ouders waren gescheiden
Vaessen, Elisabeth Wilhelmina.
Geboren 19-12-1923 Vught werkzaam geweest Vught  overleden 14-2-1991 Ameide.

Dat de aufseherinnen in kamp Vught niet bepaald geliefd zijn moge duidelijk zijn, ook zijn hun namen vaak niet bekend, maar als men het heeft over SSmatras of soldatenhoer weet iedereen wie bedoelt werden, sommigen hadden een eigen bijnaam, Loopeend, Sprotje en Sierkan. Van de ca. 20 auseherinnen in kamp Vught, kregen na de oorlog acht vrouwen een gevangenisstraf van ten hoogste drie jaar, en vijf kregen een voorwaardelijke straf. Zes kregen straffen van tussen tien en twintig jaar
Er zullen er ongetwijfeld meer geweest zijn, die allen onder de radar bleven.
enkele initialen zijn wel bekend, Petra van E. en Hannie W.

Wat zeker ook niet vergeten mag worden, is dat in kamp Vught 329 mannen zijn gefusilleerd. Zij werden vaak vanuit andere gevangenissen naar Vught gebracht om gefusilleerd te worden.
Voor hen is op de fusilladeplaats een indrukwekkend monument geplaatst.
Op loopafstand van het Nationaal Monument Kamp Vught is het monument voor de 329 mannen opgericht, op de voormalige schietbaan van het Nederlandse leger. Het pad is helaas voor moeilijk ter been zijnde personen slecht toegankelijk evenals voor rolstoelgebruikers.
In juni 1944 werd de eerste gevangene hier gefusilleerd, hij werd beschuldigd van sabotage bij het Philips commando. Massale executies vinden plaats in augustus en september 1944, gevangenen worden uit verschillende gevangenissen uit heel Nederland naar Vught overgebracht, vooral ook vanuit de strafgevangenis “het Oranhehotel” van Scheveningen.
Zij worden op grond van het Niedermachungsbefehl van Hitler  van 30 juli 1944, waarbij alle saboteurs in Duitse ogen, zonder vorm van proces ter dood mogen worden gebracht. Zij blijven meestal kort in de bunker van kamp Vught, alvorens zij voor een executiepeloton bestaande uit hoofdzakelijk Nederlandse SS’ers belast met de buitenbewaking van kamp Vught. Gevangenen in kamp Vught, kunnen de schoten horen. De laatste geëxecuteerden zijn 4 mannen uit de gevangenis van ’s Hertogenbosch op 16 september 1944.
Na de ontruiming van kamp Vught, is bij een herdenking in 1945, is door omwonenden een houten kruis opgericht waarbij koningin Wilhelmina aanwezig was.
Het stenen monument met de namen van alle slachtoffers is op 20 december 1947 onthult door toen nog prinses Juliana. In 1995 en 1997 is het monument beklad en werd onherstelbaar beschadigd, de daders zijn nooit gevonden.
De beschadigde panelen zijn opgenomen in het herinneringscentrum van kamp Vught.

Anton G.M.Heijmerikx

Colofoon. Diverse internetsites.
Bezoek aan kamp Vught, Bezoek Auschwitz-Birkenau.
N.I.O.D.
Vrouwen van Vught- Hans Olink
Archief kamp Vught
Mensen, macht en mentaliteiten achter prikkeldraad: een historisch-sociologische studie van concentratiekamp Vught (1943-1944) – Meeuwenoord, A.M.B.
Licht in het donker, het Philips-Kommando in kamp Vught.
In dienst van de nazi’s – Paul van de Water.

Treblinka een moordfabriek.

Treblinka I was een straf arbeitslager, en werd in de zomer van 1942 operationeel, de bevolking bestond uit Joden en Polen, waarvan de meesten tewerkgesteld waren in de nabijgelegen steengroeve, vrouwen kregen werk op de kampboerderij. Het aantal wisselde regelmatig zo tussen 1.000 -1.200 personen, door het strenge regiem overleden velen door terreur en honger. In totaal zijn er ca. 20.000 krijgsgevangen geweest, en daarvan heeft meer dan de helft het niet overleefd.
Treblinka I heeft bestaan van de zomer 1942 tot januari 1945 toen het Russische leger Treblinka bevrijde. Treblinka I was overigens al ontmanteld kort voordat de Russen kwamen.

Treblinka II was een vernietigingskamp.
De stoomtrein sukkelt al stoom uitblazend en af en toe zijn stoomfluit laten horen bij een overweg, langzaam richting Treblinka. Hij moet er moeite voor doen, want 50 tot 60 volle goederenwagons geladen tot de nok toe vol voorttrekken, is geen peulenschilletje.
Aangekomen op het kleine station, waar de borden met vertrek en aankomsttijden het perron sierden, een café, loketten en de stationsklok die 6.00 uur aangaf, moesten de indruk wekken dat men verder kon reizen.
Maar de inhoud van de goederenwagons bestond uit Joden, die in de wagons geperst waren en soms al geruime tijd zonder water en eten en zonder de minste elementaire menselijke omstandigheden onderweg waren. Als dan de trein in Treblinka aankwam, en de deuren werden geopend, vielen er de eerste doden er al uit. Elke trein had tussen 50-60 wagons bevolkt door tussen 6.000 tot 7.000 Joden, die binnen ca 2 uur allen al beroofd van hun waardigheid, kleding en eventueel ander bezit, naakt werden gedreven door de SSers cynisch de Himmelstrasse genaamd, gedreven naar de barak met 10 doucheruimten waar ca. tussen 6-700 personen gelijk naakt zogenaamd moesten douchen. Uit deze douchekoppen kwam alleen geen water, maar uitlaatgassen van een oude Russische tank, die er voor zorgde dat iedereen gedood werd zonder onderscheid des persoons. Sondercommando’s bestaande uit Joodse personen moesten deze gaskamers zo snel mogelijk leeghalen en weer schoon maken, zodat de volgende trein met slachtoffers geen idee had als ze de douches binnenstapten. Onder het mom van hygiënische redenen moest men douchen, zich naakt uitkleden, en werd hun verteld dat de kleding ontsmet zou worden en zij hun bezittingen nadien terug zouden krijgen, in het begin werden er zelfs nummertjes uitgegeven om de schijn hoog te houden.
Treblinka II werd gebouwd door Joodse krijgsgevangenen, het hele gebied waar Treblinka I en II verrezen, besloeg ruim 20 ha, maar Treblinka II was niet veel groter dan een voetbalstadion ca. 400×600 mtr. en verdeeld in drie zones. 1 het Lager Kamp met daarin luxe woningen voor Duitsers en bewakers meest Oekrainers, met een dierentuin en biergarten, bewaking en opslag goederen. 2 ontvangstzone (Auffanglager) , waar het station stond en waar zij zich moesten uitkleden en werden richting gaskamer werden gestuurd. 3 en een deel waar de vernietiging plaatsvond (Totenlager) waar de gaskamers zich bevonden en verbranding van de lijken plaatsvond, in dit Totenlager bevond zich ook een stuk van ca. 100 x 100 mtr. waar de Joden, Sondercommando’s, die de SS moesten helpen bij de vernietiging van hun medemensen.

Treblinka II was bedoeld als moordfabriek, bekend als Aktion Reinhard. Op de Wanseeconferentie van januari 1942 werd besloten, dat de Joden vernietigd moesten worden. Daarna begon men al snel met de bouw van vernietigingskampen, waarvan Treblinka II en een was. Men had al proef gedraaid in Auschwitz, en daar was men tot de conclusie gekomen dat vergassen de meest efficiënte methode was, en dat men op die manier grote aantallen mensen in een keer kon ombrengen.
De bouw startte in mei 1942, en was al gebruiksklaar in juli 1942. De bouw stond onder leiding van SS-Hauptsturmfuhrer Thomas Thomalla, de bouwkundige van Aktion Reinhard. De bouwers, meest Joden uit Warschau en of omgeving, en gevangenen uit Treblinka I, waren de eerste personen die vergast werden, zodat zij nimmer konden getuigen.
Van 23 juli 1942 tot 20 december 1942, met een korte onderbreking met Kerst 1942, en van 15 januari 1943 tot 15 mei 1943, en vervolgens in een wat langzamer tempo tot oktober 1943, zijn in totaal volgens Poolse openbare aanklagers na WOII, 7.854 goederenwagons naar Treblinka ook (Obermajadan) genaamd, gereden in elke wagon bevond zich tussen 150-200 personen, in totaal ging het om 800 tot 850.000 mensen die op een oppervlakte van een voetbalveld moesten worden omgebracht. (Als men de berekeningen narekent, komen er hele andere getallen tevoorschijn. Nieuwe berekeningen komen momenteel op ca. 1.3 miljoen personen) Feit blijft, dat er enorm veel Joden in Treblinka zijn vermoord. En omdat zovelen die konden getuigen ook zijn vermoord, blijft het moeilijk zo niet onmogelijk om redelijk juiste getallen te achterhalen.

Irmfried Eberl was de eerste kampcommandant, een Oostenrijker die het “vak” had geleerd in het euthanasiecentrum van Bernberg. Een van de vijf euthanasiecentra waar gehandicapten geestelijk of lichamelijk werden vermoord, enkel omdat zij als onnuttige werden beschouwd en de gemeenschap volgens de nazi’s teveel geld kosten, geld wat beter aan de oorlogsindustrie kon worden gebruikt.
Eberl had het in Bernberg tot SS-Obersturmfuhrer gebracht. Aangekomen in Treblinka liep het al snel fout, hij had geen idee hoe hij het grote aantal gevangenen op efficiënte moest laten vermoorden. Treinen stonden soms dagenlang op een zijspoor, met de gevangenen aan boord die daarbij vaak een verschrikkelijke dood vonden door ontbering en paniek. Het kamp lag vol met lijken die in staat van ontbinding verkeerden, omdat de verbranding op zich liet wachten bij gebrek aan een snelle manier van verbranden. Het moest een geheime operatie worden in Treblinka, maar dat liep dus minder in het geheim dan gewenst. De stank was tot op wel 10 km. ver te ruiken voor omwonenden.
Eberl werd al in augustus 1942 van zijn taak ontheven en vervangen door de kampcommandant van Sobibor SS-Obersturmfuhrer Franz Stangel, ook een vernietigingskamp, en hij kon bogen op ervaringen in Sobibor opgedaan. In Treblinka II, deden zo’n 30 SSers dienst, die werden bijgestaan door ca. 120 Oekrainers die vrijwillig dienst hadden genomen in Duitse dienst. Een opleiding hadden zij genoten in trainingskamp Rawniki. Enkele Oekrainers waren verantwoordelijk voor de gaskamers, en werden bijgestaan door tussen 700 tot 1.000 Joodse gevangenen die verplicht werden te helpen bij het uitkleden, sorteren van kleding en andere goederen, leegruimen en schoonmaken van de wagons en gaskamers. Aanvankelijk waren er drie gaskamers in gebruik, maar die konden de aanvoer van gevangenen niet zonder problemen verwerken, dus liet Stangl er tien gaskamers bijbouwen en waren er dus zestien gaskamers continu in bedrijf. De Joodse gevangenen werden ook ingeschakeld bij het leeghalen van de gaskamers, de lijken onderzoeken op verborgen geld en diamanten in lichaamsholten, het eventueel trekken van gouden tanden en of kiezen, en vervoer van de doden richting brandstapels of begraafkuilen. Als hun taak erop zat, werden ook zij ook vaak omgebracht en vervangen door nieuw aangekomen gevangenen, zodat er zo weinig mogelijk personen overbleven die de wereld konden vertellen wat er in Treblinka gebeurde.

Franz Stangl heeft na zijn aankomst in Treblinka, waar hij een horrorkamp aantrof die zijn weerga niet kende, de zaken met voortvarendheid aangepakt. Eind september waren er al 374.000 Joden uit Warschau en omgeving vermoord, na de winter van 1942 werden 337.000 Joden uit het district Radom vermoord, en nog eens 32.000 uit Lublin. Tussen Juli 1942 en april 1943 werden naar schattingen ca. 738.000 Joden uit het Generaal gouvernement en ca 107.000 Joden uit Bialystok vermoord. Tussendoor werden ook nog eens ca 7.000 Joden uit Slovakije, 8.000 uit Theresienstadt, 4.000 uit Griekenland, 7.000 uit Macedonië, 2.000 uit Roemenië en 2.800 uit Salonika vermoord.

Nieuwe inzichten, studies en vrijgekomen documenten, geven een totaal van ca. 900.000 vermoorde hoofdzakelijk Joden. Maar ook zigeuners werden hier omgebracht. Nieuwe studies tonen overigens aan dat het aantal beduidend hoger, en wel ca. 1.3 miljoen slachtoffers zou kunnen zijn.

Ondanks de sombere vooruitzichten, waren er in Treblinka ook verzetsacties en verzetsgroepen. Zo werd een gehate SSer Max Biala omgebracht door Meir Berliner, die met een mes hem overhoop stak. Waar hij dat mes vandaan had is nimmer opgehelderd. Na zijn daad blijft hij staan, terwijl elk ander vlucht in alle richtingen bang voor wat er komen ging. Duitsers en Oekraïners storten zich op Meir Berliner een in Argentinië geboren Jood, waarbij de Oekraïners hem met spaden zwaar mishandelden en hij tot slot zijn laatste adem uitblies.
In 1943 werd een verzetsgroep samengesteld, die overigens van samenstelling wisselde, omdat sommigen naar de gaskamers werden gestuurd door volkomen willekeur. Maar toch was het die groep die met geld, goud, diamanten en sieraden die meekwamen met de steeds nieuw aangekomen Joden, en met omgekochte Oekraïners die voor veel geld wapens naar binnen wisten te smokkelen, een opstand wisten te bewerkstelligen. Die wapens werden gekocht van bewoners in de omgeving, die daar voor grof geld wel aan wilden meewerken. Op 2 augustus 1943 besloten enkele SSers te gaan zwemmen, en wisten opstandelingen de wapenkamer te forceren en meerdere wapens te bemachtigen. Zij schoten op de kampbewakers, wisten een benzinestation in brand te schieten en houten barakken in brand te steken. Dit was een sein voor gevangenen, om te proberen Treblinka te ontvluchten, maar prikkeldraadversperringen, en schietende bewakers op de wachttorens schoten vele honderden gevangenen dood. In verhouding van het aantal gevangenen, kon slechts een handjevol gevangenen ontkomen, en daarvan hebben er 84 de oorlog overleefd, en gelukkig konden zij de wereld vertellen van de gruwelijkheden die zij aan den lijve ondervonden hebben of wat zij hebben gezien.

Hierna werd Treblinka gesloten, en de laatste gevangenen vergast op 21 augustus 1943, en werd het kamp ontmanteld en zoveel mogelijk sporen gewist. De Oekraïense bewaker Streibel werd achtergelaten, om de indruk te wekken dat er eigenlijk niets gebeurd was. Ook moest hij het terrein bewaken tegen de plaatselijke bevolking, omdat op het gehele terrein kostbaarheden achter waren gebleven al dan niet begraven. Dat heeft overigens niet kunnen voorkomen dat grafschennis op zoek naar spullen van waarde kon worden voorkomen.
De Oekraïners werden naar elders overgeplaatst, maar de meesten waren inmiddels door het zich toe-eigenen van geld, sieraden en andere waardevolle spullen, dat zij inmiddels in zeer goede doen waren geraakt en niet de behoefte hadden om elders opnieuw aan het werk te gaan.
Die Joden die als laatsten de ontmanteling moesten voltooien, zijn na afloop naar Sobibor overgeplaatst.

Auschwitz, Belzec, Chelmno, Sobibor en Treblinka, moordfabrieken van de nazi’s, waar tijdens WOII ruim 2.000.000 vooral Joden zijn vermoord, waaronder ruim 34.000 Nederlandse Joden. Enkel, omdat zij Joods waren.

1e Kampcommandant SS-Obersturmfuhrer Irmfried Eberl, geboren in Bregenz op 8-9-1910 en overleden op 16-2-1948 door zelfmoord.
Hij studeerde in 1933 af aan de universiteit van Inssbruck en ontving zijn doctoraal in medicijnen in 1934. Hij was arts, maar toch een fervent aanhanger van het T-4 euthanasie programma. Oostenrijkse psychiater en medisch directeur van de euthanasie-instituten in Brandenburg en Bernburg. Hij was daar twee jaar werkzaam, alvorens hij werd overgeplaatst naar Treblinka waar hij in 1942 toezicht hield op de opbouw van Treblinka. Alvorens hij kampcommandant van Treblinka werd, was hij kort in Sobibor waar hij stage en getraind werd voor de post van commandant van Treblinka.
Van juli 1942 tot september 1942 was hij commandant, maar werd vanwege incompetentie ontslagen en vervangen. Hij diende in elk geval in 1944 bij de wehrmacht tot het einde van de oorlog. Nadien vestigde hij zich als arts in Blaubeuren (18 km van Ulm gelegen), zijn 2e vrouw was inmiddels overleden, totdat hij in januari 1948 werd gearresteerd. Op 8-9-1948 heeft hij zich zelf verhangen om zo een proces te ontlopen.

2e Kampcommandant, zie het eerder geschreven en gepubliceerde artikel:
Franz Paul Stangl, bijnaam “de Witte Dood”

De hieronder beschreven werkwijze van het vermoorden van Joden, is eigenlijk te verschrikkelijk, en onverklaarbaar hoe mensen daartoe in staat zijn. Maar het moet verteld worden, omdat het nooit meer mag gebeuren. Maar toch gebeurt het gewoon weer opnieuw, voormalig Joegoslavië, volkerenmoord Rwanda, Afghanistan, Syrië en wat te denken van al die vluchtelingen, het is een herhaling van de Joodse vluchtelingen die tijdens WOII ook geen kant op konden. Kortom, men heeft weinig geleerd van WOII.

Treblinka, een geoliede machine die enkel tot doel had om Joodse personen om te brengen, te vermoorden, en het verzamelen van hun goederen die zij bij zich hadden, zelfs hun kleding die zij droegen werden hun afgenomen, tot zelfs hun haren.
Treblinka heeft maar 1 jaar bestaan, maar in die periode zijn per dag op efficiënte wijze door de nazi’s met hulp van Oekraïense bewakers, en Joodse helpers tussen 2.500 en 3.500 Joden vermoord, enkel omdat zij Joods waren. De Sondercommando’s, waren Joodse helpers die werden verplicht om te helpen, zo zij weigerden, waren zij zelf onmiddellijk aan de beurt om vermoord te worden. Overigens zijn vrijwel alle Joodse helpers zelf ook vermoord, al was het maar om zo weinig mogelijke getuigen van de moordpartijen te hebben.
Omdat er geen administratie is bijgehouden, en wat er eventueel wel op papier stond vernietigd is geworden, lopen aantal slachtoffers nogal uiteen. Berekeningen waren aanvankelijk ca 900.000 slachtoffers, maar na serieuze berekeningen later vastgesteld op ca. 1.3 miljoen slachtoffers.
Joodse helpers, moesten de Joden opvangen die uit de trein kwamen, ze begeleiden naar de verzamelplaats, waar zij zich totaal moesten uitkleden, alles wat zij bij zich hadden moesten inleveren. en daarna moesten zij door de “Himmelstrasse” zich naar de douchruimte begeven, waar zoveel mogelijk personen in gepropt werden, vrouwen, mannen en kinderen. Zij hadden gehoord gekregen dat zij eerst moesten douchen. Als de deuren gesloten waren, dan werd een oude Russische tank gestart en werd de koolmonoxide in de douchruimte geblazen.
Binnen enkele minuten, hoogstens 5 minuten zijn alle in de ruimte aanwezigen vermoord.
Aan de achterkant gaan de deuren open, en moeten de Joden de lijken uit de ruimten halen.
Dat is een verschrikkelijke taak, doordat de ruimte zo wie zo volstond met zoveel mogelijk mensen, was er al weinig ruimte, maar in een doodstrijd zwellen lichamen door gebrek aan zuurstof op, en zo ontstond er na vergassing een vaste stevige massa, die met moeite uit elkaar te halen was. Met zweepslagen werden de Joodse helpers gedreven om die stevige massa uit elkaar te halen en in looppas onder zweepslagen te verplaatsen met behulp van een draagbaar, naar een ander deel van Treblinka, waar de lijken netjes om en om naast elkaar gelegd werden om zoveel mogelijk ruimte te besparen, en zoveel mogelijk lijken in een grafkuil te kunnen leggen. Het waren enorme gegraven kuilen, ca 50 meter lang, en ca 25 meter breed en wel 10 meter diep. Wanneer een laag vol was, was een andere groep bezig om die laag met zand te bedekken, en dat zo 4 a 5 lagen totdat de kuil helemaal vol was.  
Liet je een lijk van de draagbaar vallen, of volgens de bewakers niet snel genoeg van de draagbaar af liet rollen, omdat er bijv. een hand of voet bleef steken, was de beloning 25 stokslagen, waarvan sommigen dat niet hebben overleefd.
Het in enorme massagraven begraven van de vermoorde Joden, was uiteindelijk toch niet de juiste wijze om zich van de overblijfselen te ontdoen. Doordat er ontbinding van de lijken plaatsvond, gedroegen de massagraven zich als een vulkaan, omdat de ontstane gassen een uitweg zochten, en ontstond er een afschuwelijke stank die zelfs wel tien of op meer kilometer te ruiken was. Mede daardoor was het zelfs in de wijde dun bevolkte omgeving duidelijk wat er in Treblinka gaande was.
Er moest zelfs een dijkje rondom de grafkuilen worden aangelegd, omdat de inhoud dreigde zich te verspreiden. Dat was mede de aanleiding, dat de lijken moesten worden verbrand. Lijken werden in een provisorisch crematorium, gestapeld met benzine overgoten en in brand gestoken, maar dat bleek niet efficiënt genoeg, maar ca. 1.000 lijken p/dag konden zo geruimd worden, terwijl de aanvoer beduidend hoger was per dag.
Herbert Floss werd daarop naar Treblinka gehaald, als bijnaam “de Artiest”, hij werd gezien als crematie expert, in Sobibor had hij zijn kennis opgedaan, hij liet het crematorium gebouw afbreken, en liet tientallen meters lange spoorrails aanvoeren, en liet muurtje bouwen van betonblokken ca 50 cm hoog waar de rails op kwamen te liggen, zo ontstond een soort rooster van 30 bij 6 meter. De eerste laag moest bestaan uit lichamen van dikke vrouwen, en daarna mocht alles gestapeld worden van mannen, vrouwen en kinderen. De stapel lijken was wel ca. 2 mtr. hoog. en bestond uit ca. 2.500 lijken. Onder de rails werden licht droge takken gelegd, en daarna kwam Floss “de Artist” naderbij, en stak de droge takken met 1 lucifer in brand, en na een paar minuten was het vuur zo hevig dat omstanders zich wel tot 50 mtr. terugtrokken omdat het vuur zo hevig brandde. Toen deze manier van verwerking efficiënt bleek, kwam een volgende monsterklus, het leeghalen van de massagraven, met behulp van graafmachines moeten de tot ontbinding overgegane lijken worden opgegraven, en werden op meerdere stapels gestort, waarna de Joodse helpers die lijken of delen van lijken met de blote handen in berries in de vorm van kisten deponeren en die vlug naar de brandstapels sjouwen.
Deze werkwijze was dusdanig efficiënt, dat er uiteindelijk 6 van deze monsterroosters zijn gebouwd die met behulp van 4 graafmachines en ontelbare Joodse die de roosters moesten vullen, en gelijker tijd in gebruik waren. Om nog efficiënter te werken, werden de roosters verplaatst dichter bij de grafkuilen, zodat de lijkendragers een wat kortere afstand moesten overbruggen. De machinisten, maakten overigens misbruik van hun positie, zij lieten regelmatig de lijken zo vallen, dat die op de Joodse helpers vielen, zodat het vocht van de lijken op de arbeiders viel, dat vocht maakte dat de dragers een rode kleur kregen alsof zij met verf besmeurd waren, en ondertussen moesten zij met zweepslagen gedreven worden om de graafmachines bij te houden.
Omdat het vuur zo hoog oplaaide, was het vrijwel onmogelijk om de lijken op het vuur te gooien, en werd de procedure dusdanig verandert, dat overdag de stapels werden opgebouwd, en ’s avonds pas in brand werden gestoken, en enkele uren voor het ochtendappel de resten al weggehaald konden worden.
Bij een stapel, die het dichts bij een grafkuil stond was in brand gestoken, maar het vuur sloeg over naar de grafkuil, waarbij vermoedelijk de gassen die bij ontbinding vrijkwamen, de oorzaak was. Een enorme brand was het gevolg, van ca. 250.000 lijken, en dat alles werd gadegeslagen door een tevreden kampleiding.
Maar deze verbranding was nog niet voldoende om bewijzen te vernietigen, nadien werden de restanten in de vorm van gebeenten, door speciale stampers en maalmachines bewerkt en door een zeef gehaald, wat overbleef was een soort poeder die vermeng met aarde en het geheel zo diep mogelijk weg te begraven en het terrein in te zaaien met Lupine.


Herbert Floss (de crematie expert) geboren 25 augustus 1912, Reiholdshain, Dippoldiswalde Duitsland, overleden 22 oktober 1943 Zawadowska, Polen. Herbert Floss werd overigens een week na de opstand in Treblinka als Oberscharffuhrer bevolen om ca.30 Oekraïense bewakers te begeleiden naar hun opleidingskamp Trawniki, het zou zijn laatste opdracht worden.
Zo’n 4 kilometer ten zuiden van Cholm, op 22 oktober 1943vermoord de SS-Wachtmann Wasil Hetmanec, Herbert Floss met zijn eigen machinepistool. aangekomen op het volgende station van Zawadowka vlucht hij met vier anderen. Twee van hun keerden op 23 oktober terug en worden ontwapend, waarbij een hunner omkomt wegens het bieden van weerstand.

Anton Heijmerikx.

colofoon:
Treblinka 1943- Michal Wojcik.
Encyclopedie van de Holocaust- Rozett en Spector
Diverse internetsites.

De laatste vlucht van een Boeing bommenwerper.

Op 11 januari 1944 stijgen op het Engelse vliegveld te Podington 663 bommenwerpers op, om op pad te gaan naar de A.G.O vliegtuigfabrieken in Ochserleben nabij Braunschweig, opgericht in 1911 door Gustav Otto een pionier vlieger, wiens vader de Nikolaus Otte de uitvinder was van de viertaktmotor. Dit bedrijf was al meerdere keren gebombardeerd, maar met behulp van dwangarbeiders steeds weer opnieuw productief, en waar o.a. de Focke Wulff FW190 een Duitse jager werd gebouwd.

Een der leidende bommenwerper was de Boeing 17G met serienummer 42-31175, die eenmaal boven het doel, al snel werd geraakt door afweergeschut, waarbij een brandstoftank in de linkervleugel werd geraakt, en daardoor brandstof verloor. Toch zag het kans zijn bommen te laten vallen, en keerde vervolgens om de terugreis te aanvaarden met een lagere snelheid om zodoende brandstof te besparen. Onderweg werd het ook nog beschoten door Duitse jagers, maar het bleef desondanks toch in de lucht, maar werd wel door de lekkende brandstof in de linkervleugel in brand geschoten.
Dat was het teken voor de 10 koppige bemanning, om het vliegtuig te verlaten, welk inmiddels al wel boven Nederland vloog, in de omgeving van Raalte. Het vliegtuig moet brandend op klaarlichte dag over Raalte-Wijhe-Olst gevlogen zijn, gezien de landingsplaatsen van de piloten en de uiteindelijke crash van het vliegtuig in de buurtschap Markluiden ten zuiden van Heerde.
De bemanning bestond uit:
1e Lt. William B. Lock eerste piloot
1e Lt. Richard H. Sperry tweede piloot
1e Lt. Milton Cohen navigator
1e Lt. Sol H. Greenberg bommenrichter
T/Sgt. Raymond F.Pencek boordwerktuigkundige
T/Sgt. Vernon P. Brubaker radio-operator
S/Sgt. Charlie H. Mullins linkerrompschutter
S/Sgt. Jack J. Wilhoit rechterrompschutter
S/Sgt. James B. Farrell buikkoepelschutter
S/Sgt. Charles H. Scot staatschutter

Lock, Pencek en Mullins verlieten als eersten het toestel, Lock kwam in Wesepe aan de grond, Pencek aan de Boerlestraat en Mullins over de IJssel in Terwolde. Lock en Mullins troffen elkaar bij toeval op een onderduikadres in Olst, en zijn samengebleven tot hun ontsnapping via het kanaal vanuit Frankrijk naar Engeland.
Greenberg sprong boven de IJssel en kwam tussen IJssel en de Grote Wetering in een weiland aan de grond, sloeg op de vlucht, hield zich een tijdlang verborgen in een droge sloot, en werd tenslotte geholpen door inwoners uit Veessen om over de IJssel te geraken en kwam in Wijhe terecht en werd daar ’s avonds gearresteerd volgens niet bevestigde berichten, bewijs heb ik daarvan niet gevonden.
Cohen, Wilhoit, Schott en Brubaker verlieten het toestel kort voor de explosie van het toestel en zijn ter plaatse gearresteerd door de Duitsers in de buurtschap Markluiden. Het was aan de tweede piloot Sperry te danken dat zij veilig aan de grond kwamen in de buurtschap Markluiden ten zuiden van Heerde, hij bracht het toestel wat op dat moment te laag vloog om veilig uit het vliegtuig te stappen naar een grotere hoogte zodat zij veilig er uit konden springen. Vrijwel onmiddellijk daarna rond de klok van 14.00 uur, volgens het rapport van de opperwachtmeester van de Marechaussee H. van Huffelen van het rayon Veessen, was er de explosie op ca. 600 meter hoogte die het toestel in een grote hoeveelheid brokstukken over grote afstand in Markluiden deed neerkomen. Tussen de brokstukken vond men naderhand het lichaam van de held Richard H. Sperry, die zich opofferde en in het staartstuk met de daaraan verbonden buikkoepel vond met het stoffelijk overschot van James B. Farrell, die mogelijk al tijdens de beschieting van een Duitse jager getroffen was en daardoor niet uit het toestel kon komen. Beiden zijn tijdelijk begraven geweest op het kerkhof aan de Mr. Nijhoffstraat.
Sperry is in januari 1946 overgebracht naar het ereveld Margraten in Limburg, en Farrell is op verzoek van de familie overgebracht naar zijn woonplaats Muskogee Oklahoma U.S.A.

William B. Lock.
Op een koude zondag op 15 januari 1944 liep Hans Mensink van 3,5 met zijn moeder Gerritjen Mensink-van den Noord van 31 jaar een stukje rond het bietenland waar zij wat suikerbieten gerooid had, langs een bosje aan de rand van dat bouwland, en waar middenin een oude schuur stond. Plotseling verscheen er een manspersoon die er wat sjofeltjes uitzag wel in militaire kleding, maar had zich zichtbaar dagenlang niet geschoren. Hij leek wat zenuwachtig en keek wat vertwijfeld naar moeder en zoon die behoorlijk geschrokken waren. Hij had zich kennelijk in dat schuurtje verborgen gehouden.
Tenslotte was het nog steeds oorlogstijd, en je kon maar nooit weten wat je tegenkwam.

De man begon voorzichtig en zachtjes te praten, maar moeder en zoon konden er geen touw aan vastknopen. Een ding kon hij hun wel aan het verstand brengen, hij wreef over zijn buik en maakte etensgebaren, ten teken dat hij behoorlijk honger had, en te zien was ook dat hij het erg koud had.Moeder gebaarde hem mee te gaan naar hun boerderij een paar honderd meter verderop, waar hij te eten kreeg en een andere broek, de broek die hij aanhad was kapot en erg vies. Na dat hij gegeten had, bracht men hem naar een slaapplaats in de boerderij en kon daar van zijn zichtbare vermoeidheid een beetje bijkomen.

Inmiddels was Antonij van den Noord, een broer van Gerritje erbij gekomen, en kwamen tot de ontdekking dat het wel om een Amerikaanse piloot moest gaan, maar verstond ook geen Engels.
Zij spraken af, dat als de man wat uitgerust was, en het wat donkerder begon te worden dat Antonij met hem naar wijkzuster Johanna Hendrika Smolders (3-6-1889 Harderwijk- 22-2-1961 Wesepe) zou gaan, zij woonde enkele kilometers verderop in een huis midden in het  bos in de buurtschap Middel met haar vriendin Johanna Bartha Henriette Bake (30-11-1885 Amsterdam-16-4-1956 Wesepe), en die spraken in elk geval Engels, en dat gaf misschien opheldering.

En inderdaad, de man sprak in het Engels met de dames Smolders en Bake, en gaf aan dat hij graag geholpen wilde worden om vanuit Wesepe naar Engeland te kunnen komen via hulp van de ondergrondse.
Antonij aanhoorde het geheel, zonder dat hij begreep waar het over ging, maar hoorde wel van zuster Smolders dat de piloot naar Olst gebracht moest worden en van daar eventueel over de IJssel verder geholpen moest worden.
Dat was voor Antonij van de Noord geen probleem, hij sprak af dat hij de volgende dag met paard en wagen langs zou komen om de piloot naar Olst te brengen zodat hij van daaruit mogelijk over de IJssel gebracht zou kunnen worden.                                    

Na een goede nachtrust bij de dames Smolders en Bake in een schuilplaats, kwam Antonij van den Noord de volgende dag met paard en wagen naar Middel beladen met een vrachtje hooi. De piloot had inmiddels zijn militaire kleding, en alles wat hij bij zich had en hem zou kunnen verraden bij de dames achtergelaten, en zich in gewone burgerkleding gehesen. De piloot kreeg opdracht op de wagen en onder het hooi zich te verstoppen en zich stil te houden, en zo begon een toch wel wat angstig ritje via binnenwegen naar Olst waar de ondergrondse inmiddels gewaarschuwd door zuster Smolders die gezien haar beroep heel veel goede en juiste personen kende die zich over de piloot zouden ontfermen en zorg zouden dragen dat hij ongezien over de IJssel in Welsum zou worden afgeleverd.

Nadat de piloot afgeleverd was in Olst, ging Antonij toch wel wat opgelucht naar huis, en alsof het paard wist wat er gebeurt was, liep die met gezwinde spoed weer naar huis.
Antonij van den Noord heeft eigenlijk nooit precies geweten hoe de piloot bij hun boerderij is gekomen, wist ook niet zijn naam en had tot ruim na de oorlog geen idee hoe als het die piloot was vergaan, en wist ook zijn naam niet.
Totdat er door de post in het voorjaar van 1946 een brief werd bezorgd vanuit Engeland met zijn naam op het adres Wesepe F 10. De inhoud was onduidelijk, was in het Engels opgesteld bleek later, dus maar weer naar zuster Smolders, en die vertelde hem dat Antonij werd bedankt voor zijn hulp aan een piloot, die kennelijk terug in Engeland zijn verhaal heeft gedaan van zijn ontsnapping uit Wesepe naar Engeland.

Jammer was wel, dat de naam van de piloot niet genoemd werd op dat certificaat met als kenmerk nr.22647, en Antonij heeft zelf nooit geweten wie als hij geholpen had.
Het certificaat kreeg nadien toch een ingelijste ereplaats in de boerderij.
Na het overlijden van Antonij en zijn ouders, kwam het in handen van Hans Mensink, het toen 3,5 jarig jongetje die het al die tijd heeft bewaart. Hans (Johan Antonij 30-8-1940 Wesepe) Mensink trouwde op 30 november 1962 in Olst, met Johanna Egberdina Nijland (27-2-1941 Wesepe).
Zij had haar vader verloren in de oorlog door splinterbommen afgegooid door Engelse vliegtuigen, en haar vader Gerrit Dorus Nijland had de pech door scherven geraakt dodelijk om te komen, terwijl haar moeder zwaar gewond werd, maar het uiteindelijk wel overleefde. De kinderen werden toen ondergebracht bij verschillende gezinnen, totdat de moeder weer in staat was voor hun te zorgen.            

Deze verhalen kreeg ik mee, toen ik bezig was om te proberen om alle namen te achterhalen van alle oorlogsslachtoffers die uit of in Olst en Wijhe waren omgekomen. Het doel was toen om al die namen geplaatst te krijgen bij de twee monumenten die in de gemeente Olst-Wijhe staan. Al die 147 namen zijn op 4 mei 2017 onthult. 73 in Wijhe en 74 in Olst waaronder die van Gerrit Dorus Nijland. Zijn dochter en kleindochter hebben in Olst de namen onthult van de Olster slachtoffers.

Het certificaat verdween op gegeven moment in de la van een kast, en kwam weer tevoorschijn bij mijn onderzoek naar de oorlogsslachtoffers. De familie heeft het certificaat aan mij geschonken, en daarna ben ik op zoek gegaan naar de naam van de piloot.
Uiteindelijk is niet veel bekend geworden over hem, maar de archieven in Engeland welke ik had aangeschreven stuurden na een lange, vooraf medegedeelde periode, dat zijn naam B. Lock was, neergeschoten was in januari 1944 en diende bij de R.C.A.F. (Royal Canadien Air Force) hij kwam uiteindelijk in Wesepe terecht en werd daar dus geholpen door de fam. van den Noord.
Bij verder navragen, bleek dat ook de wijkzuster Smolders en Johanna Bake meerdere piloten moeten hebben geholpen, omdat zij meerdere certificaten ontvangen zouden hebben.
Na de oorlog, toen hun huis hen te groot werd, zijn ze gaan wonen aan de Mengerweg in Wesepe, bijna op de plek waar de piloot uit het schuurtje kwam. Johanna Bake overleed op 16 april 1956 te Wesepe en is elders begraven, en Wijkzuster Smolders overleed op 22 februari 1961te Wesepe adres 48a en werd op 25 februari 1961 te Wesepe begraven in een graf waar door een dankbare Wesepenaar enkele Buxusplanten zijn gepland en dat jarenlang heeft bijgehouden tot een 20 jaar terug toen de laatste persoon die het bijhield overleed.                

En op de plek van dat schuurtje hebben Hans Mensink en Jo Nijland later hun huis gebouwd.
Maar het was onbevredigend, dat er niet meer bekend was over die piloot, waar was hij terechtgekomen en hoe was zijn tocht terug naar Engeland. Dus bleef ik zoeken en overal kontakten leggen.
Ik kwam in contact met Robert Jan Leerink, die ik al eens had gesproken in Wijhe rond 4 mei herdenking in Wijhe, waar wij voor elkaar allerlei vragen hadden over verschillende onderwerpen WOII aangaande. Hem vroeg ik op gegeven moment heb jij wel eens gehoord van een neergehaald vliegtuig in de omgeving van Wesepe, en piloot met de naam B.Lock uitgesprongen zou zijn. Via zijn uitgebreid netwerk, kreeg ik antwoord, dat B.Lock, mogelijk dezelfde was als William B. Lock die als piloot door luchtafweergeschut boven de buurtschap Markluiden in de gemeente Heerde, uit de lucht was geschoten, en in Wesepe aan de grond is gekomen.

Na de oorlog is er een vereniging opgericht om de geschiedenis van pilotenhulp in kaart te brengen en er over te publiceren “The Escape”. Via leden van die vereniging kreeg ik veel informatie binnen, maar het ultieme bewijs zat er voor alsnog niet tussen. The Escape heeft vele contacten gehad en briefwisselingen met vele piloten over de gehele wereld en een van die contacten was met William B.Lock die in een uitvoerige brief zijn herinnering op papier had gezet. Een passage nadat hij in Wesepe was terechtgekomen nadat hij uit zijn vliegruig was gesprongen, trok mijn aandacht, hij schrijft: “I saw a woman pulling sugarbeets”.
Hans Mensink zoals boven al geschreven liep daar met zijn moeder, en als hij zich kon herinneren dat zijn moeder suikerbieten aan het rooien was, dan was het verhaal compleet, Dus op naar Hans Mensink om hem te vragen, wat deed jouw moeder daar op dat bouwland, en hij zei zonder na te denken suikerbieten trekken. Wat later binnen de familie verteld werd dat hij over de IJssel gezet zou zijn is dus niet juist.

Zuster Smolders had door haar beroep als wijkzuster een brede kennis van wat er in de omgeving speelde, en zij had contact gelegd met de plaatselijke ondergrondse die William B. Lock tijdelijk onderbracht op een onderduikadres. Daar kwam ook Charlie Mullins terecht, die ook uit datzelfde vliegtuig was gesprongen en net over de IJssel in Terwolde terecht was gekomen. Samen zijn zij door de ondergrondse in verschillende plaatsen ondergebracht in Nederland allereerst in Deventer bij het bekende onderduikadres B.J. van der Dool, Van der Dool is op 25 april 1944 gearresteerd en in december 1944 omgekomen in Neuengamme. Daarna waarschijnlijk naar Koeslag in Laren en nadien met de trein via Zutpen, Arnhem, Nijmegen, Venlo naar Roermond. Van Roermond naar Maastricht gebracht door de groep van Jacques Vrij en door gidsen van die groep bij Caberg of Smeermaes  over de grens gezet en overgedragen aan de Belgische passeurs Souren of Beckers die hen verder hebben geholpen.

Eenmaal in België zijn zij met de trein naar Brussel gereisd waarin ook Duitse soldaten zaten. Via Brussel zouden ze naar Parijs gaan met valse persoonsbewijzen, met papieren waaruit zou blijken dat zij daar voor de Duitsers zouden gaan werken. In Parijs zijn ze met de ondergrondse naar het centrum gereisd en in een katholieke kerk opgevangen en verstopt in de toren voor enkele dagen. Een Nederlander die ontsnapt was uit Duits gevangenschap, en de priester van de kerk gingen dagelijks op pad om eten te regelen, wat een gevaarlijke bezigheid was. In de kerk zaten meerdere personen die wachten op het moment om met gidsen richting Spanje te vertrekken.
Maar op een dag werden de priester en de Hollander gesnapt door de Gestapo en gearresteerd, dat betekende dat alle ondergedoken personen de kerk hals over kop moesten verlaten voor hun eigen en voor de leden van de ondergrondse beweging. William B.Lock en Scharlie Mullins sloegen samen op de vlucht en liepen een dag en nacht en sliepen hier en daar in een hooiberg. Op gegeven moment op een namiddag spraken zij een boer aan in het veld en vroegen om hulp. Hij vertrouwde ons niet erg, maar mochten in de hooiberg slapen, en zei dat hij hulp ging halen. Die hulp kwam, maar wij moesten eerst bewijzen dat wij echt op de vlucht zijnde piloten waren en geen geïnfiltreerde Duitsers die zich als piloten voordeden.
Zij waren van een andere hulporganisatie, en brachten ons terug naar Parijs. Wij hadden toch tussen 25-35 km gelopen, maar waren dus weer terug bij af. Hier werden wij ondergebracht in een huis met de schuilnaam Charlie, en kregen daar sinds de vlucht uit Holland genoeg te eten. In dat huis zaten wij 21 dagen, en heb ik een boek welke daar lag, 3 maal uitgelezen, en keken wij via ons raam uit op de Eifeltoren.
Na 21 dagen gingen ze vanuit Parijs per trein naar Guingamp een stad ca. 8 km van de kust en vandaar met een vrachtwagen naar een nieuw onderduikadres huis Alphonse in Plouha ca. 3 km van de kust.

Na enkele dagen in dat huis doorgebracht te hebben, gingen we in de nacht van 22 maart 1944 3 km. lopend naar een klif boven aan het strand (mogelijk het strand van Le Palus welk strand omgeven is door steile rotsformaties), vandaar klimmend en glibberend naar beneden van die steile klif naar het strand, en daar wachten op Engelse zeelieden. De top van het klif werd door de Duitse wachters gecontroleerd, zodat we tussen hun rondes door moesten klauteren, een zenuwachtig gebeuren. We stonden klaar op het strand rond middernacht om opgehaald te worden maar de kanonneerboot had een kleine schermutseling met de Duitsers gehad, en kwam pas om ongeveer 4 uur ’s ochtends naar het strand. We waren erg bezorgd.

Een rubberboot bracht ons naar een kanonneerboot ca. 120 feet 35 meter lang met een bemanning van 36 koppen die enkele mijlen uit de kust lag.
Wij waren met 18 personen, zodat de roeiboot twee maal naar het strand moest. Het begon al licht te worden toen iedereen aan boord was, ze begonnen de motoren te starten en gingen heel langzaam varen om niet door het lawaai van de motoren ontdekt te worden, en geleidelijk aan te versnellen hoe verder we van de kust kwamen, tot uiteindelijk op volle snelheid van ca 50 km/u.
Op 23 maart 1944 waren we eindelijk terug in Engeland. Het hadden Charlie en ik 72 dagen gekost om te ontsnappen van de Duitse bezetters in Europa, met behulp van twee ondergrondse organisaties, “Shelbourne” en “Operation Bonaparte”, zij alleen al waren verantwoordelijk voor de veilige terugkeer van 135 geheim agenten en vliegeniers.

Raymond F.Pencek.
Raymond F. Pencek kwam met zijn parachute op de middag van 11 januari 1944 terecht aan de Boerlestraat op de Boerhaar in de gemeente Wijhe, waar in die tijd de fam. Bruggeman woonde.
Bij die landing, verstuikte hij zijn enkel, hij probeerde weg te lopen, maar een buurtbewoner zag hem en hielp hem naar een boerderij in de omgeving.
Ze gaven hem daar te eten, maar de gedachte dat er te veel mensen rond hem waren benauwde hem, dus ging hij er weer vandoor om zo te proberen zich te verbergen. Een 16 jarige jongen uit de buurt (Antoon Freriks) nam hem vervolgens mee naar de boerderij van Jans Beumer waar hem een blauwe overal werd aangemeten. Toen de politie arriveerde, was hij natuurlijk al gevlogen en konden zij enkel zijn vliegerjas, pistool en zwemvest in beslag nemen.
Daarna ging Pencek met twee begeleiders op de fiets naar Broekland, Pencek als boerenarbeider in overal en inmiddels in het bezit van een hooivork, terwijl onderweg verschillende Duitsers gepasseerd werden. In Broekland werd hij tijdelijk verborgen in de dorpsschool, en later die middag naar het huis van een lid van de ondergrondse. Diezelfde avond nog, gingen zij op de fiets via Raalte naar Mariënheem, waar hij twee dagen bij de ondergrondse werd ondergebracht. Genaamd oom Herman (Ben Doppen lid Raalter ondergrondse). Na 2 dagen ging hij naar Lichtenvoorde, de geboorteplaats van Ben Doppen (2-12-1914), en waardoor hij op de hoogte was van de plaatselijke ondergrondse, ca 60 kilometer naar het zuiden. ’s Nachts sliep hij in de buitenlucht en ging vervolgens naar het gezin van Martin Lelivelt, (Martinus Antonius Lelivelt geboren 17-1-1896 Lichtenvoorde gefusilleerd 25-7-1944 Rhijnauwen, hij was gehuwd met de Duitse Johanna Clara Maria Ludmilla Hund, geboren op 24-8-1896 Hamm en overleden 10-5-1973 Lichtenvoorde) het gezin bestond uit het echtpaar en  twee zonen en een dochter Mia. Hier verbleef hij de volgende vijf weken, in een vernuftig onderkomen op zolder, waar Martin Lelivelt, als timmerman,  een dubbele zolder had gemaakt.

Lt. Ford Wade Babcock, een andere Amerikaanse piloot was hier ook ondergedoken.
Ongeveer op 17 februari, bracht een jonge Hollandse verzetsman hen per trein via Zutphen, Nijmegen naar Echt in Limburg. Op de laatstgenoemde plaats verbleven zij bij twee marechaussees, leden van de ondergrondse. Er waren daar ook drie Franse vluchtelingen.
Een priester en een marechaussee namen hen mee voor een rit van ca. 15 – 20 minuten naar de Maas, maar ze konden er geen boot vinden voor de oversteek van de Maas en wij moesten toen blijven wachten op een onderduikplek bij de andere marechaussee.
De volgende nacht roeiden ze ons over de Maas en ontmoeten wij aan de overkant enkele Belgen. De Amerikanen en Fransen werden daar van elkaar gescheiden. Een gids bracht ons naar een klein dorp in de buurt van Lanklaar waar we bij een oudere dame kort zouden verblijven. De volgende dag bracht onze gids Albert Bigelow ons naar het klooster van de Zusters van Voorzienigheid waar we zes dagen bleven. We ontmoetten daar Mickey een luitenant vlieger die op 9 februari was neergeschoten door een Duitse jager.

Wij gingen met de fiets naar Hasselt en verbleven bij een ingenieur die voor de Belgische overheid werkte, M. de Bergniot, een veteraan uit de laatste oorlog die een volwassen zoon en dochter had. De volgende dag namen een onbekende man en vrouw ons mee naar Brussel. Daar aangekomen, bleek er aanvankelijk geen plaats voor ons te zijn, maar dat werd opgelost door een dunne, lange, donkerharige onbekende man met een snor en een bril. Het klonk alsof hij het hoofd was van de Nederlandse/Parijzenaars in Brussel, later hoorden wij, dat deze man rond 25 februari 1944 werd gevangen genomen, samen met nog 13 bemanningsleden van vliegtuigen en een Rus. Deze informatie hadden we van de inwoners uit Hasselt verkregen. Wij gingen met een onbekende Nederlandse jongen naar de slagerij van Emile Moens, Rue de President 67, Brussel, en bleven daar vijf weken. We ontmoetten daar Theo Moens, de broer van onze gastheer.
Na vier weken vertrekt Lt. Ford Wade Babcock en leek te worden overgedragen aan een andere organisatie. Hij werd overgedragen, omdat hij erg ontevreden was met de gang van zaken, na de oorlog heeft hij daar zijn excuus voor gemaakt bij een bezoek aan Nederland.
Ene Victor kwam, en die nam Pencek mee naar zijn huis. Daarna ging Pincek één nacht naar de gendarme Marcel, die hem naar de fam. Wemel bracht, adres Herman Chatelaine 282 Chaussee de Bruxelles bracht, waar hij 18 dagen verbleef. Marcel nam hem daarna dan weer terug mee naar zijn eigen huis en daarna ondergebracht bij Victor’s huis waar wij de bevrijders Bib en Ro ontmoetten, die leefden daar met een man genaamd Bill, beiden gingen ongeveer 29 maart naar Charleroi, diezelfde dag ging Pencek naar een oudere vrouw, Bertha Fille, in de Reu de Boer, en bleef daar een week, maar de plek was zo vies dat hij vroeg om te mogen verhuizen. Hij ontmoette een Belg, die één Amerikaan, Max (Gottlieb) en één Engelsman Louis in huis had. Vervolgens ging hij naar Molenbeek waar hij ongeveer acht dagen verbleef bij een weduwe van ongeveer 33 jaar. Hij ontmoette John Meredith, Bob Hersch en Jim Brown, allemaal leden van een vliegtuigbemanning.
Van deze plaats verhuisde hij naar 758 Chausee d ‘Almsberg en verbleef bij een weduwe en haar dochter, Marcelle Martens. Hij moest hier plots weg, omdat er iemand gearresteerd werd, Victor, Henri, Simone, allemaal vertrokken ze van dit adres. Zo ongeveer 1 juni ging hij naar 1 Charles Bernaetz, Louis Rosatiyon, en verbleef daar tot 13 augustus. Op deze datum bracht Simone en een andere vrouw hem naar een klooster op 314 Reu Leopold I waar hij bleef totdat de stad op 5 september werd bevrijd. Op dit moment ontmoette hij Mevr. Anne Brusselmans, die het hoofd van de ondergrondse organisatie moest zijn.
Ene Germaine bracht hem naar haar toe, en zij nam hem vervolgens mee naar het Hotel Metropole waar hij Lt. Woods of WEA en een aantal andere Amerikanen zag. Deze mensen regelden vrachtwagens om naar Parijs te rijden met de onderduikers, maar er was niet genoeg ruimte voor alle onderduikers, dus Pencek bleef twee dagen langer in Brussel en hapte vervolgens toe om terug te kunnen gaan naar de RCAF (Royal Canadiën Air Force) op de vliegbasis Podington in Engeland als een gelukkig man.                                                                  
Met dank aan de Hr.en Mevr. Mensink-Nijland en hun dochter Gerda Tijhaar-Mensink.
Robert Jan Leerink, Wolter Noordman, Wim Willemsen, Huub van Sabben, en hen die ik aangesproken heb op mijn speurtocht in Middel en Wesepe, zonder hun naam te kennen. Historische Vereniging Heerde: Heerde 1940-1945.Edwin Kleijn van het NOB (Netwerk Oorlogs Bronnen) die mij van advies diende .

Diverse internetsites.

Anton Heijmerikx
anton@heijmerikx.nl

Een der laatste transporten naar Westerbork 6 februai 1945

Het was een beschieting door een Engelse bommenwerper, die samen met nog 6 andere bommenwerpers in Overijssel op zoek waren naar transporten en lanceerinrichtingen van V1 en V2 raketten. Een hunner zag op de dijk bij Wijhe een grote vrachtauto richting Zwolle rijden. Na het afwerpen van lichtkogels zag de piloot dat het een grote Duitse militaire vrachtwagen was.
De bemanning besloot om het  aan te vallen, en beschoot in enkele duikvluchten de vrachtauto van voren als wel van achteren.
De gevolgen waren enorm, het was een der laatste transporten van Joodse gevangenen richting Westerbork. Bij die aanval zijn 7 hunner onmiddellijk dodelijk getroffen, 1 persoon Willy Polak geboren op 23-10-1915 overleed even later bij de fam. Witholt waar hij zwaar gewond naar binnen was gebracht. Hij werd later te Wijhe begraven en liet vrouw en een zoontje van bijna 2 jaar achter; 2 maand later beviel zij nog van een dochter.         
Op weg naar het ziekenhuis in Zwolle, overleden nog eens 3 personen aan hun verwondingen, Mozes Duis 50 jr, Benedictus Furth 55 jr, Samuel Kool 59 jr. Diezelfde dag stierven in het ziekenhuis nog eens 2 zwaargewonden, Simon de Vries 51 jr. Isidoor Polk 36 jr. en op 7 maart bezweek Rachel Leisen 27 jr. alsnog aan haar verwondingen. Andere gewonden, zeker 3 personen, werden na behandeling in Zwolle naar een ander noodhospitaal gebracht, de Dr. Fransenschool aan de Middelweg. Ook 2 kinderen kwamen daar voor behandeling terecht.

Eén van die kinderen, Ronnie Groenteman en nog geen 2 jaar, was door een kogel gewond geraakt aan zijn kleine teen, is na behandeling aan een toevallig passerend echtpaar, de fam. Van Alderen, in hun handen gedrukt en is daar gebleven tot het eind van de oorlog. Gezien de ernst van de toestand, noemden zij hem Ernst. In juni 1945 is hij weer herenigd met zijn ouders die de oorlog in onderdijk hebben overleefd.

Een niet met naam bekende vrouw werd op 7 maart 1945 uit het ziekenhuis ontslagen.
Mevr. Coronel werd ontslagen op 31 maart 1945, maar bleef haar leven lang aan geheugenverlies lijden. Zij hield haar verdere leven hinder van haar verwondingen. Zij herinnerde zich dat er ca. 25 a 30 personen in de vrachtauto zaten, maar een reconstructie van het voorval leerde dat er minstens 40 personen in de vrachtauto moeten hebben gezeten.
De meesten zaten in Amsterdam gevangen door verraad en zijn vanuit de Amsterdamse Schouwburg op transport gezet naar Westerbork.
Dit transport was een der laatste transporten naar Westerbork.

Ook onder de Grüne Polizei die het transport begeleidde zijn doden en gewonden gevallen, maar een juist aantal is niet bekend. Wel bleek dat de Duitsers, nadat zij bij het beschoten transport aankwamen, eerst hun eigen mensen hebben verzorgd en afgevoerd naar het ziekenhuis in Zwolle en zich daarna pas hebben bekommerd over de Joodse slachtoffers die niet konden vluchten.
Voor het vervoer van de gewonde Joden was men meer aangewezen op paard en wagen. Dat was niet geheel ongevaarlijk, want Engelse vliegtuigen schoten op het eind van de oorlog zo ongeveer op alles wat zich op de weg bevond. Rijdend op een dijk had men niet veel uitwijkmogelijkheden.

Andere gewonden en personen die geen verwondingen hadden opgelopen namen de kans waar om te vluchten. Ze probeerden zo snel als mogelijk een veilige plek te zoeken.

Verhalen daarover staan in het boek van Jan Veerman: “Wijhe voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog”, deel 3.

Een hunner, naar later bleek Johanna Kapp, was gewond aan haar been en schouder. Zij werd gevonden in het weiland van landbouwer Drosten aan de Zandwetering. Riek Drosten begeleidde haar op weg naar een veilige plek. Ze kwamen via de Gelder en de Hamelweg bij landbouwer Hoogeland nabij Langeveldslo, die haar met paard en wagen naar het evacuatiegebouw in Raalte bracht.
Van daaruit werd ze opgenomen in het Raalter ziekenhuis.
Daar is zij ca. 14 dagen verpleegd en verzorgd en had daar veelvuldig contact met Willem Albers van het plaatselijk verzet. Aan hem vertelde zij dat haar man was ondergedoken in Wageningen en zij graag wilde dat hij naar Raalte kwam. Haar werd ontraden om contact met haar man te zoeken. Men vond dat te gevaarlijk, maar desondanks kwam hij, Martijn Schatz, toch onverwachts in Raalte aan. Samen doken zij onder, via bemiddeling van het verzet in Raalte, op de boerderij van de fam. Rechterschot aan de Schoonhetenseweg waar zij overigens de beschikking kregen over een eigen slaapkamer. Op die boerderij waren overigens meerdere onderduikers, die vaak ’s avonds gezamenlijk in de keuken elkaars gezelschap zochten. Bij onraad zochten zij allen een plek in een schuilhut verborgen in een nabij gelegen bos, ondergronds en verstevigd met balken, takken, mos, gras- en heideplaggen. De fam. Rechterschot had natuurlijk wel een vermoeden dat er Joodse onderduikers bij zouden kunnen zitten, maar wisten niet alles van hun tijdelijke inwoners. De kinderen Rechterschot hebben goede herinneringen aan die tijd. Ze hadden een goed contact met o.a. Johanna Kapp, die vaak met de kinderen bezig was.
Maar Johanna Kapp werd ziek, zij kreeg difterie, een erg besmettelijke ziekte. Dr. Van der Werf uit Raalte is nog bij haar geweest, maar kon ook niets meer voor haar doen. Zij overleed op 29 maart 1945.

Martijn Schatz vroeg aan vader Rechterschot of hij samen met hem wilden bidden, bij en voor zijn vrouw. Toen wist hij zeker dat het Joden waren; hij vertelde: Martijn zette zijn petje op en ik deed mijn pet af. Na de oorlog heeft Martijn Schatz een boom laten planten in het Westerweelwoud op de helling van de Israëlische berg Efraïm in Galilei, uit dankbaarheid voor de hulp van de familie Rechterschot ontvangen. Maar toen had men een probleem, hoe kon je zonder problemen op een nette manier van een overleden Joodse onderduikster afkomen.In het geheim werd zij op een platte wagen afgevoerd naar de algemene begraafplaats in Raalte en begraven in graf nr. 1132 (zie artikel in de Stentor van 17 april 2007). Het Raalter verzet heeft hier ongetwijfeld een rol in gespeeld. Anno 2016 is het nog steeds naamloos aanwezig. Op haar graf staat enkel het nummer 1132.

De volgende dag doet Cornelis Evert Jan Peet (lid van het Raalter verzet) hoofd ener school aangifte van het overlijden van de Jong, Johanna oud twee en dertig jaren, zonder beroep, geboren te Worms, Duitsland, wonende te Renkum, echtgenote van Bledgen, Martijn, dochter van de Jong, Johan en van Kapp, Hendrika, beiden overleden. Spannend is het in huize Rechterschot uiteraard ook wel meer geweest. Veel geluk hebben zij ook gehad. Vlak voor het einde van de oorlog kwamen er Duitse soldaten bij hen ingekwartierd. Eén hunner ontdekte dat er Joodse onderduikers in huis woonden, maar omdat het einde van de oorlog aanstaande was en hun fanatisme geluwd was, maakten zij er geen werk meer van. Wanneer dat wel was gebeurd was het ongetwijfeld verkeerd afgelopen. Hiermee zou het leven van Johanna Kapp en haar verhaal ten einde zijn geweest, behalve in de herinnering van hen die haar gekend hebben, maar niets in minder waar.

Martijn Schatz die na de oorlog in s’Gravenhage woonde en daar als accountant werkzaam was, onderhield regelmatig contact met zijn helpers van weleer en kwam ook vele malen naar Schoonheten met zijn latere 2e echtgenote. Probleem voor hem was alleen dat hij niet een wettig huwelijk aan kon gaan, omdat de papieren van zijn overleden vrouw ontbraken. Voor haar was immers onder valse naam aangifte gedaan van haar overlijden.
In 1953 werd daarom een akte opgemaakt bij de Zutphense Arrondissement Rechtbank, waarin door getuigen werd verklaard dat de aangegeven Johanna de Jong in werkelijkheid Johanna Kapp was, geboren op 12-12-1912 te Worms Duitsland, dochter van Moritz Kapp veehandelaar en Selma Sara Marx.

In die opgemaakte akte staat ook dat zij te Amsterdam gehuwd is met Martijn Schatz op 13 augustus 1941 en zij eerder gehuwd geweest is met Martijn Spitz welk huwelijk ontbonden is. Het 1e huwelijk was een schijnhuwelijk. Zij kwam op 1 maart 1934 van Worms naar Amsterdam en verdiende de kost als dienstmeisje, maar studeerde daarnaast ook voor lerares lichamelijke opvoeding, welke studie zij met goed gevolg afsloot. Haar vader was al eerder overleden en haar moeder overleed op 31 oktober 1934 in Worms. Haar vertrek bij het begin van het Drittes Reich kwam enkel omdat zij toen al voorzag dat in Duitsland voor Joden geen of praktisch geen ontplooiingsmogelijkheden waren. Maar als zij dan werk zoekt in Nederland met haar diploma lichamelijke opvoeding, ondervindt zij als Duitse ook hier grote problemen met het vinden van een baan. Het wordt haar onmogelijk gemaakt. Een inmiddels goede Joodse Nederlandse vriend, Martijn Spitz, is bereid met haar een schijnhuwelijk aan te gaan, om haar zodoende de Nederlandse nationaliteit te verschaffen en mogelijk zo werk te kunnen vinden als lerares lichamelijke opvoeding.

Martijn Spitz is geboren op 22 maart 1912 te Amsterdam en overleden op 7 september 2004 te Jeruzalem. Hij was een zoon van Joachim Spitz en Rebecca Marchand. Martijn Spitz is na het ontbinden van zijn schijnhuwelijk opnieuw in het huwelijk getreden met Bernardina Elisabeth Glaser, geboren te Nijmegen op 16 maart 1919 en overleden op 27 februari 2000 te Jeruzalem. Samen kregen zij 3 kinderen, Dan Jochanan, Michal Hanna en Ada Rivka. Na de ontbinding van haar schijnhuwelijk met Martijn Spitz huwt zij dus met Martijn Schatz, maar duikt samen met hem en haar schoonmoeder nadien onder tijdens de Duitse bezetting, voor zover bekend in de omgeving van Ede Wageningen. Johanna Schatz-Kapp is dus op gegeven moment opgepakt, haar man en schoonmoeder niet. Waarom zij wel en de andere familieleden niet, geven de archieven niet prijs, werd op transport gezet naar Westerbork, waar zij dus zoals hierboven omschreven nimmer is aangekomen.

Bekend is wel dat nadien een zwangere vrouw gearresteerd is. Of er andere leden van de groep na de beschieting zijn opgepakt en alsnog naar Westerbork zijn afgevoerd, is niet bekend. Maar mocht het wel zo zijn, dan hebben zij mogelijk toch geluk gehad, want het laatste transport  uit Westerbork richting de vernietigingskampen was al op 13 september 1944.

Dat waren mevr. Jetje Gerritse – Aldewereld, haar dochter Regina Sonépouse – Gerritse en schoonzoon Sylvain Sonépouse. Uit deel 3 “Wijhe voor en tijdens de oorlog” van Jan Veerman, hieronder een uittreksel uit het verhaal van mevr. Regina Sonépouse-Gerritse.

Wij zaten met 5 familieleden in de oorlog al ondergedoken in Amsterdam, maar werden na verraad opgepakt op 6 januari 1945. Twee leden weten te ontkomen en wij drieën werden gevangen gezet op verschillende plaatsen in Amsterdam. In de nacht van 5 op 6 februari gingen wij met het laatste transport naar Westerbork, begeleid door leden van de Grüne Polizei in een dichte vrachtauto, zodat wij niet konden zien waar wij reden, urenlang. In de ochtend hoorden wij vliegtuigen en werden beschoten, gevolgd door gekerm van gewonden en geschreeuw van de begeleiders. Iedereen probeerde zo snel als mogelijk uit de stilstaande vrachtauto te komen en een veilig heenkomen te zoeken,  zo ook wij drieën. Mevr. Regina Sonépouse-Gerritse was gewond, had een schotwond opgelopen en granaatscherven in haar rug en het lopen ging dan ook erg moeilijk. Bij het uitstappen zagen ze dat bij een Duitser, een deel van zijn hoofd was weggeschoten, en mijn moeder legde er een doek over, hij was weliswaar een vijand, maar toch ook een mens. Moeder en mijn man waren niet gewond, maar wel zwak. Bij het dichtstbijzijnde huis werd op herhaald bonzen niet opengedaan. Wij zijn toen verder gekropen door sloten, over prikkeldraad en kwamen bij een boerderij aan. Mevr. Coronel die bij ons was kon niet verder en mocht bij de boer achterblijven. Hij zorgde ervoor dat zij in Zwolle in het ziekenhuis terechtkwam. Wij moesten verder, want de Duitsers gingen zeker op zoek naar gevluchte Joden. Wij kwamen op een volgende boerderij terecht, waar wij volop te eten kregen van de twee bewoonsters, in een kamer met veel antiek. Na een verdere vermoeiende tocht, bereikten wij de kerk van Broekland. Via de koster kwamen wij bij de fam. Jansen terecht. Mevr. Jansen belde meteen dr. Goedhart uit Raalte, want ik was volkomen uitgeput en had het bloed in mijn schoenen staan. Ik kreeg een behandeling in het ziekenhuis van Raalte en keerde daarna weer terug naar de fam. Jansen in Broekland. Na enkele weken gingen wij naar een gebouw in Raalte waar veel evacués opgevangen werden. Omdat de omstandigheden niet hygiënisch waren met ook veel ongedierte, zijn wij toch op zoek gegaan naar een privé-adres waar wij mogelijk het einde van de oorlog af mochten wachten. Wij vonden  bij de fam. Johan van Noorel in de Grotestraat een veilig en gastvrij, kortom een geweldig onderkomen.

Tussen de families Jansen, van Noorel en Sonépouse, zijn jarenlange vriendschapsbanden onderhouden, met bezoeken over en weer.
Helaas heeft mevr. Jetje Gerritse-Aldewereld de gevolgen van de oorlog niet kunnen verwerken. Zij verkoos in mei 1956 op haar eigen wijze uit het leven te stappen.

Bij een reconstructie na de oorlog bleek dat er minstens tussen 30-40 personen in de vrachtauto moeten hebben gezeten. Er zijn er dus meer ontkomen, maar van hun avonturen is weinig of niets bekend geworden. Enkele namen zijn na intensief speurwerk in 2019 bekend geworden.

1 Willy Polak dodelijk getroffen, (23-10-1915 Amsterdam-6-2-1945 Wijhe) begraven Algemene begraafplaats Wijhe.
2 Mozes Duis dodelijk getroffen, begraven 10-2-1945 Kranenburg Zwolle, graf is inmiddels geruimd. (3-1-1895 Amsterdam-6-2-1945 Wijhe)
3 Benedictus Furth dodelijk getroffen begraven 10-2-1945 Kranenburg Zwolle, herbegraven Ereveld Loenen (11-4-1889 Amsterdam-6-2-1945 Wijhe)
4 Samuel Kool dodelijk getroffen begraven 10-2-1945 Kranenburg Zwolle, herbegraven Joodse begraafplaats Muiden (1-7-1885-6-2-1945 Wijhe)
5 Rebecca Berta Kool-Groen is gevlucht en ondergedoken (8-6-1884 Amsterdam-21-4-1976 Amsterdam)6 Julie Kool-Schatz is gevlucht en ondergedoken mogelijk Apeldoorn.  (10-11-1916 Amsterdam-25-5-2010 Groningen) Haar man Rudolf Kool (2-3-1915 Amsterdam-2-3-2002 Beer Yaakof Isr)zat ondergedoken in Overijssel en zwom op het eind van de oorlog de Regge over naar de Canadezen.
7 Simon de Vries dodelijk getroffen begraven Kranenburg Zwolle, graf is inmiddels geruimd. (8-9-1893 Amsterdam-6-2-1945 Zwolle)
8 Isidor Polk dodelijk getroffen begraven Kranenburg Zwolle, graf is inmiddels geruimd. (15-4-1908 Amsterdam-6-2-1945 Zwolle)
9 Rachel Leisen zwaar gewond overleden 7-3-1945 Zwolle begraven 15-3-1945 Kranenburg Zwolle, graf is inmiddels geruimd. (16-12-1918 Amstrdam-7-3-1945 Zwolle)
10 Johanna Schatz-Kapp (schoonzus nr.6) licht gewond gevlucht ondergedoken fam. Rechterschot Schoonheeten. Kort voor het einde van de oorlog in onderduik overleden en stiekem begraven door de ondergrondse op de algemene begraafplaats Raalte onder valse naam. (12-12-1912 Worms D-29-3-1945 Raalte) Haar man Martijn Pinchas Schatz werd met een groep naar verluid vastgehouden in Apeldoorn en kon niet op transport gesteld worden. In 2017 is in Raalte een klein gedenksteentje geplaatst met haar eigen naam, en in 2018 is een foto bekend geworden van het echtpaar Schatz-Kapp.     
11 Ronnie (Aron) Groenteman jong kind lichtgewond ondergedoken fam. Van Alderen Zwolle (27-5-1943 Amsterdam)De Fam. v. Aalderen bood hulp bij het passeren bij het noodziekenhuis van Zwolle, en hielden daar bij toeval Ronnie Groenteman aan over, die zij de naam van Ernst gaven gezien de moeilijke tijden. In juni 1945 werd Ronnie weer met zijn ouders herenigd, die de oorlog hadden overleeft in onderduik.
12 Rika Coronel-(Salstman of Salomons) gewond en ontslagen ziekenhuis Zwolle 31 maart 1945
13 Vrouw met onbekende naam gewond en ontslagen uit ziekenhuis Zwolle 7 maart 1945
14 Jetje Gerritse-Aldewereld ondergedoken bij fam. Van Noorel-Hutterd in de Grotestraat Raalte.(29-6-1894 Amsterdam-8-5-1956 Amsterdam)
15 Regina Sonepouse-Gerritse ondergedoken bij fam. Van Noorel-Hutterd in de Grotestraat Raalte (6-9-1916 Amsterdam- 23-6-2000 Amsterdam)
16 Silvain Sonepouse ondergedoken bij fam. Van Noorel-Hutterd in de Grotestraat Raalte (6-8-1913 Amsterdam-5-2-1987 Amsterdam)
17 Paul Mayer, licht gewond geraakt, bleef tot de dood van Willy Polak bij hem, is nadien gevlucht. Hij is geboren op 6-11-1880 onbekend waar en overleden op 28-3-1967 te Amsterdam. Hij was gehuwd met Lotte Heidorn geboren 5-8-1886 onbekend waar, die overleed op 9-4-1969 te Amsterdam. Het echtpaar had geen kinderen en zij waren gemengd gehuwd, hij Joods en zij Evangelisch. Op 13-8-1942 werd melding gemaakt van hun huwelijk door “Der Reichscommissar fur die besetzten Niederlandische gebiete” Hans Albin Rauter met de vermelding “lebt in Mischehe mit”.

Colofoon:
Wijhe voor en tijdens WOII – G.J.Veerman
Mevr. Chaja Meir-Kool, Israël
Hr. Itamar Kool, Groningen
Mevr. Ineke van Noorel, Amerika
Hr. Frank Polak, Amsterdam
H.C.O. Zwolle


Anton G.M. Heijmerikx
anton@heijmerikx.nl
www: heijmerikx.nl

Nooit heb ik, wat ons werd ontnomen, zo bitter bitter liefgehad.


Opschrift Monument slachtoffers “Apeldoornse Bosch”In het Prinsenpark te Apeldoorn.(AH)

Het Apeldoornse Bosch.

Een bijzondere Joodse instelling, gelegen te midden van de bossen net even buiten Apeldoorn gelegen aan de weg naar Zutphen. Opgericht in 1909, hier werden Joodse psychiatrische patiënten volgens de toen geldende modernste medische inzichten behandeld en verpleegd.
Het was een snelgroeiende instelling, waar rond 1938 ca. 900 patiënten verpleegd werden. Het Apeldoornse Bosch had ook een afdeling voor zwakzinnige en moeilijk opvoedbare kinderen, het Paedagogium Achisomog (Achisomog betekent “mijn broeder tot steun”), waar in 1938 74 patiënten verbleven.

Onder leiding van Dr Jacques Lobstein (Borculo 1883—Troebitz 5-1945 op weg naar huis vanuit Bergen-Belsen) sinds 1936, verliepen de gebeurtenissen in het Apeldoornse Bosch rustig. Weliswaar had men door de problemen die de Joden ondervonden in Duitsland enkele lichte gevallen hier opgenomen, maar op het grote complex van paviljoens en tuinen viel dat niet op, men had van de Duitsers op een hele enkele keer na geen enkele last.

Heel af en toe werd er iets gevorderd, maar verder leek de oorlog ver weg.
Op 31 december 1942 woonden er bijna 1100 mannelijke en vrouwelijke patiënten, zij werden verzorgd door verplegend, huishoudelijk en technisch personeel tussen 4-500 personen.
In het Paedagogium Achisomog woonden 74 jongens en 20 meisjes, andere bronnen geven een ander zij het klein afwijkend getal.
Men kan zich afvragen, of de Joodse leiding onder Dr. Lobstein de catastrofe niet heeft zien aankomen, de nazi’s die, en Joden wilden vernietigen, en krankzinnigen uitroeiden, waarom zouden zij dan het Apeldoornse Bosch met rust laten.
Punt is dan ook nog, dat de Duitsers meermalen op bezoek zijn geweest om het hele complex te bekijken, omdat dat bijzonder geschikt zou zijn om er verschillende Duitse instanties in onder te brengen. En ook, ondanks waarschuwingen van een toenmalige inspecteur van Staatstoezicht op Krankzinnigen en Krankzinnigengestichten (hij was zelfs lid van het Medisch Front en de N.S.B.) in november 1942 onder de grootste geheimhouding en in aanwezigheid van Dr. N. Speijer met de mededeling kwam, dat de Duitsers het Apeldoornse Bosch wilden liquideren. Een maand later kwam hij nog eens waarschuwen, maar Dr. Lobstein weigerde beide keren maatregelen te nemen.
Hij had een mededeling van het Rijkscommissariaat, volgens eigen zeggen, dat hij zich geen zorgen hoefde te maken.

Dr. Speijer echter had vele personeelsleden en lichte patiënten al aangeraden om te vertrekken. De Reichsgesundheitsfuhrer Dr. Leonardo Conti (Lugano 24-8-1900 – Nurnberg 6-10-1945) had ook iets vernomen en verzocht per telex op 22 december 1942 aan Arthur Seyss Inquart (geboren als Artur Zajtich te Stannern 22-7-1892—Neurenberg 16-10-1946), met afschriften aan Johann Baptist Albin (Hanns Albin) Rauter (Klagenfurt 4-2-1895 – Scheveningen 25-3-1949), Friedrich Wimmer (Salzburg 9-7-1897—Regensburg 2-8-1965) en Dr. Wilhelm Harster (Kelheim 21-7-1904—Munchen 25-12-1991) om het Apeldoornse Bosch vrij van Joden te maken en de inrichting voor hem beschikbaar te stellen. Op 22 december 1942 komen in een vergadering van meerdere secretarissen generaals de plaatsen aan de orde, waarheen men verschillende regeringsinstellingen wil verplaatsen, waaronder o.a. het complex van het Apeldoornse Bosch. Het was Harster die via een tussenpersoon van Adolf Eichmann de opdracht krijgt, om het Apeldoornse Bosch te ontruimen. Harster op zijn beurt geeft die opdracht weer door aan Ferdinand Hugo Aus der Fünten (Mülheim an der Ruhr 17-12-1909—Duisburg 19-4-1989).
Adolf Eichmann stuurt een trein met 25 wagons, om de patiënten weg te voeren.
Op 11 januari 1943 rond de klok van 18.00 uur komt Aus der Fünten in burger de inrichting bezoeken, laat zich door het hele complex uitvoerig rondleiden, en verzoekt om een situatietekening. Dr Lobstein kreeg de indruk, dat bleek bij latere verhoren, dat Aus der Fünten hierheen gekomen was, om plek te zoeken voor Joden die hier mogelijk vanuit elders zouden worden ondergebracht.
Op 19 januari 1943 deelde de Apeldoornse commissaris van politie aan ingezetenen van Apeldoorn en Dr.Lobstein mede, dat Apeldoorn Jodenvrij gemaakt moest worden, en werd het wel heel erg duidelijk dat het Apeldoornse Bosch groot gevaar liep evenals het nabijgelegen Paedagogium Achisomog, en alle Joodse inwoners van Apeldoorn.

Op 20 januari verschijnt er in het Apeldoornse Bosch een kleine honderd man van de Ordedienst uit Westerbork, onder leiding van de kampcommandant Albert Konrad Gemmeker (Dusseldorf 27-9-1907 – Duitsland 1982), die Dr. Lobstein gelast deze mannen onderdak te verlenen en zich openlijk afvroeg waarom Auf der Fünten niet aanwezig was. Overigens stelde hij Dr.Lobstein gerust door te verklaren dat deze mannen op doorreis waren naar Amsterdam en de volgende dag zouden vertrekken. Hoe naïef kan men zijn, Lobstein gelooft nog steeds dat er niets met zijn patiënten zal gebeuren.
Deze ODers uit Westerbork waren leden van de Joodse ordedienst, vaak oud militairen en jongeren die de orde in Westerbork moesten bewaren; soms werden zij ingezet voor acties buiten Westerbork, zoals bij grote razzia’s in 1943 in Amsterdam, en bij de ontruiming van het Apeldoornse Bosch.
Wel hebben zij een oogje dichtgeknepen en zijn er die nacht ruim 100 personen ontsnapt.
Het zal een onrustige nacht geweest zijn, de meesten begrijpen dat er iets gaat gebeuren, maar het is een krankzinnigengesticht, velen begrijpen dan ook niet wat er zou kunnen gebeuren. Personeel en patiënten, alles is in rep en roer, ernstige patiënten die opgesloten zitten, debielen, idioten, dementen, psychopaten en schizofrenen (woorden die in die tijd gebruikelijk waren, maar heden gelukkig niet meer gangbaar) die zich niet kunnen verweren, en geen raad weten, sommigen argeloos rustig, anderen in complete paniek.
Aus der Fünten had de leiding, maar gaf soms Harster en soms ook Zopf de schuld als zijnde zijn opdrachtgever in het proces na de oorlog.

Aus der Fünten, had opdracht om het Apeldoornse Bosch te ontruimen in de nacht van 21 op 22 januari, maar misverstanden hadden tot gevolg dat Gemmeker met zijn OD een dag te vroeg in Apeldoorn arriveerden, en het ongelooflijke was, dat daarmee niet echt de alarmbellen deed rinkelen. In het proces na de oorlog gaf Auf der Fünten dan ook Gemmeker en zijn OD de schuld van het vervoer van de verpleegden, ondanks getuigenverklaringen dat hij in die nacht als een baarlijke duivel te keer gaat, scheldt en schreeuwt en lacht tijdens afschuwelijke situaties, en geeft hij onmenselijke opdrachten en bevelen. Ook stabartz Dr.Mayer uit de staf van Rauter krijgt de schuld van e.e.a., en Kriminalsekretar Hassel die belast was met de bewaking. Aus der Fünten had dus naar eigen zeggen enkel geleid, anderen hadden het werk gedaan. Gemmeker gaf toe, dat hij met 100 man OD naar Apeldoorn was gekomen in opdracht van Zopf, maar enkel belast was met afzetting van het terrein; het inladen van patiënten, daarvan was geen sprake, daar was Untersturmfuhrer Werner aansprakelijk met de Schutzpolizei. Zo schoof eenieder de schuld door naar anderen.

Op 21 januari, deed het personeel alles, wat in hun vermogen lag, om zoveel mogelijk eten klaar te maken om mee te nemen, verzamelde men zoveel mogelijk medicijnen en medisch gereedschap dat nodig was maar van dat alles kwam niets terecht, uiteindelijk bleef alles achter. Gaande de dag werden doctoren en afdelingshoofden in kamers opgesloten, werden verpleegsters en verplegers gescheiden van hun patiënten, en werden de patiënten behandeld door Duitse en Joodse helpers onder leiding van Aus der Fünten.

Het vervoer verliep in 2 etappes, eerst werden zij in vrachtwagens vervoerd naar het station van Apeldoorn en vervolgens in veewagons geladen van de trein die klaarstond op het rangeerterrein.
Het vervoer van verstandige mensen is vaak al paniekerig en angstig, dan kan men zich voorstellen dat het vervoer van personen met een zware verstandelijke beperking al helemaal uit de hand moet lopen. Bij het inladen van de vrachtwagens liep het al volkomen uit de hand, niet begrijpend waarom men in een vrachtwagen moest stappen, er weer proberen om uit te stappen, vervolg was uiteindelijk dat men erin geslagen werd, jong, oud, ziek, en was men niet in staat om zelfstandig in te stappen, dan gooide men hen erin. Oude vrouwen gelegen op matrassen werden de vrachtwagen ingeschoven en een volgende mensen laag er overheen aldus ooggetuigen. De laadklep ging steeds met moeite dicht, men moest kracht gebruiken om die dicht te krijgen, mensen werden daardoor op elkaar geperst, en was er dan een ongelukkige die zijn vingers tussen de laadklep kreeg, had die pech, de klep moest dicht.
Sommige leden van de Joodse OD wilden hier en daar nog dekens uitdelen aan patiënten die soms niet meer aanhadden dan hun nachtkleding, maar dat werd verhinderd door Duitse officieren, met de woorden “dat is zonde”. Ook een arts wilde een lans breken voor sommige patiënten, maar Aus der Fünten antwoorde, niet nodig “ze zijn allemaal asociaal”.

Ging het aanvankelijk nog mannen, vrouwen en kinderen gescheiden, en onder “redelijke” omstandigheden, gaandeweg de nacht werd alles door elkaar in de vrachtwagens gestopt.
Onvervoerbare patiënten waarvan sommigen in dwangbuizen, gevaarlijke krankzinnigen, en kinderen, samen in een vrachtwagen op weg naar het station met steeds hogere snelheden, in een donkere nacht, die weliswaar zacht was, maar veel te koud voor sommige mensen die nauwelijks gekleed zijn.
De toenmalige stationschef, die een rapport heeft gemaakt van het transport, schrijft o.a. “Zo herinner ik mij een meisje van tussen 20-25 jaar die de armen stijf om haar lichaam had geslagen, de handen onder haar oksels. De armen werden door middel van een soort doek zo onbeweeglijk vastgebonden. De opgevouwen doek bedekte haar armen en een gedeelte van haar borst, verder was zij volkomen naakt. Toen ik tegenover de OD mannen die haar gebracht hadden, hierop aanmerkingen maakte, vertelden zij mij, dat het een patiënte betrof, die geen kleren duldde en die men toen maar naakt had meegenomen, hetgeen tot hilariteit aanleiding gaf bij de groene heren. Zij liep, door de schijn van de op haar gerichte elektrische zaklantaarns verblind, van de auto af, stortte voorover naar beneden op de grond en kon geen arm uitsteken om de val te breken. Zij maakte natuurlijk een lelijke smak, maar bezeerde zich klaarblijkelijk niet ernstig, want zij was in no-time weer overeind en daarna liep zij rustig de spoorwagon binnen”. Diezelfde chef keek machteloos toe, als de deuren dichtgemaakt werden, en patiënten in radeloze onmacht probeerden dat te verhinderen, dan gebeurde het meermaals dan vingers tussen de deuren kwamen met alle gevolgen van dien. Ook als hij de luchtluiken openzette, werden die steevast weer door de Duitsers dichtgemaakt. In elke wagon werden ca. 40 personen gestopt en dat 25 wagons achter elkaar.

Een Joodse ODer, die een patiënte voorzichtig in een wagon wilde neerleggen, kreeg van een SSer een ongenadige schop onder zijn achterste met maar één woord, “ schneller”.
Dezelfde ODers waren wel zo verstandig om hun handen en onderarmen te ontsmetten, want sommige patiënten hadden open tbc, er stonden daarvoor enkele emmers met desinfecterende vloeistof klaar.
Elke wagon had twee houten tonnetjes, bedoeld als toilet, maar velen hadden niet het besef waarvoor die bestemd waren, enkelen keerden ze om en gebruikten die als zitplaats.

In de vroege ochtend van 22 januari riep Aus der Fünten vrijwilligers op, om het dan ingeladen transport te begeleiden: een 20 tal melden zich, en hij wees er zelf nog 30 aan die gezamenlijk in een aparte wagon achter de andere wagons geplaatst werd. 16 verplegers en 36 verpleegsters (volgens de Jong) Zij kregen de verzekering dat zij zouden mogen terugkeren, of ander werk zouden krijgen in een modern ziekenhuis, maar niemand kon het navertellen, uiteindelijk kwam niemand van hen terug.
Het transport vertrok vanuit Apeldoorn op vrijdag 22 februari, met zoals dat heet onbekende bestemming, en kwam op zondag 24 januari in Auschwitz aan.
Ook van al die patiënten, kwam niemand terug, 1069 namen zijn bekend en openbaar gemaakt.
Alle andere artsen, verpleegsters en verplegers ca. 300 in getal, zijn samen met de 100 OD ers die terugkeerden naar Westerbork, meegevoerd evenals vele andere Joodse inwoners van Apeldoorn. Zij zijn vrijwel allemaal, ondanks beloftes, afgevoerd naar Auschwitz. De administratie bleef met de directeur nog tot 1 februari in Apeldoorn, daarna werden zij (30 in getal) ook naar Westerbork overgebracht; van deze groep overleefden 16 personen de oorlog.

Een Nederlandse Jood, in Auschwitz tewerk gesteld en overlevende van de holocaust, verhaalt van de aankomst van de trein. “Ik was zelf op het lange perron toen de trein aankwam, het was een van de verschrikkelijkste transporten uit Holland die ik ooit gezien heb. Vele van de geesteszieke patiënten probeerden door de postketting te breken en werden ter plekke doodgeschoten. De rest werd onmiddellijk afgevoerd en vergast. Een andere bron vertelde na de oorlog, dat enkelen van de verplegenden weigerden om de doden naar het crematorium te brengen, zij ondergingen hetzelfde lot. En er is het verhaal, dat enigen hunner waaronder nog levende mensen in een grote kuil werden geworpen gevuld met hout en benzine en zo werden verbrand. (volgens Presser) Andere bronnen (volgens de Jong) hebben verklaard dat de overige treinpassagiers door Joodse werkploegen, waaronder enkele Nederlanders, die door tierende SS’ers met knuppels opgejaagd werden, eerst in kiepkarren gegooid en vervolgens in vrachtwagens die kwamen aanrijden. De vrachtwagens voerden hen niet naar de gaskamers maar naar een van de grote langgerekte kuilen waarin de lijken van eerder vergasten verbrand werden. Hoog laaiden de vlammen op, de pas aangekomenen werden er middenin gesmeten, brokken hout en blikken petroleum volgden. Deze wijze van massamoord werd in Birkenau (volgens de Jong) vaker toegepast op slachtoffers voor wie men het in werking stellen van de gaskamers niet noodzakelijk vond. Dat veruit de meeste inzittenden van de trein op deze manier levend verbrand werden, werd korte tijd later door een van de leden van het Kommando dat bij de gaskamers in verbrandingskuilen dienst deed, verteld aan een van de Nederlandse leden van het Kommando dat de groep uit Apeldoorn op het laadperron van Birkenau in de kiepkarren en de vrachtwagens had moeten werpen.

Maar de artsen, verpleegsters en verplegers die in een aparte wagon zaten, werden in het kamp ondergebracht en zoals al vermeld, niemand heeft het overleeft.

Nadat de SS het werk in Apeldoorn had volbracht, en de trein was vertrokken, haalden zij hun loon: zij plunderden in alle gebouwen, niets bleef gespaard. Kleerkasten, nachtkastjes, medicijnkasten, geneesmiddelen, levensmiddelen alles lag op de grond. Kleren, wasgoed schoon en vies, schoenen, medisch gereedschap, schilderijen, gordijnen, alles lag vertrapt en vernield in een dikke 15-20 cm. dikke laag in alle kamers, trappen vloeren en gangen.
Na ca. 1 uur was door de SS het Apeldoornse Bosch zo vernietigd alsof er een bombardement had plaatsgevonden. Alle boeken met waardevolle wetenschappelijke inhoud, waaronder onvervangbaar materiaal zijn verscheurd en kapotgetrokken.

Namen ze eerst nog genoegen met geld, ringen, horloges, geld en andere spullen van waarde, de volgende dag kwamen zij met een autobus voorrijden om uit het gebouw van de 1e klas alles van waarde mee te nemen; later moesten zij de meubels weer teruggeven.
Teneinde raad haalde men 200 Joden uit Westerbork, om samen met de Marechaussee verdere plundering te voorkomen, alles op te ruimen en het weer enigszins toonbaar te maken, zij hadden daar 10 dagen voor nodig. Maar schrijft een lid van die Vliegende Kolonne uit Westerbork in zijn dagboek, onze jongens hebben goed geleerd, zij trekken door alle gebouwen, breken nog gesloten kasten open, en nemen alles wat zij kunnen gebruiken.

Allen zijn helemaal gek geworden. Mensen die anders niets zouden nemen wat niet van hen is, stoppen nu alles in hun zakken. OD lieden treden op als ploegleiders, leven hier en daar als koningen in de lege ruimten en hebben koffers vol met mooie dingen. Aus der Fünten geeft als dank voor bewezen hulpdiensten aan de OD ers een Pick-up met platen, hij heeft het met zekerheid zelf achterovergedrukt, en de OD ers zijn er trots op.

Alleen al aan inventarisschade kwam men na de oorlog op het bedrag van F 675.000
De Joodse raad,(de voorzitters kregen op 28 januari Aus der Fünten te spreken), vroeg hem waarom het Apeldoornse Bosch was leeggehaald. Zijn antwoord, “We hebben de gebouwen nodig, de krankzinnigen en de zieken zijn in lazaretten ondergebracht en worden daar verder verpleegd, verder geen protest. Mr.Frederiks heeft van Katholieke zijde bij Wimmer geprotesteerd en medegedeeld dat in brede kring van de bevolking diepe ontroering en diepe ergernis is ontstaan, en dat dat met goede wil te vermijden was geweest. Hij protesteert verder met grote nadruk op de wijze waarop ingeladen is, Wimmer zal een glimlach nauwelijks hebben kunnen onderdrukken. Mr.Frederiks vraagt verder wat er met de gebouwen gaat gebeuren, waarom hij dat vraagt is onduidelijk, evenals of hij een antwoord heeft gekregen.
Bij de slachtoffers van het Apeldoornse bos, waren 2 Joodse inwoners van Raalte: Henrica de Lange geboren op 5 december 1870 te Raalte, dochter van Samuel de Lange en Willemina Steren, en Joël Zwarts geboren op 17 april 1889 te Raalte, zoon van Mozes Swarts en Dina de Lange, beiden zijn vrijwel direct vermoord bij aankomst in Auschwitz op 25 januari 1943.

Anton Heijmerikx
Uit het boek: “Gebroken Joods leven in Raalte”

BUCHENWALD

Karl Otto Koch en Ilse Koch-Kohler.
Karl Otto Koch, geboren op 2 augustus 1897 geboren in Darmstad, hij genoot een opleiding tot koopman, en boekhouder. In 1916 meld hij zich vrijwillig aan voor de militaire dienst tijdens WO1. Als soldaat dient hij aan het westfront en is meermaals gewond geraakt, en in 1917 krijgt hij het ijzeren kruis 2e klasse. Het einde van WO1 beleeft hij in Engelse krijgsgevangenschap, waarvan hij in oktober 1919 word ontslagen. Van 1919 tot 1925 werkt hij bij verschillende ondernemingen en banken, tot hij zich moet melden als werkloze, omdat de kleine Darmstadter bank failliet is gegaan. In 1924 is hij voor de 1e maal getrouwd, uit dat huwelijk is 1 zoon Walther geboren, maar dat huwelijk strand in 1931.

Hij is lid geworden in 1931 van de N.S.D.A.P. en enkele maanden later van de SS. Van 1932-1933 gaf hij leiding aan SS eenheden in Kassel en Sachsen. Hij maakt een snelle carrière.  
In oktober 1934 neemt hij de leiding over van concentratiekamp Sachsenburg, in november 1934 is hij SS fuhrer in Esterwegen, maart 1935 lid Kommando KZ Lichtenberg, april 1935 kommandant KZ Columbia huis Berlijn, april 1936 kommandant KZ Esterwegen, september 1936 kommandant Sachsenhausen, in mei 1937 trouwt hij met Ilse Kohler, van 1937 tot kommandant van Buchenwald, waar hij vanaf het begin een waar schrokbewind voert. Tirannie en foltering, zelfs voor de kleinste overtreding zijn vastendagen het gevolg.
Als gevangenen andere gevangenen niet verraden voor welke beschuldiging ook, worden ze vastgezet en komen verhoren tot ze hun kennis delen.
De sadistische kampbewaarder geeft de ondergeschikte Martin Sommer, dan opdracht om geslachtsdelen afwisselend in ijskoud water en kokend water te hangen, en aansluitend het geslachtsdeel met verbrande huid met jodium in te smeren, wat een waanzinnige pijn oplevert. Gevangenen met een mooie tatoeage op hun huid, worden apart behandeld in het kampziekenhuis. Dat betekend hun dood, en hun tatoeage komt in de verzameling van Ilse en Karl Koch. Als in november 1938 na de Kristalnacht, Buchenwald volstroomt met Joden, waarvan de meesten na korte tijd weer worden vrijgelaten, beval Koch aan de gevangenbewaarders om waardevolle zaken die die Joden bij zich hadden, in beslag te nemen, en die onder te brengen in het magazijn en te bewaren. Deze zaken komen hoofdzakelijk in de zakken van Koch, vertrouwde SS officieren en uitgezochte gevangenen. Die overigens later vermoord zijn, omdat zij teveel wisten en hem konden verraden toen hij zelf onderzocht werd door SS rechter Konrad Morgen.

In december 1941 is hij voor de eerste keer gearresteerd, maar door ingrijpen van de hoogste baas van de SS Heinrich Himmler die zich gepasseerd voelt, komt hij vrijwel direct weer op vrije voeten. Wel is hij is in januari 1942 gedwongen overgeplaatst naar het KZ Majdanek als commandant. Oswald Pohl, die als hoofd van de WVHA verantwoordelijk was voor de inspectie en werkprojecten van gevangenen in de concentratiekampen, gebruikt zijn macht door Karl Koch te helpen. Maar met de vlucht van 86 sovjet krijgsgevangenen uit KZ Majdanek is hij als kampcommandant in september 1942 overgeplaatst naar  het SS hoofdkantoor als verbindingsleider van het Rijkspost ministerie. Onderzoek naar de ontsnapping in KZ Majdanek eindigt in februari 1943 met het ontslag van Karl Otto Koch. Tegelijkertijd  laat Heinrich Himmler, de SS rechter Konrad Morgen onderzoek doen naar de handel en wandel van Karl Otto Koch. Enkele maanden lang, onderzoekt Morgen in KZ Buchenwald de zieken en dodenlijsten van KZ Buchenwald, en komt tot de conclusie dat minstens drie KZ gevangenen die meededen aan zijn corrupte praktijken en ervan wisten, in opdracht van Koch zijn vermoord. Ook het verduisteren van minstens 200.000 Rijks Mark. Na zes maanden gevangenschap word hij tot de doodstraf veroordeeld, welke in Buchenwald op 4 april 1945 is voltrokken door een vuurpeloton.
Vreemd is natuurlijk dat, hoe vreselijk ook, drie vermoorde gevangenen en het achteroverdrukken van 200.000 Rijks Mark kan leiden tot de doodstraf, en al zijn moorden en gruwelijke mishandelingen van krijgsgevangenen helemaal niet ter sprake zijn gekomen, mishandelingen die al begonnen waren in 1937 toen WOII nog moest beginnen. Overigens is Konrad Morgen na de oorlog vrijgesproken omdat hijzelf geen oorlogsmisdaden had begaan.

Ilse Koch-Köhler, geboren op 22 september 1906 te Dresden en overleden op 1 september 1967 in gevangenschap te Aichach. Zij was geboren in een gewoon warm gezin en gedroeg zich voorbeeldig. Op haar 15 stopte zij met leren in ging werken in de sigarettenfabriek in Dresden, later stenotypiste en tenslotte als bibliothecaris. In 1932 sloot ze zich aan bij de nazi’s, en in 1935 werd ze opzichter in KZ Sachsenhausen, waar ze kennis kreeg aan Karl Otto Koch, waar zij in 1936 mee trouwde. In 1937 kreeg Karl Koch opdracht om Buchenwald te bouwen en Ilse ging mee en werd in Buchenwald een der opzichters. In Buchenwald bemoeide zij zich veelvuldig met het werk van Karl Koch, en profiteerde van de macht en rijkdom die Karl Koch zich toe eigende. Zij toonde sadistische trekjes, wat haar de naam “Hexe von Buchenwald” opleverde.
Wanneer zij door het kamp liep bij haar ochtendwandeling, en er liep iemand voor haar voeten, kreeg diegene zweepslagen. Karl Koch liet voor zijn vrouw een paardenmanege ter waarde van 250.000 Rijks Mark bouwen, met verduisterd geld, en als paardenliefhebster, reed zij ook regelmatig op haar paard door het kamp, en exhibitionistisch als zij was, reed zij regelmatig in een doorkijkblouse en met korte rok door het kamp.
Keken de gevangenen, werden zij door haar begeleider Martin Sommer, met zweepslagen beloond, en dat had soms tot gevolg dat zij het niet overleefden. Ook liep zij regelmatig bij binnenkomst van nieuwe gevangenen topless rond, en we diegene die naar haar idee te lang keek, die werd voor het front van de hele groep zwaar afgeranseld door een der bewakers, met meestal 25 stokslagen. Ook werd zij beschuldigd van seksuele relaties met collega’s van haar man. Konrad Morgen de SS rechter die onderzoek deed naar de wandaden van haar man, liet ook Ilse Koch arresteren op 25 augustus 1943, en ze zat 16 maanden in voorarrest in de gevangenis van Weimar, waarna zij werd vrijgesproken door een SS rechtbank.
Na de oorlog in juni 1945 werd zij opnieuw gearresteerd door het Amerikaanse leger, zij woonde toen in Ludwigsburg bij haar familie. Het proces tegen Ilse Koch, kende een grillig verloop, maar op 14 augustus 1947 werd zij tot levenslange gevangenisstraf veroordeeld, de doodstraf bleef haar bespaard, omdat zij in gevangenschap zwanger was geraakt van een bewaker of medegevangene.
Er waren vele aantijgingen tegen haar, de belangrijkste was dat zij lampenkappen had laten maken van getatoeëerde huid van vermoorde gevangenen, maar de lampenkap was inmiddels spoorloos verdwenen. De Amerikanen probeerden de SS rechter Konrad Morgen een verklaring te laten tekenen dat die verdwenen lampenkap inderdaad van menselijke huid was, maar dat weigerde hij, ondanks dat hij walgde van de sadistische aard van Ilse Koch. Hij had bij uitvoerige huiszoekingen die bewuste lampenkap niet gevonden, en zou er mede daardoor geen bewijs zijn. Wel hebben anderen tijdens de verhoren verklaart dat het wel degelijk waar was.
Zijzelf ontkende natuurlijk dat zij in het bezit was geweest van dergelijke voorwerpen zij was slechts moeder en huisvrouw geweest.

Uit het verslag van het Internationaal Militairtribunaal te Nurnberg getuige Andreas Pfaffenberger.
“Nadat de gevangenen onderzocht waren werden diegenen met de mooiste tatoeages in het ziekenhuis achtergehouden, om met injecties gedood te worden. Zij werden naar het Pathologische afdeling gebracht, waar de getatoeëerde huid van de lijken werden afgenomen en geprepareerd. De klaargemaakte stukken werden aan Ilse Koch overgedragen die die stukken liet verwerken in lampenkappen, fotoboekomslagen handschoenen etc. “

Verschillende van die getatoeëerde stukken huid, zijn tijdens het proces gefotografeerd en tentoongesteld, maar onomstotelijk bewijs kon niet gegeven worden, de stukken zijn op onverklaarbare wijze verdwenen, voordat ze echt onderzocht konden worden.
Later werd zelfs ontkend dat het mensenhuid zou zijn, het zou gaan om geitenleer.

Op 15 augustus 1947 hoort Ilse Koch toch haar uitspraak, levenslang. Dat veroorzaakte Duitsland grote maatschappelijke verontwaardiging ook in Amerika ontstond commotie die nog eens werd aangewakkerd door de toen nog onbekende Joseph McCarthy. Hij wilde er ongetwijfeld politiek gewin mee binnen halen. De autoriteiten konden niets anders, dan de kwestie opnieuw te onderzoeken. Een comité van de Amerikaanse senaat presenteerde in oktober 1949 zijn rapport waarin werd vastgesteld dat er geen aannemelijke bewijzen waren voor de aantijgingen met betrekking tot fysieke mishandeling van de verdachten. Die twijfels over de bewijsgaring had tot gevolg dat er geen  doodstraf werd uitgesproken.
Voor Ilse Koch die tot levenslang werd veroordeelt, en niet tot de doodstraf kwam ook mede omdat zij in verwachting was geraakt tijdens haar gevangenschap van een bewaker of medegevangene.
Tot grote verontwaardiging in Amerika, werd levenslang op 8 juni 1948 omgezet in 4 jaar gevangenschap Ilse Koch werd in haar proces afgeschilderd als de personificatie van het kwaad, en dan maar 4 jaar, terwijl in Amerika soldaten gevangen zaten die 20 jaar hadden gekregen omdat zij een officier geslagen hadden. De militaire gouverneur van de Amerikaanse bezettingszone verklaarde: “dat de vermindering van haar straf in overeenstemming was met de beginselen van de Amerikaanse justitie”
Een nieuw onderzoek van een senaatscommissie stelde op 27 december 1948 onomstotelijk vast dat Koch betrokken was geweest bij het vermoorden en mishandelen van honderden gevangenen.
De schuld van deze beestachtige vrouw in specifieke moorden staat onomstotelijk vast”
Desondanks werd zij op 17 oktober 1949 vrijheid gesteld uit Amerikaanse hechtenis.
De Duitse justitie heeft haar echter onmiddellijk in voorarrest vastgezet. De Amerikanen konden haar niet opnieuw berechten, omdat zij nu eenmaal terecht had gestaan en men niet tweemaal voor hetzelfde vergrijp voor een Amerikaanse rechtbank kon verschijnen.
Maar de Duitse justitie had haar zaak nog nooit voor de rechter gebracht. Op 15 januari 1951 werd zij voor de 2e keer tot levenslang veroordeelt vanwege moord op gevangenen in Buchenwald. zij achtte zichzelf nog altijd onschuldig, maar psychiaters stelden tijdens haar voorarrest en proces vast dat zij:“een perverse nymfomane, hysterische, machtsbeluste demon was”.
Op 1 september 1967 pleegde zij in een Beierse gevangenis op bijna 61 jarige leeftijd zelfmoord door verhanging in de vrouwengevangenis van Aichach.
“ik kan niet anders, de dood is de enige verlossing” schrijft ze aan haar zoon die in 1947 in gevangenschap in Aichach geboren was, verwekt door een mede gevangene, en die onmiddellijk werd weggehaald bij zijn moeder. Op 19 jarige leeftijd hoorde deze zoon wie of zijn moeder was, en hij heeft haar regelmatig in de gevangenis in Aichach bezocht.
in 1971 heeft deze zoon postuum rehabilitatie voor zijn moeder gezocht.
De 1e zoon uit het  huwelijk van Karl Otto Koch en Ilse Koch, heeft helaas na de oorlog in 1968 zelfmoord gepleegd, omdat hij niet kon leven met de schaamte van de misdaden van zijn ouders. Een 2e was een dochter. Een 3e kind een meisje, is op jonge leeftijd al overleden, en de vierde was een zoon van Ilse, vader onbekend. Verder had Karl Otto Koch nog een zoon uit zijn 1e huwelijk.

Colofoon: Internet diverse sites
Encyclopedie van de Holocaust
Wegwijzer Gedenkplaats Buchenwald
Bezoek Buchenwald september 2019

Anton G.M.Heijmerikx

Eerbetoon aan Zus Smolders en Johanna Bake voor hun verdiensten tijdens WOII.

Johanna Hendrika Smolders, bij oud Olstenaren beter bekend als zuster Smolders, zij was jarenlang wijkzuster in Olst en omgeving. Zij woonde samen met Johanna Bake.

Eerst in het centrum van Olst, later tijdens WOII in Huize Middel, en tot slot tot haar overlijden aan de Mengeweg te Wesepe.
Tijdens WOII, werd veelvuldig gebruik gemaakt van haar netwerk in Olst, welke door haar beroep was opgebouwd, en van de kennis van de Engelse taal van beide bewoonsters.
Er is regelmatig van hun diensten gebruik gemaakt door omwonenden en de ondergrondse in Olst. Dat was niet zonder risico, als de Duitsers hen hadden gesnapt, dan was hun leven niets meer waard geweest, en zouden zij zeker zijn gefusilleerd na martelende verhoren. Maar zij hadden geluk, hebben toch een aantal inzittenden van geallieerde vliegtuigen die noodgedwongen naar  beneden zijn gekomen kunnen helpen, in samenwerking met leden van de ondergrondse.
Eerbewijzen van president Dwight D.Eisenhower van de Verenigde Staten, en de Air Chief Marshal van het Verenigd Koninkrijk voor beide dames zijn het bewijs.

Johanna Bartha Henriette Bake is geboren op 30 nov. 1885 te Amsterdam als dochter van William John Herman Bake en Johanna Bartha van den Berg, zij is overleden op 16 april 1956 te Wesepe terwijl het onbekend was waar en of zij begraven is, maar in oktober 2020 is in het archief van de PKN kerk te Wesepe gevonden dat ook zij in Wesepe begraven ligt samen met haar vriendin en levenspartner.
Johanna Hendrika Smolders is geboren op 3 juni 1889 te Harderwijk als dochter van Johannes Petrus Smolders en Catharina Pieternella van Zwet, zij is overleden op 22 februari 1961 te Wesepe, en is ook aldaar begraven. Haar graf is vanaf die tijd naamloos gebleven, maar gezien haar werkzaamheden tijdens WOII, maar ook als wijkzuster in Olst, is het tijd om haar niet te vergeten, en is er onlangs een klein tekstmonumentje geplaatst die herinnerd aan haar verdiensten en de plek van haar laatste rustplaats, en ook voor Johanna Bake is eenzelfde tekstmonumentje geplaatst. Vrijwilligers van de begraafplaats in Wesepe hebben hun graf opgeknapt.

“Want als hun namen nergens meer te lezen staan, zijn zij vergeten”

Bombardementen op stedelijke agglomeraties tijdens WOII.

Dergelijke bombardementen werden uitgevoerd door de Britten in Irak, door Frankrijk in Syrië, door Italië en Spanje in Afrika en door Japan in China.
Als eerste tapijtbombardement in Europa wordt het bombardement op Guernica gezien, dat op 26 april 1937 plaatsvond tijdens de Spaanse burgeroorlog. Het waren de Duitsers, die dat bombardement uitvoerden op Guernica (Spanje) tijdens de wekelijkse markt door het Condor Legioen. Volgens Baskische bronnen vielen er 1654 doden en 889 gewonden, latere onderzoekers kwamen tot tussen 3 en 800 doden.
En op Wielún 1939 (Polen) waar WOII begon op 1 september 1939, 15 km van de Duitse grens zonder oorlogsverklaring, en waarbij ca 1.300 inwoners de dood vonden. En ook Rotterdam wat gebombardeerd werd op 14 mei 1940 om ca. 13.30 uur en waarbij naar schatting tussen 650 en 900 burgers omkwamen en 80.000 mensen dakloos werden.
Vervolgens tijdens de slag om Engeland (1940-’41) waarbij talloze bommen neerdaalde op Engelse steden als Londen, Bristol, Birmingham, Liverpool en Coventry, waarbij meer dan 25.000 mensen hoofdzakelijk onschuldige burgers het leven lieten. Ook later (1944-’45) door aanvallen met V1 en V2 hoofdzakelijk op Londen en Antwerpen lieten nog eens ruim 8.000 burgerslachtoffers het leven.
Het antwoord was dat er bombardementen op Duitse steden plaatsvonden.
In 1940 was Berlijn al eens doelwit, het aantal slachtoffers was gering, van precisie bombardementen was toen nog geen sprake, bommen kwamen neer in een cirkel van ruim 8 km rond het doel.
Vaak was na zo’n bombardement niet duidelijk, wat het eigenlijke doel had moeten zijn.
In mei 1942 vond opnieuw een bombardement plaats en wel op de stad Keulen onder de codenaam “Operation Millennium”, het aantal slachtoffers was minder dan 500 inwoners, en om die reden, werden ingenieurs ingezet, om bommen beter en met meer efficiency  hun werk te laten doen.
Het was Arthur Harris die belast was met de uitvoering van de Engelse bombardementen, zijn bijnaam was “Bomber Harris”.
De gevolgen van die verbeteringen waren succesvol, in de nacht van 24-25 juni 1943 tijdens de “Operation Gomorra”, een verwijzing vaar de bijbel met de vernietiging van Sodom en Gomorra, en vervolgens in de nacht van 27-28  juni, en in de nacht van 29-30 juni vlogen de Engelsen met steeds 800 bommenwerpers naar de miljoenenstad Hamburg, de gevolgen waren voor de Engelsen succesvol, maar voor de burgers van Hamburg desastreus. Rond de 43.000 doden en nog eens ca 37.000 gewonden met vaak zware brandwonden waren het gevolg, en een miljoenenstad in puin en op de vlucht.
De vraag was toen, en nog steeds waarom een bommentapijt met zoveel burgerslachtoffers, en in verhouding weinig militaire doelen.
Een reden was wraak dat speelde zeker mee in die beslissingen, Londen Birmingham, Coventry Engelse steden waren in het begin van WOII bestookt met ca 18.000 ton aan Duitse bommen met vele 10.000 duizenden doden en gewonden, en ook andere steden zoals Rotterdam, Warschau enz.
Een tweede reden was, dat het Engels leger uit onmacht ’s nachts bombardeerden, en precisie ’s nachts helemaal te wensen overliet. Een op drie bommen kwamen binnen een straal van 8 km in de buurt van het doel wat men voor ogen had, en omdat overdag het te gevaarlijk was om boven Duitsland te vliegen. En tapijtbombardementen waren nu eenmaal gemakkelijker uit te voeren met helaas ernstige gevolgen voor burgers.
Een derde reden was ongetwijfeld, dat het Engelse leger niet groot genoeg was voor een invasie op het vasteland van Europa, en tapijtbombardementen op Duitse steden waren bedoeld om de wil van bevolking te breken, hun steden in as te leggen, huizen en fabrieken te vernielen, ze dakloos en brodeloos te maken om zo het verloop van de oorlog te beïnvloeden. Ondanks weerstand, en of het effect de middelen toestond, gingen de Engelsen tot aan het einde van WOII er mee door.

De Amerikanen, die inmiddels ook bij WOII betrokken waren, gingen meer uit van precisie bombardementen op oorlogsindustrie en olie industrie gerichte bombardementen. Zij ontwikkelde radarsystemen waarbij de grond onder de vliegtuigen kon worden gescand, waarop de Duitsers weet tegenmaatregelen ontwikkelden. Om radarsystemen te storen, weden door de vliegtuigen aluminium stroken uitgeworpen zodat op de radarschermen duizenden stipjes te zien waren, en vliegtuigen vrijwel onzichtbaar waren, en hun werk konden uitvoeren.
Deze aluminium stroken waren het succes voor de Britten bij hun aanval op Hamburg, tevens waren de ingenieurs er in geslaagd om een beter systeem voor bombardementen te ontwikkelen.
Met “blockbusters” van 4000 pond, die ontploften voordat ze de grond raakten, bliezen ze da daken van de huizen af, en belemmerden zo ook de hulpdiensten door de obstakels, en vervolgens maakten een regen aan brandbommen het karwei af, de gevolgen waren verschrikkelijk.
De luchtaanvallen op Hamburg golden als de dodelijkste tijdens WOII, dodelijker dan de aanval op Dresden in februari 1945, terwijl die veel meer bekend is, dat komt mogelijk omdat die aanval als een oorlogsmisdaad is gezien, omdat Duitsland op dat moment eigenlijk al verslagen was.
De vliegers van het Bomber Command kregen na de oorlog niet dezelfde erkenning als andere leden van de Britse strijdkrachten, Harris verdedigde zich, door te verklaren dat belangrijkere personen dan hemzelf, voor het tapijtbombardement waren, en dat klopt ook wel. Churchil was ook een groot voorstander van deze manier van bombarderen, alhoewel hij na Dresden zich distantieerde en afstand nam. Alhoewel ook de Amerikanen bij het bombarderen van Dresden waren betrokken.
Hamburg en Dresden, beide steden zijn zwaar getroffen door die tapijtbombardementen, maar de hoeveelheid bommen, die tot ontwikkeling kwamen  tot een vuurstorm, die zuurstof wegzoog en mede daardoor snelheden bereikte van boven de 200 km per uur, een temperatuur op sommige plaatsen van 800 graden Celsius, asfalt smolt, mensen die zich daarop bevonden vlogen spontaan in brand, zij die in het water sprongen, verbranden door het kokende water en anderen die geluk hadden om wat kouder water te bereiken, dachten het fosfor die op hun was neergekomen te doven, maar eenmaal weer uit het water brand dat fosfor opnieuw. Schuilkelders die vol liepen door de vluchtende massa, stikten omdat de vuurstorm alle zuurstof wegzoog, of omdat neerstortende gebouwen hen bedolf onder dikke lagen puin.
Her effect van de bombardementen is moeilijk te meten, zeker is in elk geval wel, dat Duitsland meer hinder ondervond van het bombarderen van hun infrastructuur, olie industrie, wapenfabrieken, dan van de bommen op de steden.
Jammer is het wel, dat het bombarderen van concentratiekampen, of hun spoorlijnen richting die kampen nimmer is uitgevoerd. Als reden werd gegeven dat men die vliegtuigen nodig had voor andere te bombarderen doelen, en dat dan onschuldigen in de kampen konden omkomen bij een eventueel bombardement. Ironisch is dan wel, dat gevangenen in Auschwitz de Amerikaanse bommen konden horen vallen op de Buna fabrieken op enkele kilometers afstand van het kamp Auschwitz, terwijl de geallieerden al lang wisten wat zich daar en in andere concentratiekampen afspeelde.

Na de oorlog, zijn verschillende kerken die als ruïnes deels zijn blijven staan ingericht als een blijvend monument en aandenken, dat het besef wakker houd aan de oorlog die zoveel ellende en leed onder de burgerbevolking heeft gebracht.
In Duitsland in Berlijn de Gedachteniskirche, in Hamburg de Nicolaikirche, in Dresden de Frauenkirsche waar men na de val van de muur in 1989, pas in 1994 begon met de restauratie en wederopbouw.
In Nederland de Laurenskerk te Rotterdam die in de meidagen tijdens Duits bombardement zwaar beschadigd werd, en waar toen stemmen opgingen om het verder maar afte breken, maar Hitler zelf verbood afbraak, “Auf Befehl des Führers unter Kunstschutz gestellt”, in 1952 legde koningin Juliana de eerste steen voor de restauratie, die pas in 1968 werd voltooid.
In Engeland, waar de kathedraal van Coventry zwaar werd beschadigd op 14 november 1940. De toren, een torenspits en de buitenmuur bleven staan, ook een graftombe van de eerste bisschop van Coventry bleef gespaard, verder was het totale dak en het binnenste van de kathedraal totaal verwoest.
Naast de ruïne werd een nieuwe kerk gebouwd, koningin Elisabeth legde de eerste steen op 23 maart 1956, die in mei 1962 werd ingewijd. Oud en nieuw, kregen te samen de status van “Grade I Listed Building”.
Coventry heeft als teken van verzoening, van 3 spijkers uit de verwoeste kathedraal een kruis gemaakt en geschonken aan de Gedachteniskirsche in Berlijn. Deze zogenaamde Coventry kruizen zijn overigens in veel meer kerken te zien, waar zwaar gevochten is tijdens WOII.

Momenteel 27 juli 2018 is het 75 jaar geleden, dat de bombardementen op Hamburg plaatsvonden, De Nicolaikirsche is een blijvend aandenken aan deze verschrikkelijke bombardementen, waarbij zovelen zijn omgekomen of voor hun leven verminkt. Stilstaan, in de hoop dat zoiets zich niet meer zal herhalen, is nog steeds een utopie, maar blijven hopen mag.
Colofoon: eigen archief, en diverse internetsites.
Anton Heijmerikx.

Het naamloze graf nr. 1123 heeft na 72 jaar eindelijk zijn naam.

Het was een beschieting door een Engelse bommenwerper op 6 februari 1945, die samen met nog 6 andere bommenwerpers in Overijssel op zoek waren naar transporten en lanceerinrichtingen van V1 en V2 raketten. Een hunner zag op de dijk bij Wijhe een grote vrachtauto richting Zwolle rijden. De bemanning besloot om het aan te vallen, en beschoot in enkele duikvluchten de vrachtauto van voren als wel van achteren.
De gevolgen waren enorm, het was een der laatste transporten van Joodse gevangenen richting Westerbork. Bij die aanval zijn 7 hunner onmiddellijk dodelijk getroffen, 1 persoon Willy Polak 31 jr. overleed even later bij de fam. Witholt waar hij zwaar gewond naar binnen was gebracht. Hij werd later te Wijhe begraven.
Op weg naar het ziekenhuis in Zwolle, overleden nog eens 3 personen aan hun verwondingen, Mozes Duis 50 jr, Benedictus Furth 55 jr, Samuel Kool 59 jr. Diezelfde dag stierven in het ziekenhuis nog eens 2 zwaargewonden, Simon de Vries 51 jr. Isidoor Polk 36 jr. en op 7 maart bezweek Rachel Leisen 27 jr. alsnog aan haar verwondingen.
Andere gewonden, zeker 5 personen, waaronder 2 kinderen, werden na behandeling in Zwolle naar een noodhospitaal gebracht. En na genezing ontslagen.
Een reconstructie van het voorval leerde dat er minstens 40 personen in de vrachtauto moeten hebben gezeten. De meesten zaten gevangen in de Amsterdamse Schouwburg en zijn van daaruit op transport gezet naar Westerbork. Ook onder de Grüne Polizei die het transport begeleidde zijn doden en gewonden gevallen, maar een juist aantal is niet bekend.
Voor het vervoer van de gewonde Joden was men aangewezen op paard en wagen. Anderen al dan niet gewond namen de kans waar om te vluchten. Ze probeerden zo snel als mogelijk een veilige plek te zoeken.
Een hunner, naar later bleek Johanna Kapp, was gewond aan haar been en schouder. Zij werd gevonden in het weiland van landbouwer Drosten aan de Zandwetering.
Riek Drosten begeleidde haar op weg naar een veilige plek. Ze kwamen via de Gelder en de Hamelweg bij landbouwer Hoogeland nabij Langeveldslo, die haar met paard en wagen naar het evacuatiegebouw in Raalte bracht. Van daaruit werd ze opgenomen in het Raalter ziekenhuis.
Daar is zij ca. 14 dagen verpleegd en verzorgd en had daar veelvuldig contact met Willem Albers van het plaatselijk verzet. Aan hem vertelde zij dat haar man was ondergedoken in Wageningen en zij graag wilde dat hij naar Raalte kwam. Haar werd ontraden om contact met haar man te zoeken. Men vond dat te gevaarlijk, maar desondanks kwam hij, Martijn Schatz, toch onverwachts in Raalte aan. Samen doken zij onder, via bemiddeling van het verzet in Raalte, op de boerderij van de fam. Rechterschot aan de Schoonhetenseweg waar zij overigens de beschikking kregen over een eigen slaapkamer. Op die boerderij waren overigens meerdere onderduikers, die vaak ’s avonds gezamenlijk in de keuken elkaars gezelschap zochten. Bij onraad zochten zij allen een plek in een schuilhut verborgen in een nabij gelegen bos, ondergronds en verstevigd met balken, takken, mos, gras- en heideplaggen.
De fam. Rechterschot had natuurlijk wel een vermoeden dat er Joodse onderduikers bij zouden kunnen zitten, maar wisten niet alles van hun tijdelijke inwoners.
De kinderen Rechterschot hebben goede herinneringen aan die tijd. Ze hadden een goed contact met o.a. Johanna Kapp, die vaak met de kinderen bezig was.
Maar Johanna Kapp werd ziek, zij kreeg difterie, een erg besmettelijke ziekte.
Dr. Van der Werf uit Raalte is nog bij haar geweest, maar kon ook niets meer voor haar doen.
Zij overleed op 29 maart 1945.
Martijn Schatz vroeg aan vader Rechterschot of hij samen met hem wilden bidden, bij en voor zijn vrouw. Toen wist hij zeker dat het Joden waren; hij vertelde: Martijn zette zijn petje op en ik deed mijn pet af.
Na de oorlog heeft Martijn Schatz een boom laten planten in het Westerweelwoud op de helling van de Israëlische berg Efraïm in Galilei, uit dankbaarheid voor de hulp van de familie Rechterschot ontvangen.
Maar toen had men een probleem, hoe kon je zonder problemen op een nette manier van een overleden Joodse onderduikster afkomen.
In het geheim werd zij op een platte wagen afgevoerd naar de algemene begraafplaats in Raalte en begraven in graf nr. 1132 (zie artikel in de Stentor van 17 april 2007). Het Raalter verzet heeft hier ongetwijfeld een rol in gespeeld. Anno 2017 was het nog steeds naamloos aanwezig. Bij haar graf stond enkel het nummer 1132. Maar daar is nu verandering in gekomen, sinds half juli staat haar naam nu op haar graf aan de Westdorplaan in Raalte.
De volgende dag doet Cornelis Evert Jan Peet (lid van het Raalter verzet) hoofd ener school aangifte van het overlijden van de Jong, Johanna oud twee en dertig jaren, zonder beroep, geboren te Worms, Duitsland, wonende te Renkum, echtgenote van Bledgen, Martijn, dochter van de Jong, Johan en van Kapp, Hendrika, beiden overleden, alles onder valse verzonnen namen om de Joodse identiteit te verzwijgen.
In 1953 werd een akte opgemaakt bij de Zutphense Arrondissement Rechtbank, waarin door getuigen werd verklaard dat de aangegeven Johanna de Jong in werkelijkheid Johanna Kapp was, geboren op 12-12-1912 te Worms Duitsland, dochter van Moritz Kapp veehandelaar en Selma Sara Marx.
In die opgemaakte akte staat ook dat zij te Amsterdam gehuwd is met Martijn Schatz op 13 augustus 1941 en zij eerder gehuwd geweest is met Martijn Spitz welk huwelijk ontbonden is.
Het 1e huwelijk was een schijnhuwelijk, om zodoende de Nederlandse nationaliteit te verkrijgen.
Johanna Schatz-Kapp is dus op gegeven moment opgepakt, haar man en schoonmoeder niet. Waarom zij wel en de andere familieleden niet, geven de archieven niet prijs, werd op transport gezet naar Westerbork, waar zij dus zoals hierboven omschreven nimmer is aangekomen.
Anton Heijmerikx.

De moord op 1500 Joodse vrouwen in Grodno.

Het geheim van Baron Evert Roderich Arndt Johann von Freytag-Loringhoven.

Simon Wiesenthal, zat gevangen in 1943 in een buitenkamp van het concentratiekamp Lvov Galicië in Polen, nu Rusland, als leden van de ondergrondse hem in zijn hut bij de spoorwegwerkplaats, een Joodse jongen van ca 15 jaar binnensmokkelen. Olek zo werd hij genoemd, was de enige overlevende van de zuivering van de nazi’s van de stad Chodorov in Galicie. Een niet joodse buurman had hem achter een berg steenkolen verstopt, en zo was hij de enige overlevende van de drieduizend mannen, vrouwen en kinderen. Hij was bang, verschrikkelijk bang. Zijn blauwe ogen stonden wijd open van angst had rood haar en was lijkbleek. De ondergrondse had hem valse papieren bezorgd maar konden verder niets voor hem doen. Simon Wiesenthal hield hem een paar dagen verstopt, maar dat was voor beiden natuurlijk erg gevaarlijk. Wiesenthal sprak een bedrijfsleider van een bouwonderneming, en vroeg of hij geen plek had voor een Poolse weesjongen die zijn beide ouders verloren had, en de Poolse bedrijfsleider wilde zich wel over hem ontfermen, zodat Olek als leerjongen aan het werk kon, en  mocht eten in de kantine en ook daar een slaapplek mocht inrichten. Hij had een opdracht meegekregen, vertel nooit dat je een Jood bent, zelfs niet aan andere Joden als je doe tegenkomt, en vooral geen vrienden zoeken onder andere Joden, dat heeft hij beloofd en volgehouden zolang als de oorlog heeft geduurd. Olek overleefde de oorlog, evenals Simon Wiesenthal, zij zagen elkaar in 1946 terug in Linz, hij was uit Polen naar Linz gekomen, en wachtte op een illegaal transport waarmee hij naar Israël wilde.

Als Simon Wiesenthal drie jaar later ook in Israël is, om een lezingen te houden, vernam hij waar Olek woonde, en bezocht hem in een kibboets van voormalige Warschau strijders ca. 30 km ten noorden van Haifa. Hij is getrouwd, en heeft 2 kinderen en zijn oude naam weer aangenomen Jitzack Sternberg. Sindsdien hebben zij altijd contact gehouden.

In 1964 nodigde Jitzack Sternberg, Simon Wiesenthal uit om naar Israël te komen en daar te vertellen over zijn werk als nazispeurder. Na zijn uiteenzetting, wordt Simon Wiesenthal vrijwel onmiddellijk gebeld door Heinz Jacob, die in een naburige kibboets zijn uiteenzetting had meebeluisterd, hij vroeg of hij dadelijk naar hem toe mocht komen.

Heinz Jacob vertelde dat hij al in 1933 met zijn ouders naar Palestina was geëmigreerd, en voor het eerst in 1963 weer in Duitsland was geweest om familiezaken te regelen vanwege gestolen familiebezittingen door de nazi’s.

In de trein naar Berlijn, kwam hij in een coupe te zitten met een gedistingeerd persoon van ca. 60 jaar oud. Zij kwamen aan de praat, en hij stelde zich voor als Evert von Freytag-Loringhoven (geboren 28 maart 1902 Gross-Born Letland). De man verbaasde zich over Heinz Jacob, en vertelde dat hij er niet bepaald als een Jood uitzag, maar hij verheugde zich met hem in gesprek te geraken, en vroeg honderd uit over Israël waar hij nog nooit geweest was, en dat hij vele Joodse mensen kende uit zijn geboortestreek dicht bij Riga. Hij vertelde dat hij was opgegroeid op een feodaal landgoed van zijn familie in Letland. Toen de bolsjewieken in 1919 kwamen, werden alle bezittingen van de grootgrondbezitters onteigend, en vluchtten hij en zijn familie naar Duitsland, waar de familie later in Oost Pruissen door erfenis wederom in het bezit kwamen van twee landgoederen. Hij was het die de landgoederen beheerde nabij Grodno en Mirakowo. En toen kwamen de Russen in 1945 wederom achter hem aan, en zij spraken over zijn vlucht voor de Russen en de vlucht van Heinz Jacob voor de Duitsers.

Evert von Freytag-Loringhoven vertelde dat hij als beheerder van de landgoederen geen ander vak kende, het was gebruikelijk binnen zijn familie, dat de een zoon de landgoederen ging beheren, en de andere broers zich in het leger begaven, zoals ook zijn broer Wessel Oskar Karl Johann Freiherr von Freytag-Loringhoven (geboren 10-11-1899 Gross-Born, Letland, overleden door zelfmoord 26 Juli 1944 in Mauerwald, Pruissen) die officier was in het leger van nazi Duitsland, maar al heel snel gedesillusioneerd werd toen hij zag wat de SS allemaal deed voor en tijdens de oorlog. Hij was het die de springstof leverde voor de moordaanslag op Hitler door de groep rondom graaf von  Stauvenberg op 20 juli 1944 en die jammerlijk mislukte. Hij heeft zelfmoord gepleegd, omdat hij anders wel vermoord was geworden door de nazi’s. Evert werd nadien gearresteerd door de Berlijnse Gestapo en heeft enkele maanden in de gevangenis aan de Alexanderplatz gezeten, en werd door tussenkomst van een vriend een hooggeplaatste nazi vrijgelaten. Na het einde van de oorlog werd hij door de Russen gezocht, en ontkwam doordat een Poolse officier die in concentratiekamp Stutthoff had gezeten hem valse papieren bezorgde, en hij naar Hessen kon vluchten waar zijn zus woonde, en daar beheer ik nu een kleine boerderij, landbouw is het enige wat ik ken.

Evert von Freytad-Loringhoven was zichtbaar aangedaan, en zei tegen Heinz Jacob, ik geloof niet in toeval, ik kom bijna nooit uit mijn huis, ben na de oorlog nog nooit Joden tegengekomen, ik ken de verschrikkingen die de Duitsers de Joden hebben aangedaan, ik heb het met eigen ogen allemaal gezien, ik zag hen onschuldige vrouwen vermoorden en heb tot nu toe er nooit met iemand over gesproken. Maar ik kan en wil mijn geheim niet in mijn graf meenemen. Ik zie nog de Joodse vrouw voor me in mijn nachtmerries, zij werkte op mijn landgoed bij Mirakowo, een zeer beschaafde dame uit Praag, ook de jonge ca. 30 jarige vrouw uit Boedapest die arts was en in een klein schooltje in Grodno een ziekenzaaltje had ingericht. Ik wilde haar helpen te ontsnappen, maar zij weigerde, zij wilde bij haar patiënten blijven. Zij werd tenslotte samen met haar patiënten vermoord. Evert keek naar Heinz Jacob, en zei geef mij uw adres, ik zal u schrijven, ik kan het verhaal nu niet verder vertellen, ik ben daartoe nu niet meer in staat.
En zo zaten in Israel in de kibboets, Simon Wiesenthal, Jitzak Sternberg en Heinz Jacob, welke laatste de brieven van Evert Freytag-Loringhoven aan Simon Wiesenthal overhandigde.

Heinz vertelde dat hij steeds contact met Evert had gehouden, en hem schreef dat hij misschien wel iemand wist die iets met zijn geschreven verhaal kon doen, en noemde de naam van Simon Wiesenthal. Evert was blij verrast, en zei, zie je wel ik wist dat het geen toeval was dat ik u in de trein tegenkwam, en Wiesenthal was ook de naam van een klein kamp waar de ergste dingen gebeurden, dicht bij Thorn. Dus verzocht Evert Freytag-Loringhoven aan Heinz Jacob bij gelegenheid zijn brieven aan Simon Wiesenthal te overhandigen.

En dus las Simon Wiesenthal de brieven van de oude Baron, en was zich ervan bewust dat wanneer Evert en de Jood Heinz Jacob elkaar niet toevallig hadden ontmoet in de trein naar Berlijn, dit geheim mogelijk nimmer bekend was geworden.

In november 1944, komt de trein met 2.800 Joodse vrouwen in veewagons aan op het station van Mirakowo vlak bij de Poolse stad Thorn. De stationschef Zacharek kan zich het transport nog goed herinneren, het was een uitgeputte en verzwakte groep vrouwen die uit de trein kwamen, sommigen meer dan half dood. Hun reis van lang geweest, de meesten kwamen uit Hongarije, anderen uit Polen, Tsjechoslowakeije, Roemenie, Nederland, Frankrijk en Oostenrijk. Velen hadden al meerdere concentratiekampen achter de rug in Letland en Litouwen, waren in kleine scheepjes over de Baltische zee gekomen en daarna naar concentratiekamp Stutthoff, en vervolgens naar Mirakowo. Daarna werden zij naar het landgoed bij Grodno gedreven wat eigendom was van Evert Baron Freytag-Loringhoven.
Hij verklaarde in zijn brieven en ook later aan de medewerkers van Simon Wiesenthal: “Van Grodno werden de vrouwen  naar vier werkkampen gebracht, Malvern bij Strassburg, Grodno en Wiesenthal beiden bij Thorn en Shirokopas bij Kulm. Leider van dat transport was SS Obersturmfuhrer Ehle. De vrouwen moesten in Grodno antitankgrachten graven en woonden in tenten, achtergelaten door de Hitlerjugend die een begin hadden gemaakt met het graven van de antitankgrachten. Ca 135 vrouwen moesten op het landgoed van de baron aan het werk, in de stallen en helpen bij het aardappelen rooien. De meeste vrouwen hadden vrijwel geen kleren meer aan toen ze aankwamen, velen bedekten zich met oude militaire dekens, die zij over de schouders sloegen en anderen over hun middel knoopten, Zij hadden zo’n honger, dat zij zich bij het zien van bladeren aan de suikerbieten zich daarop storten en die opaten. Anderen waren te zwak, en niet in staat naar die suikerbietenbladeren te gaan, en werden ter plekke doodgeknuppeld met een knuppel op de nekwervels. Ss commandant Ehle vertelde later aan de baron, dit is de enige manier waarbij men later bij een postmortem onderzoek ooit de doodsoorzaak zal uitwijzen. De vrouwen werden vermoord op een klein schiereilandje in het meer van Grodno. Ze werden door andere vrouwen in een massagraf gegooid, en op hun beurt werden later die vrouwen ook doodgeknuppeld, om levende bewijzen ook op te ruimen. Elke dag werden er wel tussen 8-20 vrouwen op deze wijze vermoord.

De Baron verteld verschrikkingen die begaan zijn in een lang verhaal, een vrouw werd gedwongen uren op de dichtgevroren rivier te knielen, net zolang dat haar knieën vastgevroren waren aan het ijs.

De bewakers waren Duitsers en Oekraïners, het grootste uitschot welk hij ooit gezien had, zij sloegen om niets de vrouwen met de kolven van de geweren, kwam een vrouw te laat naar het idee van de bewakers, bedachten zij allerlei sadistische straffen, die niet zelden tot de dood leiden.

Sommige vrouwen vertoonden grote heldenmoed, zoals de dokter die hulp van de Baron weigerde, en wist dat zij daardoor haar eigen doodvonnis tekende.

Baron Freytag-Loringhoven, had twee van die vrouwen in zijn huis verborgen, een naaister uit Boedapest en een vrouw uit Praag. Zijn Poolse voorman verborg een 19 jarig Joods meisje uit uit Lódz. Er werkten 10 vrouwen in de stallen om het vee te verzorgen, en de baron zorgde ervoor dat zij melk en aardappels kregen, hoewel hij wist dat Ehle dat ten strengste verboden had. Een Joodse gevangen vrouw uit de omgeving van Praag bezorgde de baron een lijst van ca. 500 gevangen vrouwen, maar toen hij later in Polen onder een valse naam woonde kreeg hij bezoek van een Russische militair die hem de lijst afhandig maakte, en verscheurde die.
Kort voordat de Russen kwamen, op 16 of 17 februari 1945 werden 118 vrouwen vermoord en verdwenen in de massagraven. Een der vrouwen kreeg kort daarvoor een baby, die de baron met behulp van twee zijner arbeiders geprobeerd heeft te redden, maar Ehle vond moeder en kind, en voor de ogen van Evert Freytag-Loringhoven vermoorde hij moeder en kind.”
Op 18 januari 1945 werden de overgebleven vrouwen weggevoerd naar Dantzig, en volgens de geruchten zouden zij in zee gedreven zijn en verdronken.

Verschrikkelijke verhalen las Simon Wiesenthal in de kibboets in Israël, verhalen waarvan hij het bestaan niet wist.
Terug in Oostenrijk stuurt Wiesenthal een zijner medewerkers naar Evert Freytag-Loringhoven om te horen, of hij getuigen wil als het tot een rechtszaak zou komen, dat was geen enkel probleem, en stemde toe te getuigen van hetgeen hij wist en met eigen ogen had gezien.
Maar alvorens verder te werken aan de voorbereidingen van zo’n proces, werd eerst inlichtingen ingewonnen bij het Joods Historisch Instituut in Warschau, alsook aan de Israëlische politie en aan de Israëlische experts inzake nazi misdaden begaan tijdens WOII, maar al deze instanties hadden nimmer gehoord van de massamoord op ca. 1500 vrouwen in Grodno.
Omdat de vrouwen afkomstig waren uit concentratiekamp Stutthoff, werden de bewakerslijsten van dat kamp nagekeken, en SS Obersturmfuhrer Paul Ehle kwam op die lijsten voor. Bij verder onderzoek bleek, dat Paul Ehle woonachtig was in Kiel waar hij als mecanicien werkzaam was. Volgens de officier van justitie Rückerl die deze zaak behartigde, zouden de brieven enkel als informatie beschouwd worden, en moest er eerst een beëdigde verklaring van de baron komen om deze zaak niet als verjaard te beschouwen door de rechtbank. Enkele weken later verklaart Evert von Freyrag-Loringhoven onder ede dat alles wat hij geschreven heeft de waarheid en niets anders dan de waarheid bevat. Daarna is Paul Ehle gearresteerd, hij doet geen enkele poging om zijn misdaden te ontkennen, hij zou zeker zijn veroordeeld, ware het niet dat hij in september 1965 plotseling in zijn cel is overleden. In november 1965 vinden de Poolse autoriteiten het massagraf op het kleine schiereiland in het meer van Grodno, welke door Evert Baron Freytag-Loringhoven is beschreven.

Colofoon:
Moordenaars onder ons – Simon Wiesenthal
diverse internetsites