Hedwig Höss-Hensel de vrouw van de kampcommandant en haar rol in Auschwitz.

Hedwig Höss-Hensel de vrouw van de kampcommandant en haar rol in Auschwitz.

 

In de Pakketstelle, de plek in Auschwitz waar de pakketten binnenkwamen bedoelt voor de gevangenen, gebeurde er nog al eens wat vreemde zaken. De pakketten van het Rode Kruis kwamen daarbinnen, maar ook pakketten vanuit vele landen waarvan de meeste uit Tsjechoslowakije. Familieleden vandaar namen aan dat hun familieleden in Auschwitz, Auschwitz-Birkenau of in een der buitenkampen gevangen zaten. Er stond dan simpel op genoteerd om die pakketten dan aan de desbetreffende persoon af te geven. Als die nog leefde, kreeg die het in de regel ook wel, was hij niet aanwezig of al overleden, dan verzuimde men de familie daarover in te lichten, en de pakketten bleven dan gewoon binnenkomen. Door ingewikkelde regels door de SS zelf opgesteld, was het niet eenvoudig om die pakketten zomaar mee te nemen, gek genoeg waren de SS’ers afhankelijk van de aldaar tewerkgestelde zogenaamde prominente gevangenen. Die pakketten waren zeer gewild, zelfs voor de meest wel doorvoede SS’ers.  De inhoud bestond veelal uit eigen gebakken brood, die wekenlang goed bleef, chocolade, cake, eigengemaakte marmelade, honing enz. wat meest afkomstig was van de boerenfamilies die trouw hun familieleden van alles stuurden, niet wetende dat het in verkeerde handen viel. Het zijn vooral de SS officieren die ervan hebben geprofiteerd, alhoewel dat niet zomaar openlijk gebeurde, haat, afgunst nijd en corruptie lagen daaraan ten grondslag, men vertrouwde elkaar in het geheel niet. Via slinkse methoden werden de prominente gevangenen waarvan men afhankelijk was, ingeschakeld. Waren die prominente gevangenen niet zo inschikkelijk, dan kon men snel overgeplaatst worden, naar bijvoorbeeld de kolenmijn Janina, en dan stond je lot vrijwel zeker vast.

Maar het meest heeft Frau Höss van de pakketdienst geprofiteerd, ondanks dat haar man de kampcommandant het had verboden dat niemand van de SS zich mocht verrijken of vergrijpen aan de pakketten. Toen haar man die er overigens net zo goed aan meedeed, eind 1943 bevorderd werd en overgeplaatst werd naar Berlijn, waar hij verantwoordelijk werd voor de deportatie van de Hongaarse Joden, bleef zijn vrouw met hun 5 kinderen in de woning direct naast het kamp wonen. Met de ss officieren uit andere kampen, en zelfs uit Berlijn, alsmede met de ingenieurs van IG Farben werden in haar huis enorme eet festijnen gehouden, de fijnste delicatessen, specialiteiten en grote drankvoorraden werden daar gegeten en gedronken afkomstig uit de pakketdienst of Jodentransporten, ondanks het verbod van haar man. Zij beschikte over een grote en uitgebreide staf dienstpersoneel. Uit Auschwitz kwamen 2 Poolse vrije meisjes, een als dienstmeisje en de ander Janina Szczurek, als naaister. Voorts beschikte zij uit minstens 20 gevangenen uit het kamp met allemaal een speciale functie, twee van hen tuinmannen van beroep, verzorgden haar beeldschone tuin met exotische planten en bloemen. De burgerkleren van het gezin inclusief die van haar man, werden door de beste kleermakers uit het dorp Auschwitz gemaakt, de mooiste meubelen, beeldhouwwerken, sieraden werden door gedeporteerde gevangenen gemaakt, het is natuurlijk niet moeilijk te raden waar de ingrediënten zoals goud en diamanten voor die sieraden vandaan kwamen. De gevangenen die in haar villa moesten werken, hadden het overigens ook goed, beter eten, betere kleding en vaak kregen zij sigaretten van Frau Höss, die zij dan weer in het kamp konden ruilen, het kamp waar zij s ’avonds weer naar terugkeerden. Met lorries vol werden de meest luxe goederen en lekkernijen bij de villa afgeleverd. Frau Höss organiseerde o.a. hele stapels ondergoed, zogenaamd voor haar personeel, maar in werkelijkheid stuurde zij het naar haar familie in Duitsland.

Tenslotte werd ook haar het vuur onder de voeten te heet, en vertrok zij eind 1944 uit Auschwitz, en vergat niet, om 4 vrachtwagens vol met geroofde goederen mee te nemen.

Toen zij later door de Amerikanen werd verhoord, verklaarde zij glashard van niets te weten, zij had zich op geen enkele wijze met het werk van haar man bemoeid.

 

Hedwig Höss-Hensel geboren (1908 Neukirch-1989 Arlington op bezoek bij haar dochter) dochter van Ostwald Richard Hensel en Linna Florendine Kremtz. Hedwig had een broer en een zus. Zij huwde op 17 augustus 1929 met Rudolph Höss (25-11-1900 Baden-Baden – 16-4-1947 Auschwitz)

Het echtpaar kreeg 5 kinderen, Ingebrigitt, Klaus, Hans-Rudolf, Heidetraut und Annegret.

Rudolf Höss was een Duitse Nationaalsocialist, SS-Obersturmfuhrer, en van mei 1940-november 1943 kommandant van het Concentratiekamp Auschwitz. Hij werd als oorlogsmisdadiger in 1947 veroordeeld tot de doodstraf doormiddel van de strop, en werd opgehangen in het dan voormalige concentratiekamp Auschwitz naast zijn voormalige villa.

 

De broer van Hedwig Hensel, Hensel Hensel werd nadat hij van het front in het oosten, waar hij als tekenaar en schilder werkzaam was voor het leger, terugkeerde naar Flensburg, heeft hij volgens vermoeden zijn zwager Rudolf Höss hulp geboden om aan arrestatie te ontkomen, en hem een nieuwe identiteit te verschaffen, en hem werk verschafte op een boerderij in Gottruppel. Hijzelf Hensel werd door de Amerikanen gearresteerd, omdat zij dachten dat hij de gezochte Rudolf Höss was, en uiteraard vrijgelaten toen bleek dat hij dat niet was.

Rudolf Höss geboren in een katholiek gezin, en zijn vader de koopman Franz Xaver Höss wilde dat zijn zoon priester zou worden, maar na de dood van zijn vader verliet hij de school al op 15 jarige leeftijd, en melde zich vrijwillig voor de dienst tijdens de 1e wereldoorlog. Hij diende o.a. in Turkije aan het front in Mesopotamië, en later in Palestina vocht hij tegen de Engelse overheersers.

Al op zijn 17e was Rudolf Höss al onderofficier en al onderscheiden met het IJzeren kruis 1 en 2 onderscheiden.

In 1919 sloot hij zich aan bij het Vrijkorps Rossbach en nam deel aan gevechten in Balticum, het Ruhrgebied en Obersilesien.

Walter Kadow de Duitse basisschoolleraar en lid van de rechtse Duitse partij Freiheitspartei werd op 31 mei 1923 vermoord door leden van het consortium Rossbach.

Rudolf Höss was betrokken bij die moord op Walter Kadow op 31 mei 1923, Walter Kadow werd verdacht van het verraden van Albert Leo Slageter aan de Fransen, die hem executeerden. Slageter was militair in WOI, lid van verschillende vrijkorpsen en heeft verschillende springstofaanslagen gepleegd ten tijde van de Franse bezetting van het Ruhrgebied na WOI, hij werd dan ook door de Fransen gezocht, en door verraad kwam hij in Franse handen.

Uit angst om geliquideerd te worden als een der vertrouwelingen gaf Höss zich zelf aan. Hij werd gearresteerd en kreeg 10 jaar gevangenisstraf op 15 maart 1924, maar kwam vervroegd vrij door algemene amnestie op 14 juli 1928. Zijn latere chef Martin Borrmann voor zijn rol op de moord van Walter Kadow kreeg 1 jaar gevangenisstraf.

Na die periode werkte hij als dagloner om zo in zijn onderhoud te voorzien, en was door omstandigheden in die periode suïcidaal. Dat verbeterde, toen hij aanhanger werd van de NSDAP, en daadwerkelijk lid werd onder nummer 3240 in november 1922. Werkte zich toch op als leider bij de landelijke bevolking van Ahlen-Vorheim bij de verschillende Nazi verenigingen, en ontmoette voor het eerst Heinrich Himmler, die Höss bewonderde voor zijn onderdanigheid, organisatievermogen en duidelijkheid.

Op 20 september 1933 wordt Rudolf Höss lid van de SS onder nr.193616, en in 1934 vraagt Heinrich Himmler hem toe te treden tot de Totenkopf SS, en wordt blokleider in Dachau, en vanaf april 1936 rapportführer in Dachau. In augustus 1938 werd hij adjudant van de kampcommandant van Sachsenhausen, en in november 1939 officier met de rang van SS Hauptsturmführer. In november 1940 komt zijn overplaatsing als kampcommandant naar Auschwitz.

Op 1 maart 1941 krijgt Höss van Heinrich Himmler opdracht om Auschwitz-Birkenau uit te bouwen, en in de zomer van 1941 werd hij naar Berlijn geroepen om de boodschap te horen dat Hitler bevolen had om de eindoplossing voor het Jodenvraagstuk uit te voeren. Terug in Auschwitz krijgt Höss bezoek van Adolf Eichmann, die met aantallen aangevoerde Joden komt, die op transport gesteld worden, en stelt onomwonden dat de enige manier om die aantallen te verwerken, en de Joden te vernietigen enkel door gas gedaan kan worden, door gewoon dood te schieten kan men onmogelijk die aantallen halen die verwacht worden. Overigens is dat voor de SS ook een te grote belasting, vanwege de vrouwen en kinderen die ook vernietigd moeten worden. Höss Plaatsvervanger Hauptsturmfuhrer Karl Fritsch, had eigenmachtig Russische krijgsgevangenen laten vergassen met Zyklon B, toen Höss op dienstreis was, en heeft Heinrich Himmler daarvan op de hoogte gesteld.

Karl Fritsch was trots op zijn werkwijze met het gas Zyklon B, en de efficientie daarvan. Hij noemde zichzelf later, de uitvinder van de gaskamers in Auschwitz te zijn.

Rudolf Höss leidden eind 1941-begin 1942 het begin van de massavernietiging der Joden in Auschwitz. Aanvankelijk werden daarvoor twee omgebouwde boerenhuizen gebruikt. Eind 1942 werd met de bouw van vier grote crematoriums met gaskamers begonnen, die in maart 1943 in gebruik werden genomen.

In november 1943 werd de SS generaal Oswald Pohl van het centrale hoofdkwartier geïnformeerd over het concentratiekamp Auschwitz, en Höss werd naar Berlijn geroepen en daar benoemd tot hoofd van bureau D1 in de WVHA (SS-Wirtschafts- und Verwaltungshauptamt) belast met de uitroeiing van de Hongaarse Joden.

 

De reden dat hij naar Berlijn geroepen is, zijn onderzoekingen die gaande zijn over corruptie in verschillende kampen die ongebreidelde vormen aannam, in Majdanek Buchenwal, en zoo werd ook  Auschwitz onderzocht. De SS rechter Konrad Morgen werd belast met de onderzoeken, hij was afgestudeerd in Frankfurt en Den Haag voor Internationaal recht. Aanvankelijk was hij ontslagen bij onderzoeken in Krakau naar hooggeplaatste SS officieren o.a. Hermann Fegelein, een favoriet van Heinrich Himmler en de gedoodverfde toekomstige zwager van Eva Braun. Na verzoeken om vervolging, word Morgen ontslagen door Himmler, zogenaamd voor het vrijspreken van een SS officier van racistische misdaden en van seksuele relaties met een buitenlands ras, maar eerder voor inmenging in Himmlers zaken. Hij werd naar het oostfront gestuurd, maar toch medio 1943 door Himmler teruggeroepen om de corruptie in de kampen aan te pakken. Werden in Majdanek en Buchenwald Hermann Koch en Ilse Koch beschuldigd en bestraft, in Auschwitz kwam aan het licht als voornaamste beschuldiging, dat Höss een verhouding had met een gevangen vrouw Dr.Nora Matteliano-Hodys, die zwanger van Höss was. Zij was in 1939 in Hamm veroordeeld tot 2 ½ jaar gevangenisstraf wegens o.a. hoogverraad en gevangen gezet in Ravensbruck en later overgeplaatst naar Auschwitz, en die in opdracht nadat bekend werd dat zij zwanger was, gevangen gezet werd in een isoleercel. Konrad Morgen die corruptie en verduistering onderzocht, in opdracht van Heinrich Himmler, was ervan overtuigd dat dit door Höss was bevolen, strengere omstandigheden, staand in een cel en weinig of geen eten, om zo haar de dood in te sturen als dekmantel voor zijn escapades. Bij confrontatie in 1944 ontkende Höss in alle toonaarden te hebben geweten van deze detentieomstandigheden.

 

Van mei t/m juli 1944 is Höss weer in Auschwitz Birkenau om de werking van de vernietiging en uitroeiing van de Hongaarse Joden nauwlettend te waarborgen.

Als dan de oorlog ten einde loopt, en de Russen Auschwitz naderen, vlucht Höss via de zogenaamde Rattenlinie Noord naar Flensburg. Zijn vrouw en hun 5 kinderen zijn in St. Michelsdonn ten noorden van Hamburg in Schleswig-Holstein ondergebracht, en Rudolf Höss verkrijgt een nieuwe identiteit onder de naam van Franz Lang van beroep matroos bij de marine en duikt onder op een boerderij in Gottrupel nabij Flensburg ca. 100 km noordelijker, zoals al genoemd.

Daar is hij door Hanns Alexander van het oorlogsmisdadigers team (WCTI) opgespoord en op 11 maart 1946 door de Engelse militaire politie gearresteerd. Bij zijn arrestatie bestreed hij de gezochte Höss te zijn, maar kon aan de hand van zijn trouwring geïdentificeerd worden.

In het Neurenberger hoofdtribunaal, getuigde hij als getuige voor de verdediging van Ernst Kaltenbrunner, en Oswald Pohl.

Op 25 mei 1946 werd Höss uitgeleverd aan Polen, en onder rechter Jan Sehn geplaatst. Hij deed voorkomen dat hij niet begreep, waarom hij voor de rechtbank moest verschijnen, hij had immers enkel de bevelen opgevolgd van zijn superieuren, en volgens hem moesten die terechtstaan en niet hij. Op 2 april 1947 werd Höss door de rechtbank te Warchau ter dood veroordeeld, en 14 dagen later op 16 april 1947 opgehangen in Auschwitz aan de galg die uitzag over het kamp, en direct naast zijn voormalige woonhuis opgesteld stond, en er tot afschrikking heden nog steeds staat.

 

Anton G.M.Heijmerikx

 

Colofoon.

Trompettist in Auschwitz herinnering van Lex van Weren- Dick Walda

Drittes Reich- Atlas Verlag

Wikipedia- verschillende sites

Encyclopedie van de Holocaust- Robert Rozett, Shmuel Spector

Persoonlijk archief- Anton Heijmerikx

 

 

 

 

 

 

 

Karl Babor

 

Karl Babor (Wenen 23 augustus 1918 – Addis Abeba 18 januari 1964) was een Nazi, SS-arts van het Derde Rijk, en o.a. officier in Camp Gross-Rosen met de rang van Hauptsturmführer.

Hij was een expert in het vermoorden van mensen d.m.v. een injectiespuit gevuld met fenol.

 

Herr Dr.Karl Babor de gezochte, zocht een bruid.

Arts,42 jr. uitstekende positie overzee, wenst briefwisseling met aantrekkelijk meisje.

Doel: huwelijk brieven onder nummer…..

Dit was de advertentie, die de vader van Karl Babor in de krant deed verschijnen in de Weense Kurier in 1960, en die de aandacht trok van een Oostenrijkse Joodse vrouw ca 23 jaar oud. Zij was haar baantje en haar leven in een klein Oostenrijks dorpje waar zij samen met haar moeder woonde, meer dan beu. Zij hadden weliswaar de oorlog overleefd, maar vond het na de oorlog maar een saai leven, had wel enkele vriendjes gehad, maar de romantiek die zij dacht te krijgen, viel zwaar tegen.

Zij was ca. 23 jaar toen zij de advertentie zag, en wist eigenlijk meteen dat die de benaming overzee, Afrika bedoelt was. Afrika het continent waaraan zij haar hart aan had verpand toen zij 3 maanden lang op bezoek was geweest in 1958 bij haar broer in Kenya die daar ingenieur was. Haar broer had haar Kenya laten zien, en uiteraard meegenomen op safari door de wildernis, waar zij het geweldig had gevonden, de vreemde geluiden, de wilde dieren en zijn geheimzinnige atmosfeer.

Weer terug in haar dorpje, had zij de grootste moeite om zich weer aan te passen, en bij het zien van de advertentie wist zij het meteen, zij ging op die advertentie schrijven.

Nadat zij de brief die zij op de post had gedaan, bleef het lang stil, en vergat zij die brief. Maar 3 weken later kwam er toch een brief terug van de Diplom Ingenieur Babor uit Wenen, achteraf de vader die namens zijn zoon Karl Babor de correspondentie voerde. Die vader schreef haar in een keurige brief dat zij graag namens zijn zoon kennis met haar wilde maken, en bij die gelegenheid alles over zijn zoon Karl kon en wilde vertellen. Zijn zoon was een bekende arts in Addis Abeba en kon vele leden van keizer Haile Selassies familie tot zijn patiënten rekenen.

Al een week later komt de vader van Karl haar met een bezoek vereren, en steekt niet onder stoelen of banken dat zij haar prima bevalt. Hij verteld, dat hij en zijn vrouw stil leven in Wenen, en hun zoon Karl was met zijn vrouw naar Ethiopië vertrokken, waar Karl werkzaam was als vrouwenarts in het Menelik hospitaal, een geschenk aan Ethiopië door de Russen, en Karl had een privé kliniek met röntgenapparatuur en een eigen laboratorium. Helaas was zijn vrouw bij een auto-ongeluk in 1960 verongelukt, zijn vrouw was een vroegere barones Babo. Hun enige dochter Dagmar Babor studeerde in Parijs, en kwam uiteraard niet vaak naar huis, Karl voelde zich eenzaam, en dat was de reden dat hij een nieuwe vrouw zocht.

Karl’s vader zei openlijk, dat hij dacht dat Karl met haar iemand had gevonden. Zij vertelde en herhaalde, dat zij een Jodin was, en misschien helemaal niet de vrouw voor zijn zoon zou worden, maar dat maakte niet het minste verschil vertelde de vader, zij waren van Katholieke huize en altijd liberaal geweest en in hun huis heerste niet in het minst enig antisemitisme, geloof mij maar zei hij.

Daarna begon een lange intense briefwisseling, al na een paarweken sloot Karl een foto in, een donkerblonde man van gemiddelde grootte met droevige ogen, en met een jeugdige uitstraling. Hij schreef dat hij erg eenzaam was, vaak vertoefde hij in de bush en bracht zijn tijd daar door met jagen, maar alleen was maar alleen.

Zij ging ook op bezoek in Wenen bij de ouders van Karl, maar heeft zijn moeder daar niet gezien, wel met de vader heel Wenen door geweest, schouwburg en een café onder een glas wijn gesproken over Karl. Navraag over zijn vrouw werd wat ontwijkend gesproken, misschien was zij niet zo gecharmeerd om via brieven in contact te komen met haar zoon.

Na een klein jaar schreef Karl Babor, dat zij eens naar Addis Abeba moest komen, hij had alles geregeld een vlucht naar Addis Abeba en ook een retourvlucht als het haar niet beviel, wat hij overigens niet hoopte, en ook zijn dochter Dagmar die maar ca. 5 jaar jonger was dan zij, zou meekomen zodat zij samen de reis konden maken en kennis met elkaar konden maken.

Dagmar kwam al na een paar dagen bij haar, en zij bevielen elkaar prima. Een week later vlogen zij samen naar Addis Abeba.

Karl Babor stond op het vliegveld om hen af te halen, was hoffelijk, kuste haar hand en omhelsde zijn dochter, maar hij was niet wat zij verwachtte, hij was iets vreemds aan hem, wat haar haast beangstigend maakte. Op weg naar zijn huis, bleek hij een ontzettende slechte chauffeur te zijn, die een enkele maal bijna frontaal met een tegenligger in botsing kwam, zij vroeg nog of hij zelfmoord wilde plegen, en zijn antwoord verontruste haar toen hij zei, dat probeer ik al jaren. Hij vertelde met enige voldoening, dat hij de afgelopen twee jaar al 5 ongelukken had gehad, en zij vroeg zich af hoe hij nog steeds een rijbewijs kon hebben. Ik ben goed bekend aan het keizerlijk paleis en ik ben de grootste dokter hier in Addis Ababa was zijn antwoord.

Hij stopte voor een verlaten uitziend huis, het was er koel binnen, en zij had behoefte aan wat ontspanning, tenslotte was het een lange en het slot een enerverende reis, en zij was moe.

Maar Karl stelde voor om maar gelijk de bush in te trekken voor een kort ogeblik, trek andere schoenen aan, dan haal ik mijn geweer. Het was niet ver weg, en zij ervaarde wederom de betovering van Afrika, maar genoot niet vanwege zijn rijstijl. Zij wilde uitstappen, maar hij lachte, het is hier geen Ringstrasse om de tram naar huis te nemen, en nam haar mee naar zijn meest geliefde plek de rivier, die vergeven was van de krokodillen. Hij zei haar mee te komen, maar toen zij de talrijke krokodillen in het modder zag, wilde zij terug. Vervolgens gingen ze naar zijn beste vriend, dat bleek een gigantische leeuw te zijn die onder een boom lag bij de plaatselijke politie. Zij schrok, maar Karl stak zijn hand in de muil van de leeuw om te laten zien dat zij goede maatjes waren. Maar toen hij terugkwam, bleek zijn hand te bloeden, maar Karl deed het af alsof het niets was.

Terug in huis bleek dat er wel een koelkast was, maar die was volkomen leeg. Dagmar de dochter maakte een blikje Cornedbeef open, en Karl zei dat hij moe was en ging zonder iets te zeggen naar zijn kamer. Dagmar vertelde dat haar vaders depressies steeds erger werden, hij moet in de oorlog een ontstellende ervaring hebben meegemaakt, maar wil er nimmer over spreken. Toen haar moeder nog leefde was hij veel rustiger, maar sinds zij verongelukt is, is het erger geworden.

Zij vroeg aan Dagmar hoe haar moeder verongelukt was, haar moeder had aan het stuur gezeten, en Karl zat naast haar. Zij kregen een frontale botsing, waarbij het bleek dat zij geen enkele poging deed om de auto te ontwijken of te remmen, zij was op slag dood en Karl zwaar gewond.

s ’Nachts deed zij geen oog dicht, Karl was een totaal ander mens als dat zij uit brieven had gedacht. De volgende dag was Karl al vroeg naar de kliniek gegaan, en Dagmar en zij gingen die dag uit, toen ze laat terugkwamen kregen Dagmar en haar vader een woordenwisseling, en schreeuwden tegen elkaar, de reden was dat er niets te eten was in huis. Karl ging de deur uit en kwam een tijdje later met eten thuis, maar ging zonder eten naar zijn eigen kamer.

Later kwam de vrouw van een plaatselijke ambtenaar met een ziek kind aan de deur, en vroeg of de dokter naar het kind wilde kijken, omdat haar eigen dokter niet bereikbaar was. Dagmar vertelde haar vader dat er een patiënt met een baby buiten stond, hij sprong op, met een vertrokken gezicht van haat en brulde tegen Dagmar dat hij het kind niet wilde aanraken, hij haatte kinderen, laat ze maar sterven, ik heb nog nooit een kind aangeraakt en doe dat nu ook niet. Wij stonden als verstijft, en ik zei nog, Karl je bent toch arts, kijk dan toch even naar dat kind. Hij draaide zich om, en verbood mij tussenbeide te komen, en beet mij toe geen advies van een smerige vette Jodin nodig te hebben. Hij schreeuwde mij dat toe, en vervolgde zit mij niet zo aan te gapen, ik haat kinderen, ik haat elk menselijk wezen, de mensen moeten zo snel mogelijk allemaal vergast te worden, dieren zijn veel beter dan mensen. Hij draaide zich om en verdween naar buiten, en ging naar de dierentuin om daar met een luipaard te stoeien, iets wat hij vaker deed. De volgende dag was duidelijk waar hij geweest was, zijn hand was verbonden.

Ik vertelde hem dat ik terug ging naar Wenen, en vervolgens werd hij razend, en riep tegen mij dat ik geen recht had om zo tegen hem te spreken, hij, hij die de grootste arts was in Addis Abeba. Ik glimlachte, en zei hem dat hij de grootste dwaas was in Addis Abeba, en liep weg, maar hoorde achter mij dat hij op stond en zijn adem inhield, zijn ogen rooddoorlopen en in staat was mij iets aan te doen. Ik schreeuwde tegen hem: verdwijn jij bruut, ga ogenblikkelijk deze kamer uit en waag het niet mij aan te raken.

Het vreemde was, dat hij terugdeinsde, zijn hele houding zakte als een pudding in elkaar, draaide zich om en ging weg. Ik belde het vliegtuig en boekte voor de eerste de beste terugvlucht, die de volgende dag om 10 uur zou vertrekken.

De volgende dag werd mij verteld dat Dagmar en haar vader waren uitgenodigd door de keizer om te komen ontbijten en zij mij onmogelijk naar het vliegveld konden brengen. En een blanke vrouw in Addis Abeba in een taxi, was toen ondenkbaar,  onmogelijk en levensgevaarlijk.

Ik vertelde Dagmar dat zij mij eerst naar het vliegveld moesten brengen en daarna naar de keizer konden gaan om te ontbijten. Karl stond in de deuropening, en kwam dreigend naar mij toe, ik handelde in een reflex en sloeg hem enkele malen in zijn gezicht, hij liet dat gewoon toe, en zei dat ik hem moest slaan, hij deugde nergens voor, hij wilde sterven, hij had sinds de dood van zijn vrouw niets liever gewild dan te sterven. Dagmar huilde, en smeekte mij te blijven, maar brachten mij toch naar het vliegveld, Karl zei mij niet eens gedag, draaide zich om, om te gaan ontbijten bij de keizer. Zelf liep ik naar het vliegtuig, en vroeg de stewardess om iets te eten.

 

Direct nadat ik in Wenen was teruggekeerd, ging ik naar de ouders van Karl Babor, zijn moeder deed open, riep vlug haar man en verdween. Ik vertelde zijn vader wat ik had meegemaakt, en verweet hem dat hij mij naar Ethiopië had gestuurd. Wist hij niet dat zijn zoon zwaar ziek was en eigenlijk in een gesticht opgenomen had moeten worden, hoe kon hij arts zijn als hij kinderen weigerde te helpen en kinderen zelfs haatte, hoe dat hij vond dat alle mensen vergast dienden te worden en dat hij alleen van dieren hield. De vader verontschuldigde zich, en vertelde dat Karl in de oorlog een ineenstorting had gehad en hoopte dat hij zich zou herstellen als er iemand was die voor hem kon zorgen. Ja zei ik een smerige vieze vette Jodin die hem sloeg. Het spijt mij zo zei de oude heer Babor, ik hoop dat je alles kunt vergeten. Maar dat was onmogelijk, ik zag Karl in mijn nachtmerries, had mijn baantje weer opgepikt, maar maakte meer fouten dan ooit. Mijn moeder had het hele verhaal uiteraard gehoord, en adviseerde mij om eens in gesprek te gaan met Dr.Wiesenthal.

 

En zo zat ik dus in Wenen tegenover Dr.Simon Wiesenthal die ik het ongelooflijke bovenstaande verhaal heb verteld. Meneer Wiesenthal zeg ik, het is echt waar, ik zweer het u, wat ik heb verteld is echt gebeurt.

Dr.Wiesenthal kijkt haar aan, en zegt mevrouw ik geloof u onmiddellijk, ik ken Karl Babor al voor dat u hem tegenkwam, en ik zoek hem al heel lang. Ik was namelijk gevangene van het concentratiekamp Grossrosen in de omgeving van Breslau, nu Wrocklaw in Polen waar ik hem tegenkwam.

 

De gedachten van Simon Wiesenthal dalen bij het aanhoren van haar verhaal af naar zijn eigen verhaal, het was een klein kamertje met donkere muren. In dat kamertje staat een jongeman met een witte jas over zijn SSuniform. Alle binnengekomen gevangenen hebben hem al gezien, hij was lid van de selectiecommissie. Als de gevangenen binnenkomen, moeten zij voor Herr dokter in de houding staan, en maakt Herr dokter een beweging met zijn vinger naar rechts wat leven betekend, wijst hij naar links dan betekend dat dood. Een SS man maakt de aantekeningen, en de dokter kijkt nog eens naar een menselijk wrak voor hem, en gebied hem zijn mond open te doen, en dan blijkt die niet helemaal waardeloos te zijn, hij heeft drie goudvullingen, en krijgt een groot dik vochtig zwart kruis op zijn voorhoofd. Allen die naar rechts moesten, en een zwart kruis meekregen worden geregistreerd, hoeveel gouden tanden en vullingen zij in hun mond hebben, dat alles in tweevoud. Zij mogen hun tanden en vullingen gebruiken zolang zij leven, maar zijn geen eigenaren meer.

De linksaf gewezen personen moeten opnieuw door de dokter verschijnen in het donkere kamertje. Het heeft een ingang en een uitgang, in het midden staat een tafeltje met injectienaalden en enkele flessen gevuld met een kleurloze vloeistof, en er staat slechts een stoel. Dit is het antichambre van het crematorium Grossrosen, Grossrosen heeft geen gaskamers. Het crematorium wordt bediend door Zwarte Iwan, een Russische gevangene, slechts weinigen die hem zagen konden het navertellen. Zwarte Iwan vervoerde de as uit de crematoria van Grossrosen naar de akkers in de omgeving, waar het als kunstmest word gebruikt, waar kampgevangenen groenten voor de kampkeuken verbouwden, ik kan het weten, ik was een van die gevangenen.

Allen moeten hun bovenlijf ontbloten, en de dokter vult bekwaam zijn injectiespuit, de gevangene moet gaan zitten op de enige stoel, en word door twee SSers vastgehouden. De dokter stapt naar voren en steekt de naald met dodelijke precisie recht in het harten en leegt de spuit, die altijd iets meer inhoud bevat dan strikt noodzakelijk voor de dodelijk hoeveelheid carbolzuur. Veel tijd om te beseffen wat er gebeurt krijgt men daarom niet, en vrijwel onmiddellijk daarna worden de slachtoffers door de deur weggesleept naar het crematorium, en de gevangenen zien aan de opstijgende zwarte rook, wat er gebeurt is. Dat gaat in perfecte precisie, want er staan nog vele slachtoffers buiten op hun beurt te wachten. Herr Dokter Babor stond goed aangeschreven bij zijn SS meerderen, zij noemden hem Herr Dokter terwijl hij nog slechts medisch student was en 6 semesters achter de rug had toen hij voor de SS tekende. In Gross-Rosen was behalve Karl Babor, ook Friedrich Entress als arts werkzaam. Beiden kregen overigens het Kriegdverdienstkreuz 2e klasse omdat zij een vlekkenkoorts epidemie hadden voorkomen. De laatste werd overigens ter dood veroordeeld tijdens het zogenaamde Mauthausenproces, en dar werd voltrokken op 28 mei 1947 in Landsberg. In juni 1942 was Karl Babor samen met Waldemar Wolter assistent arts in het biochemisch proefstation in concentratiekamp Dachau, hier werden onder leiding van Heinrich Schutz bloedvergiftigingsproeven uitgevoerd op gevangenen. In zijn periode aldaar zijn 4 proeven uirgevoerd op groepen gevangenen, en zeker 28 hebben die niet overleefd. Na Dachau werd hij kamparts in Natzweiler-Strutthoff tot augustus 1944, toen hij troepenarts werd van het Bataljon des SS Panzer-Grenadier-Regiment 6 “Theodor Eijcke”der 3e SS Panzer-Division “Totenkopf”

 

Na de oorlog, zo vond Simon Wisenthal uit, heeft Karl Babor in een interneringskamp gezeten aangemerkt als een der kleine visjes, die geen ernstige feiten gepleegd had, zat enige tijd vast in het Weense Landesgericht, maar men kon geen afdoende feiten over hem vinden, dus werd vrijgelaten.

In 1948 hervatte hij zijn medische studie aan de Weense universiteit en slaagde in 1949, en ontving zijn graad als Doctor in de medicijnen, en zwoer de hele mensheid te dienen.

Nadien werkte hij in het gemeentelijk ziekenhuis van Wenen, en nadien als huisarts in Gmunden, en was daar zeer gezien als huisarts. Maar toch voelde hij zich niet helemaal veilig, hij kreeg seinen vanuit Wenen waar zijn ouders woonden, dat twee personen bij hun aan de deur waren geweest in 1952, zij waren twee voormalige bewoners van Grossrosen. Zijn vader vertelde dat zijn zoon niet thuis was, en de twee gingen vervolgens naar de politie, terwijl zijn vader hem inlichtte. Kort na dit voorval verdween dokter Karl Babor, zijn vrouw Helga en dochter Dagmar uit Gmunden, het moge duidelijk zijn dat dit geen toeval was. In het jaar daarop werd tegen hem de beschuldiging geuit dat hij in Grossrosen giftige injecties had toegediend, met de dood tot gevolg. Er werd een aanhoudingsbevel tegen hem uitgevaardigd, maar zijn adres was onbekend.

Simon Wiesenthal wist inmiddels door het verhaal van zijn bezoekster, dat hij zich in Ethiopië had gevestigd, maar ook dat Ethiopië hem niet lastig zou vallen, terwijl hij ook niet vrijwillig naar Oostenrijk zou komen. Wiesenthal heeft het verhaal in de New York Times gepubliceerd, en dat had tot gevolg, dat de Ethiopische gezant verklaarde dat Dr.Babor nooit de officiële lijfarts van de keizer was geweest, wel heeft hij leden van de keizerlijke hofhouding behandeld. Nadat ook een krant in Frankfurt het publiceerde, kwamen er hier en daar toch reacties van mensen die meer wisten. Ook in Addis Abeba, vroegen Duitse en Oostenrijkse correspondenten aan Babor om zich te verdedigen tegen de beschuldigingen van Wiesenthal in de kranten. In een persconferentie vertelde Babor nooit in kampen te hebben gewerkt, hij was enkel troepenarts geweest in Breslau. Op een vraag waarom hij Wiesenthal niet vervolgde wegens smaad, zei hij dan naar Wenen te moeten, maar dat hem de financiën daarvoor ontbrak. Als Simon Wiesenthal dat leest, bied hij Babor een vliegticket aan, en dat in Wenen een hotel en alle kosten voor hem betaald zullen worden. Het telegram werd verzonden en kwam in alle kranten te staan, zodat Babor nimmer kon verklaren daar nooit iets over te hebben gehoord of ontvangen. Maar het bleef zoals verwacht nadien stil.

Niet lang daarna, maakte Dr.Karl Babor een andere reis, hij bleef weliswaar dicht bij huis. Hij had zijn testament gemaakt, zijn rekeningen betaalt, zijn papieren geordend en ging met zijn auto naar de bush.

Aangekomen bij zijn favoriete plek bij de krokodillen, ontdeed hij zich van zijn kleren vouwde die netjes op en legde die in zijn auto, nam zijn geweer mee en waadde tussen de krokodillen door het water en liep tot hij niet verder kon, schoot zich daarna een kogel door zijn hart. Een plek die hij met zijn ervaring niet kon missen. Enkele dagen later werd hij in de rivier gevonden door Amerikaanse toeristen, en melden hun vondst aan de Ethiopische politie, die het bericht deed uitgaan van zelfmoord van Dr.Karl Babor.

Een krant in Duitsland bracht het exclusieve verhaal van zijn dood, en gaf Simon Wiesenthal’s agenten de schuld van zijn dood, die krant vertoonde duidelijk nog nazi sympathieën. Enkele dagen later werd hij in Addis Abeda begraven, waarbij vele leden van de Duitse en Oostenrijkse kolonie aanwezig waren, en de Oostenrijke consul-generaal legde een krans op het graf van Dr.Karl Babor.

 

Colofoon:

Moordenaars onder ons- Simon Wiesenthal

Databank 2e wereldoorlog

Diverse internetsites.

 

Anton Heijmerikx

Franz Paul Stangl, bijnaam “de Witte Dood”

Franz Paul Stangl, bijnaam “de Witte Dood”

Franz Paul Stangl geboren, geboren in Altmünster het toenmalig Oostenrijk-Hongaarse dynastie op 26 maart 1908. Zijn vader was nachtwaker, en had gediend bij de Dragonders van het keizerlijk Oostenrijk-Hongaars regiment, en bestierde zijn gezin een dochter en zoon met een ijzeren militair regiem, zijn zoon was doodsbang voor hem. Zijn vader stierf in 1916 en zijn moeder hertrouwde met een weduwnaar en arbeider uit de plaatselijke staalfabriek, die 2 twee kinderen meebracht.

Op 15 jarige leeftijd, gaat hij van school en gaat in de leer bij een textielweverij en sluit zijn opleiding na 3 jaar af als jongste meester-wever van Oostenrijk. Zijn toekomst zou in de weverij liggen, maar in 1931 moet hij om gezondheidsredenen stoppen met zijn werk in de weverij. Hij solliciteert bij de politie en wordt hier aangenomen, krijgt zijn opleiding bij de politie van Linz en in het trainingscentrum Kaplanhof. Schijnbaar vond hij de opleiding zwaar, en omschreef zijn leraren later als sadisten. Na 1 jaar werd hij ingezet bij de verkeerspolitie, en daarna bij de oproerpolitie en ronde zijn opleiding af in 1933. Bij toeval ontdekte hij een geheime opslagplaats van de toen nog verboden NSDAP, en werd daarvoor beloond met de Adelaarsinsigne, “de Adler”, en mocht als beloning een rechercheursopleiding volgen bij de Kriminalpolizei. In het najaar van 1935 werd hij overgeplaatst naar Welsh de 2e stad in Oberösterreich. In 1935 huwde hij met Theresia Eidenböck, zij kregen 3 dochters, Brigitta, Renate en Isolde.

Na de Anschluss van Oostenrijk bij het Derde Rijk in maart 1938 werd Franz Stangl lid van de dan erkende NSDAP onder lidnummer 6.370.447, en lid van de SS. Hij heeft, toen hij meer macht had, zijn aanvangstijd tot lidmaatschap veranderd in 1936, het tijdstip van 1938 zou hem moeilijkheden kunnen opleveren als politieagent verklaarde hij later, welke is niet bekend.

Al in 1939 werd de Kripo overgenomen door de Gestapo en naar Linz overgeplaatst, Stangl werd daar Kriminal-oberassistent en kreeg werk bij het Judenreferaat.

Op bevel van zijn chef, trad hij in 1939 uit de Katholieke kerk.

In het najaar van 1940 werd Stangl bevorderd tot hoofdinspecteur van politie en werd overgeplaatst naar een instelling met de naam “Gemeinnützige Stiftung für Heil und Anstaltplege” (Stichting tot algemeen nut voor Gezondheids- en Inrichtingenzorg) in de praktijk was dit een uitvoerings organisatie voor euthanasie van de nazi’s, met het doel het Genetisch zuiver houden van het Germaanse volk, door het uitroeien van mensen met een handicap, lichamelijk zowel geestelijk.

Hun hoofdkwartier was gevestigd in Berlijn op Tiergartentrasse 4 in Berlijn onder de codenaam Aktion T 4. In de periode tussen oktober 1939 en augustus 1941 zijn ca. 70.000 psychiatrische en gehandicapte mensen omgebracht door artsen en verplegers samen met de SS in een zestal geheime Euthanasie instellingen. Sonnenschein bij Pirna (14.720 pers), kasteel Harthein bij Linz (ca.30.000 pers.), Bernburg an der Saale (14.385 pers. Waaronder ca 5000 gevangenen uit omliggende concentratiekampen) , Brandenburg an der Havel (9.772 pers.), Grafeneck bij Württemberg( 10.654 pers.) Hadamar in Hessen (ca 14.500 pers).

Bij de statistieken van alle de zes inrichtingen kwam een berekening boven water waarin stond, dat het (zogenaamde) desinfecteren van 70.273 mensen met een levensverwachting van 10 jaar een besparing op voedsel in de waarde van 141.775.573,80 Rijksmark had opgeleverd.

In Hadamar hebben de nazi’s een groot feest gehouden bij het vergassen van hun 10.000 slachtoffer, welkfeest uitmondde in een groot drinkgelag in de kelders waar zij hun misdaden uitvoerden.

 

Stangl werd na kort in Berlijn werkzaam te zijn geweest, bureauchef in Hartheim, waar hij naar eigen zeggen enkel belast was met de afwikkeling van de nalatenschap van de ca 18.000 mensen die hier zijn omgebracht door middel van koolmonoxide. Het feit dat hij alles ondertekende met de schuilnaam Stauft zegt overigens genoeg.

Ondanks dat Aktion T 4 een geheime operatie was, lekte dat geheim toch hier en daar uit, dat kon ook niet anders, er waren veel mensen voor nodig om het uit te voeren, en er zitten er altijd wel tussen, die in geestelijke nood hun verhaal zullen vertellen. Zo kwam het de bisschop van Münster graaf Clemens August von Galen (Dinklage, 16 maart 1878 – Münster, 22 maart 1946) ter ore, en in zijn preken in juli en augustus 1941 trok hij fel  van leer tegen het euthanasieprogramma van de Nazi’s waardoor het bij meerdere personen bekend werd. De Nazi’s hebben naar aanleiding daarvan hun euthanasieprogramma enigszins gewijzigd, enkele inrichtingen gesloten, en anderen nog meer afgesloten van de buitenwereld, maar het programma voor de vernietiging van nutteloze en daardoor onnodige kosten van voeding en kleding voor dat soort mensen volgens de nazi’s, ging wel gewoon door.

Bisschop Clemens August, moest vanaf de zomer van 1941 ernstig rekening houden met arrestatie en eventuele executie door de Nazi’s, maar de Nazi’s durfden het niet aan, om de razend populaire bisschop tijdens de oorlog aan te pakken, maar de planning was wel, om na de “endsieg “ af te rekenen met bisschop von Galen.

Een jaar voor de capitulatie van Nazi Duitsland, werd hij gedwongen te vertrekken uit zijn door Engelse bommen verwoest bisschoppelijk paleis, en vertrok naar Sendenhorst, 20 km zuidoostelijk van Münster.

Feanz Stangl deed in Hartheim ervaring op in misleiding technieken, die hem later in zijn misdadige carrière goed van pas kwamen. Overlijdensakten met verzonnen maar natuurlijke doodsoorzaken meestal ziekten, inschrijvingen in andere gemeenten maar wel zover mogelijk verwijderd van de oorspronkelijke woonplaatsen, zodat nabestaanden die reis niet kunnen maken in oorlogstijd, en naspeuringen bemoeilijkt. Ook kregen zij de urn met as van hun overleden verwanten toegestuurd met de rekening van crematie, kost en inwoning en medische verzorging over de verzonnen tijd, terwijl de liquidatie meestal al direct bij aankomst plaatsvond, en liquidatie niet op de plek had plaatsgevonden die op de rekening stond.

De bewoners/patiënten werden met bussen vol vanuit heel Duitsland naar Hartheim of de 5 andere inrichtingen vervoerd, en meestal niet in staat te beseffen wat hun overkwam, voor de lichamelijke gehandicapte patiënten was een ander programma, maar voor beide groepen was een douche noodzakelijk, en in plaats van water kwam er koolmonoxide uit de douchkoppen met fatale gevolgen.

De 6 geheime locaties, waren eigenlijk niet meer als een leerschool voor de vernietiging van mensen, en velen werden psychisch gehard in het genadeloos vernietigen van mensenlevens, wat hun in hun verdere loopbaan van pas kon komen. Aktion T 4 was niet meer of minder dan een training in het fabrieksmatig en efficiënt omgaan met liquidaties.  Werd men geschikt bevonden, dan werd men naar de vernietigingskampen gestuurd om de Endlösung uit te voeren en zo niet dan was het oostfront hun deel, waar de kans het grootste was om, om te komen en zodoende het geheim van Aktion T4 te bewaren..

Na een korte periode gewerkt te hebben in een ander geheime Euthanasie instelling Bernburg an der Saale in Saksen Anhalt, en weer terug in Hartheim werd Franz Stangl in februari 1942 ontboden in het hoofdkwartier van Aktion T 4 in de Tiergardenstrassen r. 4 in Berlijn, met de opdracht om naar Polen te vertrekken en zich te melden in Lublin bij de SS Gruppenfuhren Odilo Globocnic de chef van  Aktion Reinhard, de codenaam voor de vernietiging van Poolse Joden in het  Generalgouvernement. In maart 1942 meld hij zich, promoveerde naar de rang van Polizeioberleutnant en krijgt de opdracht om Sobibor af te bouwen. De bouw van Sobibor was reeds gestart, maar de Poolse arbeiders werkten niet hard genoeg in de ogen van de nazi’s om Sobibor te voltooien, zij hadden een strakke hand nodig om Sobibor te voltooien.

In April 1942 komt hij in Sobibor en is hij als kampcommandant verantwoordelijk voor de bouw en het in bedrijf stellen van Sobibor, waarvan hij later verklaarde niet beter te weten dat Sobibor een bevoorradingskamp zou worden om de troepen aan het oostfront te voorzien van de benodigde verzorging van materiaal etc.

Het is natuurlijk niet vol te houden voor Stangl, dat als je de leiding hebt bij de verdere bouw en in bedrijf stellen van Sobibor, en je hebt leiding gegeven aan de bouw van gaskamers en crematoria, en opdrachten gegeven om de vernietiging van mensen te starten, dat je er dan van overtuigd bent dat het een bevoorradingskamp gaat worden.

Razendsnel ook was Sobibor gereed, in mei 1942 was het vernietigingskamp volledig operationeel, en de eerste 2 maanden zijn en werden er al ca 100.000 Joden omgebracht.

Na de oorlog verklaarde Stangl dat als er een trein binnenkwam van 30 wagons met 3.000 Joden, en per uur ca. 1.000 werden geliquideerd. De werkdagen bedroegen vaak ca. 14 uur, en dan waren op het eind van de dag ca. 12- 15.000 personen verwerkt en vernietigd.

In juni 1942 kwam zijn gezin ook naar Polen en woonden aanvankelijk in Chelm, maar trokken al gauw naar een grafelijk landgoed in Sobibor op zo’n 3 km afstand van het kamp, van waaruit Stangl regelmatig per paard zich verplaatste via de bossen van huis naar het kamp.

Zijn verblijf in Sobibor was overigens van korte duur, nadat de vernietigingsmachine op volle sterkte werkte, werd hij vervangen door  Franz Reichleitner en overgeplaatst naar Treblinka om daar de kampcommandant Irmfried Eberl een Oostenrijkse arts die korte tijd Stangl meerdere was in de korte periode in Bernburg, om die te vervangen, omdat die niet in staat bleek Treblinka te laten functioneren zoals de nazi’s het wilden. Irmfried Eberl was geboren op 8-9-1910 in Bregenz, gearresteerd in januari 1948 en heeft zichzelf opgehangen in zijn cel te Ulm op 16 februari 1948.

Nadat Stangl zijn gezin teruggestuurd te hebben naar Oostenrijk, komt in september 1942 Franz Stangl met zijn auto met chauffeur aan in Treblinka, van verre roken zij al Treblinka, de weg ernaartoe liep langs een spoorlijn op grote afstand van het kamp lagen her en der al de dode lichamen langs de rails, en hoe dichter bij het kamp des te meer lichamen, bij de halte van het kamp lagen meer dan honderd lichamen die er gezien de staat waarin zij verkeerden al dagen lagen in de brandende zon. Op het station stond ook nog een trein vol met Joden sommigen dood anderen nog levend, en die trein stond er ook al dagen. Zijn aankomst in Treblinka was het afschuwelijkste wat hij ooit gezien had verklaarde Stangl na de oorlog. Hij stapte uit op het Sortierungsplatz, en wist niet waar hij moest lopen, hij moest door grote hoeveelheden geld, bankbiljetten en muntgeld, sieraden, edelstenen kleding wat overal over het hele plein lag, en vele zo niet duizenden lichamen die overal lagen, de stank was enorm.

Een paar honderd meter verderop achter het prikkeldraad, dus buiten het kamp zag hij het kampement van de bewakers, daar waren vele tenten en kampvuren, met de bewakers en meisjes uit de omgeving allen stomdronken en dansend, zingend rond de kampvuren, naar later bleek hoeren.

Hij greep direct in, en evenals in Sobibor ontpopte hij zich als de meest efficiënte en toegewijde organisator van de Massamoordmachine, Odilo Globocnik noemde hem niet voor niets als de beste kampcommandant die het grootste aandeel heeft gehad in de gehele Aktion Reinhard, wat Stangl met trots vervulde.

Evenals in Sobibor en nu dus in Treblinka was Frans Stangl de hoogste in rang van het Duitse en in Duitse dienst zijnde kamppersoneel. Hij was verantwoordelijk voor de gehele gang van zaken in Treblinka en van de massaliquidaties in het bijzonder, wel onder bevel van SS-Gruppenfuhrer Odilo Globocnik en diens plaatsvervanger Christian Wirth, inspecteur van de drie concentratiekampen, Sobibor, Treblinka en Belzec. Vertragingen en toestanden onder Irmfried Eberl werden niet meer geduld. Onder wakend oog van Christian Wirth pakt Stangl voortvarend de herstart van de organisatie op. Een van de eerste maatregelen was het plaatsen van emmers in de zogenaamde Schlauch, de enge doorgang richting gaskamers, waardoor de Joden gedreven werden. In Sobibor had hij ervaren, dat door lange wachttijden hun behoeften deden of door angst lieten lopen en emmers hadden in Sobibor goede diensten bewezen.

Op grote schaal werd door Stangl opdracht gegeven om meer en grotere gaskamers te bouwen, en onder zijn leiding werd stap voor stap de massale vernietiging van voornamelijk Joden vervolmaakt.

Verving de verouderde dieselmotor voor het vervaardigen van uitlaatgassen en verving die door een dieselmotor van een Russische pantzertank type T34.

Hij liet alles schriftelijk vastleggen, personeel werd opnieuw georganiseerd, vaste groepen samengesteld uit Joodse gevangenen, die moesten zorgen voor allerlei karwijen in het kamp, zij kregen de indruk dat zij door hun werk misschien kans hadden te overleven, maar dat was enkel uitstel van vernietiging. Zij moesten treinen lossen, gaskamers leeghalen, barakken die uitpuilden van bijv. kledingstukken werden leeggehaald, gesorteerd en opgestuurd naar RSHA in Berlijn. (Het Reichssicherheitshauptamt of RSHA, was de overkoepelende veiligheidsdienst van het Derde Rijk, opgericht door Heinrich Himmler op 22 december 1939.) Hij liet de lijken buiten het kamp opruimen, hij liet ook een treinstation bouwen, voorzien van loketten, dienstregelingen en verwijzingsborden richting Warschau en Bialystok, zo probeerde hij de gedeporteerden de indruk mee te geven dat het hier een doorgangskamp was, maar behalve de deportatietreinen stopte hier geen andere treinen.

Boven de ingang van de gaskamer liet hij in het Hebreeuws het opschrift maken: “Dit is de poort, waardoor de rechtvaardigen binnengaan”. SS-Reichsfuhrer Heinrich Himmler verleende Franz Stangl met het Kriegsverdienstkreuz met de geheime toevoeging wegens “ seelicher Belastung” oftewel mentale belasting.

Toen de geoliede fabrieksmatige vernietiging in redelijk korte tijd continu draaide, nam zijn plaatsvervanger SS-Oberscharffuhrer Kurt Franz de aansturing van de dagelijkse gang over, en richtte Franz Stangl zich meer op administratieve en organisatorische aangelegenheden. En verder bemoeide hij zich enkel nog tot inspectie en controlerondes bij binnenkomsten van de treinen, maar ook bij het leeghalen van de gaskamers het begraven van en later opgraven van lijken en het verbranden daarvan. Hij was het ook die de ongedisciplineerde en moorddadige Oekraïners in toom kreeg, door te dreigen met zware straffen en zo nodig die ook uit te voeren. De zogenaamde Arbeidsjoden hadden zijn aandacht, hij liet voor hun barakken bouwen in een apart gedeelte van Treblinka, om proberen te voorkomen dat zij veel in contact zouden komen met de aangekomenen in de treinen, met betere leefomstandigheden, en hij inspecteerde regelmatig hun barakken en hun werkzaamheden, hield regelmatig toespraken tot hen en waarschuwde hen voor maatregelen als zij de opdrachten niet naar behoren uitvoerden. Tevens was hij bang dat als er iemand ontvluchtte de buitenwereld zou horen wat er zich in het kamp afspeelde. Maar iedereen in de wijde omgeving was op de hoogte van de verschrikkingen in Treblika, gezien de vele lijken langs en nabij de losplaats van de spoorlijn voordat Stangl hier kwam.

Zelf claimde Stangl na de oorlog dat hij niets te maken had met ideologie of Jodenhaat, hij voerde uit wat hem van hogerhand was opgedragen, en dat probeerde hij zo goed mogelijk te doen. Wel sprak hij zijn verbazing uit dat de Joden het allemaal maar lieten gebeuren, en hij heeft nooit begrepen dat ze het zomaar opgaven.

Wel verklaarden verschillende getuigen na de oorlog, dat zij Stangl in tegenstelling tot vele ondergeschikten nooit hebben betrapt op enig sadisme, en er is geen enkel geval bekend waarbij hij persoonlijk een gevangene heeft mishandeld of gedood heeft, of zelfs maar zijn stem verheft heeft. Maar door zijn ijver en uitvoeren van bevelen is en blijft hij verantwoordelijk voor het gebeurde, hij stond erbij en keek ernaar, terwijl hij het in zijn macht had met een vingerknip de moordmachine stil kon zetten.

Treblinka bestond uit twee kampen gescheiden door een aarden wal, waarop Franz Stangel regelmatig verscheen, en stond daar als een Polizeioberleutnant zijn troepen te inspecteren.

Hij zag de gevangen zelden als individi, het was altijd een massa naakte lijven die door de Slauch gedreven werden door zwiepende zwepen richting gaskamer. Het was lading die uit de treinen kwamen, bestemd om vernietigd te worden. Toen hij eens in het Totenlager van Treblinka kwam, en waar Wirth stond naast de kuilen met blauwzwarte lijken, werd Stangl gevraagd door Wirth wat doen wij met dit afval, afval wat bestond uit rottend vlees. Stangl kon dit niet anders zien dan als afval wat overbleef van lading uit de treinen. Het was een onomkeerbaar iets.

Alle gevangenen die het wat langer overleefden, kenden Franz Stangel, als der oberleutnant mit der Feldmütze, hij droeg altijd een kleine baret verder droeg hij in het kamp altijd een smetteloos witte uniformjas. Hij droeg ook altijd een rijzweepje, met een knop met het gouden monogram van Sobibor wat hij had laten maken van geroofd Joods goud. Zijn ondergeschikten hadden lange leren zwepen, en gebruikten die ook te pas en te onpas.

In augustus 1943 brak er een opstand uit onder de gevangenen, ca 400 gevangenen wisten wapens te verkrijgen uit de depots, en in de hierna ontstane gevechten wisten ca. 200 tot 250 gevangenen te ontsnappen waarvan de meesten weer in de omgeving zijn gepakt, en bij terugkeer in Treblinka onmiddellijk geëxecuteerd. Op 18 en 19 augustus 1943 kwamen de laatste twee transporten in Treblinka aan, en de inzittenden, Poolse Joden zijn in de daarop volgende dagen geliquideerd.

Op 20 oktober 1943 werden de laatste gevangenen in 5 treinwagons geladen naar Sobibor vervoerd, en daar onmiddellijk na aankomst vergast. De 25 Arbeidsjoden die hoopten op enige kans op overleven, werden door de laatste SSers ter plekke doodgeschoten. Daarop verlieten da laatste SSers het kamp Treblinka, welk kamp kort daarna met de grond is gelijkgemaakt om zoveel mogelijk sporen na te laten, en was Franz Stangl kampkommandant af.

Franz Stangl was inmiddels bevorderd tot SS-Hauptsturmfuhrer en werd overgeplaatst naar Operationszone Adriatisch Küstenland, samen met 120 collega’s waaronder Odilo Globocnik, Christian Wirth en Franz Reichleitner, welke laatste overigens door de Noord Italiaanse partizanen in januari 1944 is doodgeschoten. Zij waren verantwoordelijk als zelfstandige eenheid voor de bestrijding van de partizanen en de deportatie van de Joden in noord Italië. Alle leidinggevenden van deze bijzondere zelfstandige afdeling de Sonderabteilung  Einsatz R (R. voor Reinhard) waren allen voormalige kampkommandanten. Stangl bleef dit tot eind 1944 toen ziekte hem in het veldhospitaal deed belanden met hoge koorts en zijn lichaam bedekt met blauwe plekken. Hij kreeg in de laatste chaotische maanden van de oorlog bevel om zich in Berlijn te melden, maar hij vluchtte in april 1945 naar het Oostenrijkse Lembach waar zijn gezin inmiddels woonde.

Juli 1945 kregen de Amerikanen hem te pakken, en werd als gewoon SSer die actief was geweest in de partizanenoorlog in Joegoslavië en Italia, opgeborgen in Glasenbach in de omgeving van Salzburg. Zijn aandeel in Sobibor en Treblinka waren nog niet bekend. In 1947 zou hij vrijgelaten worden, maar toen werd bekend dat hij in Schloss Hartheim actief was geweest, en werd hij door de Amerikanen overgedragen aan de Oostenrijkse autoriteiten die hem opsloten in Linz in voorlopige hechtenis totdat het proces tegen hem en anderen die werkzaam waren geweest in Hartheim, begon een jaar later. Toen Stangl van zijn vrouw hoorde, dat een ondergeschikte chauffeur van hem 4 jaar kreeg voor zijn aandeel, vluchtte hij met de voormalige plaatsvervangende kommandant van Sobibor Gustav Wagner uit de half open gevangenis van Linz. Franz Stangl vluchtte te voet via Graz en Florence naar Rome, waar het geheime genootschap Odessa genaamd hem had geholpen en de daarvan deel uitmakende bisschop Alois Hudal (die overigens door Paus Pius XII uit zijn ambt werd gezet, toen zijn werkzaamheden bekend werden)  hem een Rode Kruispas en een visum voor Syrië bezorgde. In Damascus werkte oorspronkelijk als wever, liet zijn gezin overkomen in mei 1949, en was in 1949 werkzaam als machinetechnicus.

In 1951 emigreerde hij met zijn gezin naar Brazilië, waar hij wederom begon als wever, en ook hier later machinetechnicus werd bij de textielfirma Sutema. Zijn vrouw vond werk in de boekhouding van Mercedes-Benz, en dankzij haar kon Franz Stangl in oktober 1959 aan de slag in de Volkswagenfabriek bij S?o Paulo, voor 1200 US dollar maandelijks, en konden zich veroorloven een ruim eigen huis aan te schaffen, in een rustige wijk, en keurig aangemeld bij het Oostenrijkse consulaat onder eigen naam.

Tien jaar later duikt zijn naam op de officiële Oostenrijkse lijst van gezochte oorlogsmisdaden. Maar hij bleef nog onvindbaar totdat Simon Wiesenthal in 1964 opspoorde. Bij Simon Wiesenthal stond Stangl op de 3e plaats na Martin Bormann en Heinrich Müller

Dezelfde Simon Wiesenthal kwam een document tegen tijdens zijn speurtochten naar oorlogsmisdadigers, die op naam stond van Franz Stangl, van goederen die geleverd werden aan de RSHA (Reichssicherheitshauptamt) en die goederen waren afkomstig uit concentratiekamp Treblinka bij Warchau, waar hij kampkommandant was goederen verzameld tussen 1 oktober 1942 en 2 augustus 1943, dus over een periode van 10 maanden.

 

25 vrachtwagen vrouwenhaar

248 vrachtwagens kleding

100 vrachtwagens schoenen

22 vrachtwagens textiel

46 vrachtwagens medicijnen

254 vrachtwagens dekens en beddengoed

400 vrachtwagens diverse gebruikte artikelen

2.800.000 Amerikaanse dollars

400.000 pond Sterling

12.000.000 Sovjet roebels

140.000.000 Poolse zloty’s

400.000 gouden horloges

145.000 gouden trouwringen

4.000 diamanten boven 2 karaat

120.000.000 zloty’s in verschillende gouden munten

Meerdere duizenden snoeren parels

(get.) Franz Stangl

 

Hij werd door Brazilië uitgeleverd op 28 februari 1967 aan de Bondsrepubliek Duitsland, Oostenrijk en Polen hadden ook om uitlevering gevraagd, maar Brazilië gaf de voorkeur aan Duitsland waarbij hij bij zijn proces in Düsseldorf terechtstond voor medeplichtigheid aan de moord op 1.200.000 mensen. Het proces begon op 13 mei 1970 en op 22 oktober 1970 werd hij veroordeeld tot levenslang wegens medeplichtigheid voor de moord op 900.000 mensen.

Hij ging in beroep, en wachtend op zijn hoger beroep werd hij getroffen door een hartaanval en overleed op 28 juni 1971 op 63 jarige leeftijd in de gevangenis van Düsseldorf.

Zijn naam was al in de zijlijn opgedoken tijdens processen tegen andere bewakers van Treblinka, zo als bij August Miete met de bijnaam “Malchamowes” Doodsengel, die voor zijn aandeel levenslang kreeg, maar bij zijn slotwoord stelde die vast “de eigenlijke schuldigen staan hier niet voor het gerecht”

Over de arrestatie van Franz Stangl doen meerdere verhalen de ronde, het ene verteld dat hij op zijn werk gebeld is dat zijn dochter een ongeluk gehad heeft en in het ziekenhuis ligt, waarop hij vliegensvlug naar het ziekenhuis gaat en daar gearresteerd is, het andere is, dat Simon Wiesenthal een oud Gestapo man op bezoek krijgt op 22 februari 1967 die tegen betaling het adres van Franz Stangl wil verkopen voor 25.000 Dollar, iets wat Wiesenthal niet wil en ook niet kan betalen. Ze spreken uiteindelijk af, dat de Gestapo man 1 cent per persoon krijgt voor 700.000 omgebrachte mensen, dus 7.000 dollar krijgt als Franz Stangl daadwerkelijk zal worden opgepakt door zijn aanwijzingen en dat laatste is gebeurt, maar het verhaal verteld niet of die 7.000 dollar zijn uitbetaald.

Op 23 juni 1967 is Franz Stangl overgedragen aan Siegfried Kindler en Reinhold Greiner in Rio de Janero. Zij kochten voor Stangl een toeristenticket, maar op advies van de gezagvoerder zijn zij geplaatst in de 1e klasse van de Boeing 707, omdat in de toeristenklasse 40 Joodse passagiers zaten.

 

Het aantal slachtoffers van Sobibor is niet exact te noemen, omdat Adolf Eichman bevolen heeft na de opstand in Sobibor, om het kamp met de grond gelijk te maken en zoveel mogelijk sporen te wissen, en mede daardoor is de administratie ook vernietigd. De Britse geheime dienst heeft telegrammen onderschept waarin sprake was van 170.165 slachtoffers waaronder 34.313 Nederlanders waarvan 2 vrouwen Selma Wijnberg en Ursula Stern Sobibor hebben overleeft, alle andere overlevenden van Sobibor 16 personen zijn maar zeer kort in Sobibor geweest en daarna doorgestuurd naar andere kampen de bekendste van hun was Jules Schelvis.

Het aantal slachtoffers van Treblinka is eveneens niet exact vastgesteld, schattingen lopen uiteen, maar het meest genoemd is het aantal van 900.000 slachtoffers, nieuwe onderzoekingen tonen aan dat dat aantal ruim naar boven moet worden bijgesteld, en mogelijk boven 1.000.000 slachtoffers komt. Na Auschwitz zijn in Treblinka de meeste slachtoffers gemaakt. Ook in Auschwitz is het juiste aantal slachtoffers vanwege de vernietiging van de archieven niet meer te achterhalen, maar naar het aantal treinen die naar Auschwitz reden is het aantal op 1.300.000 slachtoffers vastgesteld.

 

Colofoon: vele verschillende artikelen van internet.

Das Drittes Reich – Atlas Verlag

Moordenaars onder ons – Simon Wiesenthal

 

Anton Heijmerikx, Wijhe

Doorgangskamp Westerbork.

Doorgangskamp Westerbork.

Toen Hitler de verkiezingen won in Duitsland en Hindenburg opvolgde als Rijkskanselier van Duitsland, werden de leefomstandigheden voor Duitse Joden alsmaar slechter in een Duitsland, dat zich toch al in een economische crisis bevond, evenals de rest van de wereld.

Door steeds meer onderdrukkende en vernederende wetten, vooral voor Joden, ontvluchtten steeds meer Duitse Joden naar gebieden buiten Duitsland waar zij dachten welkom te zijn.

Het was voor hen gemakkelijk uit te wijken naar Nederland, omdat de enige eis om toegelaten te worden, zij over voldoende middelen van bestaan en over geldige papieren moesten beschikken volgens een wet uit 1849.

De Nederlandse regering was overigens bang, gezien de verontruste ontwikkeling in Duitsland, dat zij al op 16 mei 1934 een nieuwe wet aannamen, waarin werkvergunningen aan immigranten aan een vergunningenstelsel was verbonden en op 30 mei 1934 deelde de Nederlandse regering mede, dat vluchtelingen met de Duitse nationaliteit zoveel als mogelijk geweerd dienden te worden.

Ondanks deze maatregelen, waren er tussen 1933-1938 ca. 25.000 Duitse Joodse vluchtelingen Nederland binnen gekomen en na de aansluiting van Oostenrijk bij Duitsland op  13 maart 1938, probeerden nog meer Joodse vluchtelingen Nederland binnen te komen. Overigens waren de meeste vluchtelingen van plan, om Nederland op een zo kort mogelijke termijn weer te verlaten, op doorreis naar een definitieve bestemming.

Op 7 mei 1938 werd door de regering bepaald, dat er geen enkele vluchteling meer binnen mocht komen. Maar toen de Kristalnacht in Duitsland had plaatsgevonden in de nacht van 9-10 november 1938, probeerden ca. 40.000 Joden een inreis vergunning te verkrijgen, wat uiteindelijk voor ca. 7.000 Joden, en op een later moment nog eens 2.000 Joden toch nog werd verleend op humanitaire gronden. De vluchtelingen werden opgevangen in vele verschillende opvangkampen en opvangtehuizen, sommigen in werkdorpen, zoals Wieringermeer en Nieuwe Sluis.

Maar dat was uiteindelijk een onhoudbare toestand. Deze vluchtelingenhulp werd hoofdzakelijk georganiseerd en betaald uit het Comité voor Joodse Vluchtelingen, een organisatie bestaande uit verschillende Joodse organisaties, die gezamenlijk probeerden een oplossing te zoeken.

In februari 1939 besloot de toenmalige regering onder Colijn, om alle Joodse vluchtelingen onder te brengen in een groot opvangkamp.

Als plaats van vestiging werd een stuk Veluwe aangewezen nabij Elspeet, reden was dat het redelijk ver van de bewoonde wereld was, zodat vluchtelingen minder snel zouden integreren. Protesten waren er natuurlijk ook, omwonenden protesteerden en ook de ANWB liet zich niet onbetuigd, zij waren bang voor de aantasting van het natuurschoon op de Veluwe. Al deze protesten hadden niet geholpen, als er niet een brief was binnengekomen van de secretaris van koningin Wilhelmina, zij deelde mede aan het ministerie van Binnenlandse Zaken, dat zij het betreurde dat de plek zo dicht bij haar zomerverblijf gelegen was, notabene 12 km van paleis het Loo verwijderd.

Toen deze locatie dus afviel, moest gekeken worden naar een nieuw terrein en die werd gevonden op de toen nog immense heidevelden in Drenthe in de buurt van het plaatsje Westerbork.

Een lid van de tweede kamer die in 1938 de plek bezocht, vond het een barre troosteloze vlakte, een der meest deprimerende stukken land dat in Nederland te vinden was. Inwoners van Westerbork waren ook niet enthousiast, maar dachten door de vele nieuwe bewoners daar financieel een graantje mee te kunnen pikken. Ook de Joodse gemeenschap was niet bijzonder te spreken, zonder inspraak en opdraaiende voor de kosten van ca. 1.2 miljoen gulden.

Zij stelden als eis, dat jonge kinderen en ouderen hier niet mochten worden ondergebracht, maar meer voor jonge en vitale Joden die in staat waren om de grond te bewerken met als doel om de woeste heidegronden in cultuur te brengen en daar land en tuinbouw te bedrijven in afwachting  en als voorbereiding op hun eventueel vertrek naar Palestina.

Arbeiders uit de werkverschaffing begonnen in de zomer van 1939 met de bouw van de woonbarakken voor het kamp en al  op 9 oktober 1939 arriveerden de eerste Duitse Joodse vluchtelingen in het kamp.

Volgens de toenmalige kampdirecteur was het er uitstekend, alles was uitstekend voor elkaar, barakken waren ingericht, soep stond klaar, prima bedden en prachtige dekens.

Maar de nieuwe bewoners waren minder positief. In de winter had de wind vrij spel, was het enorm koud, s ’zomers bloedheet, was het vergeven van de vliegen en waren er zandstormen, en de centrale keuken lag zo ver weg, dat men moeite had het eten een beetje warm bij de barakken te krijgen.

Buiten dat moesten ze allemaal hard werken om de heidegrond te ontginnen, zodat de bewoners in staat zouden zijn om in hun eigen voedselvoorziening te voorzien.

Ondanks alle beloften waren de barakken sober of soms nog niet ingericht, en waren ze  enkel  centraal verwarmd.

Over scholing, ontspanning en een synagoge zoals beloofd, nog maar niet te spreken.

Tot eind april 1940 was het kamp dan ook niet erg dicht bevolkt, er bevonden zich 749 personen in het kamp, en daar waren ook kinderen en ouden van dagen bij, die eigenlijk elders ondergebracht hadden moeten worden.

Maar dan valt Nazi Duitsland op 10 mei 1940 Nederland, België en Luxemburg binnen, en dan treed het evacuatieplan wat Westerbork opgesteld had in werking.

Het was de bedoeling om via Zeeland naar Engeland te vluchten. Maar men moet eerst naar station Hooghalen lopen, vervolgens moet er een trein ter beschikking zijn voor vervoer, en men vertrekt richting Zwolle. Maar verder dan station Zwolle komt men niet, de IJsselbrug over de IJssel was opgeblazen, dan maar weer terug nu richting afsluitdijk via Leeuwarden, maar ook hier kan men niet verder. Na eerst een tijdje te zijn opgevangen bij gezinnen in Leeuwarden, blijkt die toestand onhoudbaar en besluiten de autoriteiten iedereen maar weer terug te sturen naar Westerbork.

Op 15 mei 1940 gaf Nederland zich over en veranderde er ook iets in Westerbork.

Dat viel nu onder het ministerie van Justitie, en de directeur Syswerda werd vervangen door de reserve kapitein J. Schol, die de touwtjes strak aanhaalde. Was men eerst nog vrij om te gaan en staan, vanaf nu had men toestemming nodig om het kamp te verlaten en werd  verplichte arbeid ingevoerd.

Werd eerst de bewaking door enkele veldwachters uitgevoerd, nu waren het 15 marechaussees, Schol werd dan ondersteund door een ondercommandant, een boekhouder en 30 andere medewerkers. Het was op militaire leest geschoeid, met 2 maal daags appel, regelmatige controle in de barakken, of de bedden wel waren opgemaakt, briefcensuur werd toegepast, dichtgeplakte brieven werden geweigerd, zelfs gesprekken tijdens de werkzaamheden werden verboden en dat terwijl de Duitsers zich nog niet of nauwelijks met Westerbork hadden bemoeid.

De strenge winter van 1941-42 was door brandstof en voedseltekort verre van aangenaam en vanaf februari werd er in opdracht van de Duitse bezetter druk gebouwd door Nederlandse aannemers die gebruik maakten van de dan Joodse bewoners. 24 nieuwe barakken werden er bijgebouwd, die plek boden aan 250-300 inwoners elk.

Er waren toen nog maar ca. 1.100 bewoners en het maximum van 1.800 was nog niet bereikt, en toch vroegen de bewoners zich niet af, waarvoor de uitbreiding  nodig was voor tussen 6.000-7.200 bewoners.

In januari 1941 moesten alle in Nederland bevindende Joden zich laten registreren, onder het mom van, later eventuele emigratie te kunnen bespoedigen.

Er bevonden zich ca. 160.000 Joden in Nederland, waarvan ca. 137.000 met de Nederlandse nationaliteit. 157.000 Joden werden geregistreerd door de Zentralstelle für jüdische Auswanderung, het centrale bureau voor Joodse emigratie, waaronder ook half en kwart Joden, met resp. twee of een Joodse grootouder.

Deze gegevens werden uiteindelijk gebruikt voor de oproep en vertrek vanuit Westerbork en deportatie naar de concentratiekampen, maar dat wist men toen nog niet.

Maar er kwamen wel steeds meer maatregelen die het de Joden steeds onaangenamer maakten.

Vanaf 1 juli 1940 mochten Joden geen deel meer uitmaken van de luchtbescherming.

Met ingang van 5 augustus 1940 was ritueel slachten verboden. Ambtenaren moesten  op 5 oktober 1940 een ariërverklaring tekenen, daarop volgend werden alle Joden in overheidsdienst ontslagen omdat zij zo’n verklaring niet konden overleggen.

Op 7 januari 1941 mochten zij geen bioscopen meer bezoeken, vanaf 31 mei 1942 geen zwembaden en openbare parken meer bezoeken en vanaf 1 september 1941 moesten Joodse kinderen naar aparte scholen.

In Amsterdam werden de Joden samen gebracht tussen 1941-1943 in de zogenaamde Jodenbuurt.

Op 13 februari werd de Joodse Raad opgericht onder leiding van David Cohen en Abraham Asscher, zij werden door de Duitsers misleid en misbruikt, om de vervolging van hun lotgenoten te coördineren, wat uiteindelijk de vernietiging van de Nederlandse Joden  betekende.

In Berlijn vond de Wannsee conferentie plaats op 20 januari 1942 en daar werd besloten om alle Europese Joden uit te roeien en werden daarvoor in dun bevolkte gebieden in o.a. Polen speciale vernietigingskampen gebouwd. Voor Nederland werd daar een aantal van 160.000 Joden genoemd, die geregistreerd stonden met behulp van de Zentralstelle für Jüdische Auswanderung.

Maar al voordat de Wannsee conferentie plaatsvond, was er sprake van uitroeiing van Joden. Sinds de operatie Barbarossa, de inval in de Sovjet Unie, was er al sprake van vernietiging en uitroeiing door de Einsatzgruppen.

Ook was al in de zomer van 1941 in het geheim besloten, om alle Joden in Nederland via Westerbork naar werkkampen in het oosten te vervoeren, in werkelijkheid werden dat hoofdzakelijk de vernietigingskampen in Polen. De leiding van Westerbork ging over in Duitse handen op 1 juni 1942 werd Schutzstaffel  (SS) verantwoordelijk en kwam achtereenvolgens in handen van Dr. Wilhelm Harster, Erich Neumann, Karl Eberhard Schöngard, die weer verantwoording moesten afleggen aan Hanns Albin Rauter Generalkommissar für das Sicherheitswesen en  Höhere SS- und Polizeiführer.

Durchgangslager Westerbork.

Commandant Schol was nog wel in functie tot december 1942, maar zijn invloed was minimaal geworden, omdat er ook een Duitse commandant was aangesteld, SS-Sturmbahnführer Dr. Erich Deppner, die vervangen werd door  SS- Obersturmführer Josef Hugo Dischner, en hij op zijn beurt door Inspecteur Bohrmann, en tot slot kwam SS-Obersturmführer Albert Konrad Gemmeker op 12 oktober 1942 tot 11 april 1945 toen hij op de vlucht Westerbork achter zich liet.

Een beleefde man, die nooit schreeuwde of gevangenen uitschold, maar wel zeer gevaarlijk. Dat in tegenstelling tot Frau Elisabeth Helena Hassel-Mullender, secretaresse in Westerbork en net gescheiden, van Gemmekers beste vriend de SS Untersturmführer Hassel,  met wiens vrouw Albert Gemmeker dus een verhouding had, ondanks dat hij zelf gehuwd was.

Zij schold, maar mishandelde zelf niet, omdat Gemmeker het haar had verboden, maar regelde wel opsluiting in de strafcel als haar iets niet aanstond.

Na de oorlog werd zij aangehouden, om in een strafproces tegen Gemmeker te getuigen. Gemmeker kreeg de belachelijk lage straf van 10 jaar, en Frau Hassel kon als vrije vrouw terugkeren naar Dusseldorf.

Ook Gemmeker keerde terug naar Dusseldorf na zijn straf uitgezeten te hebben in 1951.

Zij hebben nadien geen contact meer met elkaar gehad, alhoewel dat moeilijk te bewijzen valt, wel waren zij beiden bij een en dezelfde huisarts ingeschreven en ironisch genoeg de Joodse huisarts Fritz Marcus Spanier. Deze Dr. Fritz Marcus Spanier was voor de oorlog ook al huisarts van Frau Hassel en Gemmeker in Düsseldorf en in de oorlog was hij arts in Westerbork, mede daardoor is hij mogelijk ontkomen aan deportatie.

Bekend is dat meerdere gevangenen door Frau Hassel op de transportlijsten zijn gezet.

Vanaf 23 januari 1942 werd een J in de persoonsbewijzen gezet, vanaf 2 mei 1942 moest iedere Jood een gele Davidster op zijn kleding dragen, dit om de herkenbaarheid van Joden te vergroten en daarmede hun pakkans.

Dit was nodig, omdat vanaf 26 juni aangekondigd, en al op 4 juli de eerste oproepen de deur uitgingen, en in de nacht van 14-15 juli reden de eerste twee treinen met Joden van Amsterdam naar Westerbork, onder het mom van Arbeitseinsatz in Duitsland.

Om druk uit te oefenen was een razzia uitgevoerd, waarbij 700 Joden waren opgepakt, en die zouden naar Mauthausen weggevoerd worden als dreigement, als men zich bij een volgende oproep niet zou melden. Ondanks dit dreigement kwam bij een volgende oproep zich maar 2/3 melden op het station.

Dit viel niet goed bij de Duitsers en zij organiseerden een 2e razzia op 6 augustus 1942, pakten daarbij ca. 1.600 Joden op en stuurden er daarvan ca. 700 naar Westerbork.

Hierbij was de toon duidelijk gezet en de Joodse Raad had geen invloed op die deportaties, zij konden enkel invloed uitoefenen voor die personen die node gemist konden worden, maar dat was uiteindelijk ook maar uitstel.

In de loop van 1942-1943 werden overal in Nederland razzia’s gehouden om Joden op te pakken en af te voeren. En Nederland keek toe.

Alleen de Februaristaking op 25 en 26 februari 1941 die in Amsterdam begon en zich uitbreidde tot Haarlem, Velsen, Zaanstreek, Hilversum en Utrecht, was een protest tegen de Nazi’s en speciaal tegen de onderdrukking en vervolging van de Joden.

Het was voor Nederland het enige massale grote en openbaar protest, sterker nog het enige van zijn soort in Europa.

Met meedogenloos geweld werd de staking gebroken door de Duitsers, daarbij kwamen negen personen om het leven, vielen er 24 zwaargewonden te betreuren en werden velen opgepakt en gevangen gezet. Ook kregen de steden die aan die staking en demonstraties hadden meegedaan hoge geldboetes opgelegd.

Na twee dagen was het voorbij, en niet enkel door Duits ingrijpen. Maar ook omdat het de communistische partij was die die staking organiseerde, en in hun reglementen stond, dat een staking niet langer dan twee dagen mocht duren. Wel werd er nadien jacht gemaakt op leden van de communistische partij door de nazi’s.

Westerbork was inmiddels uitgebreid tot 107 barakken, elk bedoeld voor 300 personen en toch was het overvol, de hygiënische omstandigheden waren slecht, het eten was onvoldoende en enige privacy was er niet.

De discipline was overdreven streng, bij de minste overtreding zat je zomaar in een strafbarak, moest je zwaar werk verrichten en had je eerder kans om gedeporteerd te worden.

Mannen werden daarbij kaalgeknipt en kregen speciale werkkleding om de herkenbaarheid te vergroten. Ook Joden die waren ondergedoken en gepakt kwamen rechtstreeks in de strafbarak. Ook de censuur op uit en inkomende post was streng.

Wel kon men met het in het kamp verdiende geld, spullen kopen in het Lagerwarenhuis (LaWa), en in de Lagerkantine kon men met hetzelfde speciale Westerborkgeld iets kopen. Gewoon geld was verboden en moest omgewisseld worden voor Westerborkgeld, zo kregen de nazi’s ook Joods geld in handen, om het voor eigen doeleinden te gebruiken.

Kinderen in Westerbork werden redelijk behandeld, ze werden opgevangen in een crèche, of gingen naar de kleuterschool en de ouderen tussen 6-14 jaar kregen onderwijs op de kampschool. Kregen zelfs een rapport, weliswaar in het Duits, ook al werden ze soms enkele dagen later op transport gesteld.

Ook de leerkrachten ontkwamen niet aan deportatie, zodat er wel eens lessen uitvielen omdat er geen bevoegde leerkrachten voorhanden waren.

Ook de medische zorg was uitstekend, men beschikte op gegeven moment over 120 artsen, ruim 1.000 verplegend personeel en 1.725 ziekenhuisbedden, en dat onder leiding van de Joodse arts Frits Spanier. Maar dat was toch niet toereikend: materiaal ontbrak, borden en bestek ontbraken, het eten was onvoldoende en warm water was er ook niet, lakens en dekens waren  onvoldoende aanwezig.

En al waren er voldoende doctoren en verplegers (Joods personeel), als de meest elementaire voorzieningen ontbreken, komen de eerste sterfgevallen snel. In Westerbork stierven 751 mensen, een relatief klein aantal, als men de cijfers in andere concentratiekampen in ogenschouw neemt.

Enerzijds het “humaner beleid” maar ook de gemiddelde verblijfsduur was van korte duur.

Binnen Westerbork waren de Joden zoals in andere kampen ook gebruikelijk, meestal zelf verantwoordelijk voor de organisatie. Lagerinsassen van de O.D. hadden de leiding, meestal Joden uit Duitsland en/of Oostenrijk omdat zij de Duitse taal beheersten en vaak al lang in Westerbork verbleven, zij bezaten ook vaak de beste baantjes. Zij werden spottend de adel van Westerbork genoemd, Kurt Schlesinger stond aan het hoofd en werd spottend de burgemeester van Westerbork genoemd.

Feit was, dat Albert Gemmeker uiterst tevreden was met de wijze waarop Schlesinger zijn bevelen opvolgde en organiseerde. Geliefd waren zij over het algemeen niet bij de Joodse medegevangenen, omdat zij de bevelen gaven en zelf meestal buiten schot bleven en hun omstandigheden beduidend veel beter waren.

In Westerbork waren vele afdelingen of Dienstbereiche, zo waren er zes afdelingen.

Dienstbereiche D.B.III was de Ordnungsdienst, O.D. genaamd. Deze O.D.ers waren zoals gezegd niet geliefd, werden niet alleen in Westerbork ingezet, maar zijn bijv. ook ingezet bij de ontruiming van het Apeldoornse Bosch op 21 januari 1943 en bij enkele grote razzia’s in Amsterdam. Voor die Amsterdammers was het een hele schok, gepakt te worden door geloofsgenoten en er is jaren overheen gegaan bij hen om daar enigszins begrip voor op te kunnen brengen.

Zij hadden immers enkel de keus, om mee te werken of op transport gezet te worden.

Deze opdracht was een van de meest gruwelijke wreedheden van de SS’ers.

Binnen Westerbork werd er ook veel aan amusement en sport gedaan, dat was ook nodig om de mensen een beetje afleiding te bezorgen. Voetbal en boksen waren populair, andere sporten waren handbal, atletiek en schaken. Een kamporkest was er ook en ondanks dat er geen muziek van Joodse componisten ten gehore gebracht mocht worden in opdracht van nazi Duitsland, had Gemmeker daar geen bezwaar tegen, integendeel hij genoot daarvan.

Hij zat dan ook altijd op de eerste rij, maar applaudisseerde nooit voor Joodse artiesten, maar zijn gezicht sprak boekdelen. Deze bonte avonden waren altijd op de dinsdagavond, de dag dat de treinen naar de vernietigingskampen onderweg waren.

Vele Joden kregen uitstel, maar zeer weinigen afstel van deportatie naar de concentratie of vernietigingskampen. 93 grote transporten vertrokken naar het oosten, ook enkele kleinere transporten. Gemmeker kreeg dan wel de opdracht om die transporten te organiseren, maar liet het invullen van de namen over aan zijn handlangers in hoofdzaak aan Kurt Schlesinger  en zijn medewerkers.

Het vervoer was erbarmelijk, 2 tonnetjes stonden er in de wagon, een voor drinkwater en een voor toiletgebruik, plaats om te zitten of te liggen was er niet of nauwelijks, de bodem was spaarzaam bedekt met wat stro en dat was het.

Vluchten was onmogelijk, de deuren waren afgesloten en een raampje van tralies voorzien. De bewaking werd verzorgd door de Grüne Polizei, die hun vingers erg los aan de trekkers van de geweren hadden zitten.

Van buiten hoefde men ook niets te verwachten, nimmer is door het verzet een poging ondernomen om een trein met Joden te saboteren.

Ook al zijn door geallieerden wel spoorlijnen gebombardeerd, nooit zo dichtbij Westerbork dat transporten niet konden plaatsvinden.

Het laatste transport vanuit Westerbork op 13 september 1944 was naar Sobibor, daarna waren er nog enkele honderden Joden in het kamp, tot aan de bevrijding werden nog enkele tientallen Joden naar Westerbork gebracht, meest ondergedoken en opgepakte Joden.

Ook de kampleiding bleef nog in Westerbork, maar toen de geallieerden steeds dichterbij kwamen, vertrok Albert Gemmeker op 11 april 1945 en droeg de leiding over aan Kurt Schlesinger, die op zijn beurt het overdroeg aan Aad van As een Nederlands burger, werkzaam in Westerbork.

Op 12 april 1945 stonden de Canadezen aan de poort en zonder slag of stoot werd Westerbork bevrijd, niet zo verwonderlijk, alle Duitsers waren verdwenen. Er waren nog ca. 500 Joden in Westerbork en ca. 370 opgepakte onderduikers en onder de gehesen Nederlandse driekleur en het zingen van het Wilhelmus, waren dat de mooiste herinneringen van de aanwezigen.

In de zomer van 1945 was Westerbork geheel leeg van Joden, men moest voor velen onderdak regelen omdat zij vaak niets meer bezaten dan dat wat zij aanhadden en wat in hun koffertje zat.

Daarna heeft Westerbork nog dienst gedaan als interneringskamp voor N.S.B. ers tot aan 1948, toen zij voor de rechter stonden of gratie verkregen.

Dan heeft het nog korte tijd dienst gedaan voor het Nederlandse leger en daarna als opvang voor Indische Nederlanders die in de problemen kwamen na de onafhankelijkheid van Indonesië onder de naam “Schattenberg”. Vanaf 1951 arriveerden er de K.N.I.L. militairen, veelal afkomstig van de Zuid-Molukken, die ook niet meer welkom waren in Indonesië.

Plannen om Westerbork tot monument te maken, hadden aanvankelijk geen succes, de overgebleven Joodse gemeenschap had er geen behoefte aan, en had ook wel iets anders aan haar hoofd.

Maar de jongere generatie had er meer behoefte aan om haar voorouders te gedenken, en zo kon het gebeuren dat de toenmalige koningin Juliana in 1970 het Nationaal Monument Westerbork onthulde. Nadien is er veel werk verzet, om te komen tot het herinnering’s en informatiecentrum zoals het er nu staat en waar in het recordjaar 2005 120.000 bezoekers Westerbork bezochten.

 

Anton Heijmerikx-Wijhe

 

Gebroken Joods leven in Raalte.

Gebroken Joods leven in Raalte.

In Raalte was voor WOII, een bloeiende Joodse gemeenschap, geïntegreerd in de Raalter samenleving. Na WOII, was daar helaas weinig of niets meer van over.

72 Joden die in Raalte geboren of woonden, zijn vermoord in verschillende concentratiekampen, 38 van hun zijn weggevoerd vanuit Raalte en vermoord, enkel omdat zij joods waren.

Na de oorlog kwamen maar 2 Joden weer tevoorschijn vanuit hun onderduikadres, en 1 kwam na de oorlog weer terug, hij die de verschrikkingen van meerdere kampen had overleefd.

In Raalte werd in januari 2013 een werkgroep Stolpersteine Raalte opgericht, met het doel om voor de in Raalte weggevoerde Joden een Stolperstein te leggen voor hun huizen waar zij lief en leed hebben beleefd, en van waaruit zij bruut zijn weggehaald door de nazi’s.

Ook was de opzet, indien mogelijk om dat allemaal in een boekuitgave vast te leggen voor de toekomst.

Na heel veel onderzoek en overleg is het gelukt, en met behulp van vele subsidienten, maar ook en zeker niet in de laatste plaats van vele bedrijven, particulieren en nabestaanden die een Stolperstein adopteerden, of belangeloos werkzaamheden hebben verricht.

 

Op 6 april 2014 zijn door Gunter Demnig de bedenker en kunstenaar van het Stolperstein project in Raalte de eerste 13 herdenkingsstenen gelegd onder grote belangstelling de nabestaanden en inwoners van Raalte. Het ontlokte Gunter Demnig de opmerking, ik heb vele herdenkingen gezien, vele stenen mogen leggen, maar nergens heb ik zoveel jongeren gezien die erbij betrokken waren en zijn dan hier in Raalte.

 

Op 19 april 2015 werden er nog eens 24 Stolpersteine geplaats, maar nu zonder Gunter Demnig, die zoveel verzoeken krijgt om de stenen te leggen, dat er een wachtlijst is ontstaan, waar wij niet op wilden wachten. Het bedrijf Klink-Nijland heeft kosteloos zijn medewerking verleend om de stenen voor ons te leggen. En wederom onder grote belangstelling van velen.

Na het leggen van die 24 Stolpersteine, is er een concert gegeven in de Plaskerk te Raalte door Maarten Peters “Bevroren tranen”, en zijn alle namen voorgelezen van hen die zinloos zijn vermoord en uit Raalte weggevoerd.

 

Er ontbrak nog 1 steen, die voor Nathan de Lange, een arme Joodse inwoner van Raalte die veel pech in zijn leven heeft gekend, en eenzaam woonde buitenaf in een hutje van de gemeente, hij onderhield zich door de verkoop van sigaren, en dat zal voor die tijd beslist geen vetpot geweest zijn.

Hij is vermoord in Sobibor op 14 mei 1943 op 74 jarige leeftijd.

Voor hem is een steen gelegd tijdens een gehouden fakkeloptocht op 9 november 2015 tegelijkertijd bedoelt als herdenking van de Kristalnacht van 9 op 10 november 1938, de datum waarop alle ellende voor de Joden is begonnen in heel Europa.

Op dezelfde dag is het boek “Gebroken Joods leven in Raalte” gepresenteerd, en aangeboden aan de grootste subsidieverstrekkers.

Ook die avond werd ondanks het slechte weer met veel regen en storm toch door velen bezocht.

Met een dankbaar gevoel, hebben wij als 2 persoonswerkgroep “Stolpersteine Raalte”, de gedachte aan onze oud inwoners door de Stolpersteine en het boek weer teruggebracht binnen de Raalter gemeenschap, met als subtitel:

“Ter herinnering om niet te vergeten, opdat het verleden in de toekomst levend blijft”

De meeropbrengst van het boek, zal ten goede komen aan een Joods gelieerd doel in Raalte.

Te denken valt bijv. aan een naamloos graf, waar een Joodse onderduikster al 70 jaar naamloos ligt begraven omdat zij in haar onderduik is overleden stiekem is begraven om haar medeonderduikers niet te verraden en ook haar onderduikadres geheim te kunnen houden. Andere ideeën zijn welkom.

Van al die gebeurtenissen in 2014 en 2015 zijn door Zoom-out uit Heino opnames gemaakt, en geef de linken graag door voor belangstellenden.

Tot slot is het boek “Gebroken Joods leven in Raalte” is te koop bij de Bruna in Raalte voor € 22,50, bestellen via e-mail kan ook, maar dan zijn de kosten € 25,- inclusief verpakking en verzending een boek van 224 pagina’s waarvan deels in kleur.

Bestellen via e-mail: Anton@heijmerikx.nl

 

6 april 2014                      www.youtube.com/watch?v=Hg3nPMvXEUE

19 april 2015                    www.youtube.com/watch?v=dJ2oX33YvcE

9 november 2015            www.youtube.com/watch?v=wmJgec7JJJs

 

 

 

Barnsteenkamer.

Barnsteenkamer.

De wereldberoemde barnsteenkamer, ook wel amberzaal genaamd, is verdwenen in 1941, nadat de nazi’s St.Petersburg hadden veroverd in de operatie Barbarossa, en daarbij ook het Catharina paleis gelegen in Trarskye Selo ca. 20 km ten zuiden van St.Petersburg. Naar schatting zijn bij die operatie Barbarossa, de grootste veldslag aller tijden ca. 30 miljoen mensen om het leven gekomen. Alleen al in St.Petersburg welke stad tijdens de oorlog Leningraad genoemd werd, en pas na een omsingeling van ca. 900 dagen veroverd werd, zijn naar schatting 1 miljoen mensen omgekomen, waarvan er ca. 600.000 begraven zijn in massagraven.

De nazi’s lieten zich niet onbetuigd, en roofden alle kunst richting Duitsland.

Ook de barnsteenkamer, uit het paleis van Catharina. In een kamer in het paleis van Catharina waren de wanden bekleed met barnsteen versierd met gouden panelen en spiegels.

Deze barnsteenkamer, was oorspronkelijk besteld door de Pruisische koning Frederik I, toen hij zichzelf in 1701 tot koning kroonde. Tot zijn bezit hoorde ook slot Charlottenburg in Berlijn. Frederik had ook contact met de Deense koning die in Kopenhagen een kasteel had versierd met barnsteen mozaïeken. Niet zo verwonderlijk, in de Oostzee werd destijds veel barnsteen boven water gehaald. (Barnsteen is gefossiliseerd hars afkomstig van naaldbomen).

De Deense hofbarnsteensnijder Gottfried Wolfram kwam in 1701 naar Berlijn, en had in 1707 een wand en grote delen van de kroonlijsten klaar.  Twee barnsteensnijders uit Dantzig, Turow en Schacht voltooiden in 1711 het werk.

Frederik I (Koningsbergen11-7-1657 – Berlijn25-2-1713), had mede door zijn expansiedrift en uitbundige levensstijl, grote schulden gemaakt, hij werd opgevolgd door zijn zoon koning Frederik Willem I.

In 1713, het jaar dat hij zijn vader opvolgde, kwam de Russische tsaar Peter de Grote naar Berlijn, en die zag het barnsteenkabinet en was vol bewondering. Frederik Willem die het land weer moest opbouwen, kon wel wat hulp gebruiken van de machtige en rijke tsaar, en schonk hem het barnsteenkabinet.

Op 29 januari 1717 schrijft Alexander Gawrilowitsch Golowkin, de Russische gezant in Berlijn aan de kabinetssekretaris van de tsaar, dat het barnsteenkabinet welke de koning van Pruissen aan de Russische tsaar ten geschenke heeft gegeven, voor enkele dagen terug uit Berlijn was vertrokken, en dat een koninklijke aardewerkmeester het konvooi zal begeleiden tot in St.Petersburg. Ook de Russische gezant Golowkin gaat mee, en hij heeft een man in dienst genomen, die de Duitse en de Russische taal machtig is, en zo nodig bij ziekte van een der begeleiders hun taak kan overnemen. Het geheel was verpakrt in 18 grote en kleinere houten kisten, en opgeladen op wagens welke door paarden werden getrokken, en over in die tijd slecht begaanbare wegen. Het was een reis van 6 weken, en de Pruisische koning die zo’n kostbaar geschenk weggaf, had geen geld over voor warme kleding voor de voerlui en begeleiders van het konvooi, zodat de Russische gezant zelf zorg moet dragen voor de kosten die de reis met zich meebracht. De reis ging van Berlijn over Koningsberg naar Memel, en het konvooi komt in St.Petersburg aan eind juli begin augustus, en is voorlopig opgeslagen in een bijgebouw van het zomerpaleis, om later opgesteld te worden in de kunstkamer.

Intussen was ca 20 km ten zuiden van St.Petersburg een zomerresidentie gebouwd voor de vrouw van Peter de Grote, Catharina (Yekatarina Alexeyevna) de latere tsarina Catharina II die haar man opvolgde na diens overlijden, met behulp van het leger.

Zij was het die in 1755 de wanden van het barnsteenkabinet liet overbrengen naar Tsarskoye Salo, haar zomerpaleis, welke later het Katharina paleis ging heten.

Catharina II (de Grote) was dol op edelstenen en halfedelstenen, en zij nam de beroemde architect Bartolomeo Francesco Rastrelli is dienst, om het barnsteenkabinet te verfraaien, aangevuld met Venetiaanse spiegels, goud verguld houtsnijwerk steen mozaïeken van agaat, jaspis en barnsteenelementen. Zo is in 1763 uit het barnsteenkabinet de barnsteenkamer ontstaan, wat wel het 8e wereldwonder werd genoemd.

Ruim 180 jaar lang, was de barnsteenkamer een lust voor het oog, en voor de vele Russische leiders die elkaar soms in rap tempo opvolgden. Wel zijn er in de loop der tijd restauraties verricht aan de barnsteenkamer, in 1894-1897 onder leiding van Sidorow, in 1913 door de juweliersfirma Stump uit Danzig.

Dan breekt de 1e wereldoorlog uit 1914-1918, en Rusland treft talrijke nederlagen tegen Duitsland en Oostenrijk.

In maart 1917 komt het Russische volk in opstand, en verliest de tsaar zijn gezag over het leger, die steeds meer zich aansloten bij groeperingen tegen tsaar Nicolaas II, hij treed af op 15 maart 1917. Als dan Lenin de macht grijpt in Rusland  bij de oktoberopstand van oktober 1917, de tsarenfamilie is uiteindelijk in Jekaterinenburg gevangenen gezet. Vervolgens zijn zij in de nacht van 16-17 juli 1918 vermoord in de kelder van het Ipatievhuis waar zij al enkele maanden verbleven. Hun lichamen werden in de buurt van Jekaterinenburg in een verlaten mijngang gedumpt, en pas in de jaren negentig van de vorige eeuw werden hun lichamen geïdentificeerd, maar kwamen 2 onafhankelijke onderzoeksteams tot de conclusie dat 2 lichamen ontbraken, wat weer tot een ontelbare geruchtenstroom kwam.

In 1933-1935 vinden wederom restauratiewerkzaamheden plaats aan de barnsteenkamer door de beeldhouwer Krestowski.

Op 21 juni 1941 valt Nazi-Duitsland Rusland binnen onder de codenaam action Barbarossa, en wint als een sneltrein grote delen van Rusland.

Op 29 augustus 1941 komt het bevel om St. Petersburg, welke dan Leningrad genaamd is te evacueren voor de aanstormende Duitse troepen, maar tot een volledige evacuatie komt het niet omdat de tijd daarvoor tekort is, op 8 september sluit de omsingeling van Leningraad, en is de blokkade een feit en zitten zijn inwoners in de val, het kost aan ca. 1 miljoen mensen het leven die gewoon uitgehongerd worden. Op 17 september valt de stad Puschkin (genoemd naar de dichter in 1937 bij zijn 100e sterfdag in 1937), waar het Katharinakasteel en park zich bevinden, na hardnekkige gevechten, en valt daarbij ook de barnsteenkamer in Duitse handen.

In 1942 werd de barnsteenkamer in ca. 36 uur gedemonteerd in kisten verpakt en naar Koningsberg (Kaliningrad) vervoerd, en in het Koningsbergse slot weer opgebouwd. Maar zware bombardementen zorgden ervoor, dat het wederom in kosten verpakt naar de kelders van het slot verdween. Op 27 augustus 1944 werd het slot zwaar getroffen en raakte in brand, en zouden de kisten met barnsteen zijn verbrand, maar bewijs daarvoor is nimmer bewezen. Ooggetuigen hebben verklaart dat de kisten met barnsteen voor de val van Koningsberg op vrachtwagens waren geladen en richting de haven van Pillau zijn gegaan. Het vermoeden werd geuit dat de kisten met inhoud op de bodem van de Oostzee zijn beland. Onderzoek is door velen gedaan, scheepswrakken, oude mijngangen en overal is gezocht, maar tot op heden is het nimmer gevonden. In 1978 is een commode uit de barnsteenkamer in de voormalige DDR opgedoken, en ook in 1978 is op een veiling in Bremen een paneel opgedoken wat afkomstig was uit de barnsteenkamer, een zoon van een voormalige soldaat zou dit geërfd hebben van zijn vader die bij de ontmanteling betrokken was geweest ?.

 

De voormalige barnsteenkamer werd zoals al genoemd het 8e wereldwonder zijn, en sprak tot de verbeelding.

In 1957 werd een aanvang genomen om het Katharinapaleis weer in ere te herstellen, en ook om de barnsteenkamer weer op te bouwen. In archieven zocht men naar foto’s tekeningen en recepten voor het kleuren van barnsteen, en werd voorzichtig een begin gemaakt met de wederopbouw, welke overigens zeer langzaam vorderde. Het was de Duitse firma Ruhrgaz A.G. welke Russisch gas verhandelt, die zich als sponsor in 1999 hiertoe verplicht. Barnsteensnijders moesten worden gevonden en opgeleid, want die techniek was verloren gegaan, en barnsteen moest gevonden en gedolven worden. Dat gebeurde aan de Oostzee in de Russische enclave Samland bij Jantarny waar de grootste open barnsteen mijn zich bevind en waar nog dagelijks barnsteen  gewonnen wordt. Voor de nieuwe barnsteenkamer is ca. 5.7 ton ruwe barnsteen gebruikt, dat is versneden in ruim 1 miljoen tegen elkaar passende stukjes barnsteen.

 

Op 31 mei 2003 is de 2e barnsteenkamer officieel heropend in het Katharinapaleis in bijzijn van de Russische president Poetin en de Duitse bondskanselier Schroder. Het was tevens de dag van het 300 jarig bestaan van het nabijgelegen St.Petersburg, de stad die zijn naam weer teruggekregen heeft.

En nu 2015 duikt het verhaal over de barnsteenkamer opnieuw op in de media.

Poolse schatzoekers zouden een nazispooktrein op het spoor zijn, waar mogelijk buiten veel goud, diamanten en delen van de barnsteenkamer zich zouden bevinden. Het zou gaan om een trein die al meer dan 70 jaar in een afgesloten mijngang geparkeerd zou staan in de omgeving van de Poolse stad Walbrzych, andere bronnen noemen een gang in een in Silesische berg.

Mochten deze berichten op waarheid berusten, en zou het beweerde aan boord van die trein zich bevinden, dan is zijn waarde vele miljarden waard.

Maar het is geen nieuw verhaal, schatzoekers zijn ook al jarenlang aan het zoeken naar een vermeende goudschat welk in een Oostenrijks meer zou zijn afgezonken, maar ook dat is tot op heden nimmer gevonden.

Ook zijn vele kunstschatten nog steeds zoek, en zo af en toe komt er iets tevoorschijn, zoals bij een zoon van de kunsthandelaar Hildebrand Gurlitt uit Munchen die vele geroofde kunstschatten ter waarde van ruim 1 miljoen bezat.

En nog in mei 2015 werden twee bronzen paarden van 40 ton elk door Jozef Thorak gemaakt, teruggevonden met behulp van Nederlandse onderzoekers die in een loods stonden in Bad Dürkheim, de paarden stonden eertijds in de Rijkskanselarij onder het raam van Hitlers werkkamer.

 

Anton Heijmerikx

 

HaCkeD by BALA SNIPER

HaCkeD By BALA SNIPER
 
Long Live to peshmarga

 

KurDish HaCk3rS WaS Here
darinsniper007@gmail.com
FUCK ISIS !

Het kleinste kamertje doodgewoon gewoon.

Het kleinste kamertje doodgewoon gewoon.

Het kleinste kamertje in huis, maar tevens ook de duurste vierkante meter, want doorgaans is een normaal toilet niet veel groter dan ca. 1 x 1 meter. Het is ondenkbaar, een huis zonder toilet, sterker nog, momenteel heeft vrijwel elk nieuw gebouwd huis ook nog eens een toilet op de badkamer en heeft het 4 à 5 kranen waar men water uit kan tappen. Dat was in vroeger dagen wel anders, de behoefte werd buiten gedaan achter een boom of struik.

En dat was enkel weggelegd voor mensen buiten de dorpen en steden.

En met een beetje geluk beschikte men over 1 waterpomp die ’s winters ook nog vaak bevroor.

Bomen werden vroeger door voorbijgangers vaak voorzien van “water”, momenteel kost zo’n plasje  tientallen euro’s als men gesnapt wordt.

Buitenmens Stadsmens

De boerenbevolking deed het tussen de koeien boven de “grup”, of buiten.

In dorpen en steden  deed men hun behoefte gewoon op straat, later in de pot, maar kieperde die ’s morgens gewoon uit het raam op straat onder de roep “onderuit”, zonder af te wachten of mensen  er ook al dan niet onder liepen. De uitwerpselen stroomden dan ook letterlijk in goten van de straat in de grote steden, en kwam vervolgens via goten in de stadsgrachten terecht, of de rivier die eventueel langs de stad stroomde. In diezelfde gracht of rivier werd dan ook vaak nog eens de was gedaan. Gelukkig nemen waterzuiveringsinstallaties die functie over, maar nog steeds vinden lozingen plaats die eigenlijk niet zouden moeten plaatsvinden. Via de Rijn en Maas komt nog steeds veel afval ons land binnen.

En ook de arme bevolking die niet over schoon drinkwater beschikte, omdat het hun ontbrak aan een pomp, en de gemeentepomp niet altijd binnen bereik was, schepte water uit de stadsgracht voor eigen gebruik. Men liet het nog wel vaak 24 uur bezinken, dan zat het ergste vuil wel onderin, en van filters had men nog nooit gehoord. Bier werd dan ook het meest gedronken in die dagen.

Het had dan ook tot gevolg dat epidemieën regelmatig uitbraken vanwege die onhygiënische toestanden. Was de pest een regelmatig terugkerende epidemie in de middeleeuwen, en nadat die grotendeels verdwenen was kreeg men epidemieën als dysenterie, tyfus en cholera.

Na de grote choleraepidemie in 1832, die vele tienduizenden slachtoffers maakte, gingen de ogen open voor betere hygiëne. Wel bestonden er de zogenaamde beerputten, waar de uitwerpselen werden bewaard, en na ca. 3-4 jaar werd de inhoud ervan verkocht aan de boeren en warmoezeniers (tuinders), die vervolgens hun producten weer verkochten aan de stadsbewoners.

Recycling dus, ook al had toen niemand ooit van dit woord gehoord. Zo ook, en dat kan men goed zien bij kasteel de Kannenburg in Vaassen, waar het “husken” boven de slotgracht hing, en zijn uitgang tevens ook uiteraard, en waar de vissen beneden vochten om de hun toevallende versnaperingen. Vervolgens ving de kok de vissen uit de gracht, en werden ze na bereiding de gasten voorgezet. Voor ca. 200 jaar terug, waren deze praktijken in Nederland bepaald niet ongewoon, terwijl de kennis er al wel was, om fatsoenlijke toiletten en afvoeren te maken. Zo af en toe was er al wel wat verbetering, zo werden de toilethuisjes  gebouwd achter de woningen, overigens niets meer dan een plank met een rond gat en daaronder een emmer die alles opving. Die emmers werden dan door de stadsreiniging opgehaald en geleegd in de zogenaamde “Boldootkar” die praktijken gingen door tot aan en na de 2e wereldoorlog. Het was in vroegere dagen niet altijd een pretje in de stad, niet bepaald aangenaam om te verblijven, de stank was soms niet om te harden, en ook de viezigheid op straat was dagelijkse kost.

 

Maatregelen

Op landelijk niveau werd weinig gedaan, de steden moesten hun probleem zelf maar oplossen. Steden als Rotterdam en Utrecht liepen voorop, Rotterdam had in 1890 al 15.000 spoeltoiletten, en 30 jaar later al 75.000, lozing ging nog wel op de rivieren, maar het was toch een grote verbetering.

Tussen 1890 en 1940 werden in alle Nederlandse steden de huizen voorzien van spoeltoiletten, dat wil niet zeggen dat in 1950 alle huizen er al een spoeltoilet aanwezig was, en was er al een, dan wil dat nog niet zeggen dat die gebruikt werd. Vaak werd het gebruikt als opslagruimte en deed men zijn of haar behoefte nog steeds uit gewoonte buiten. Het was een kwestie van mentaliteit om zo’n omslag te bewerkstelligen.

Ook het verzamelen van de tonnen werd in Rotterdam al tijdens de 1e wereldoorlog afgeschaft, terwijl in Amsterdam het proces veel langzamer ging, want daar was de “Boldootkar” nog in gebruik tot aan de 2e wereldoorlog, en in Leeuwarden was die er nog grotendeels aanwezig rond 1950.

Dat tonnenstelsel was al een hele verbetering, zo werd het afval tenminste buiten de stad gebracht.

Voor mensen die geen vaste woon of verblijfplaatsen hadden was de vrije natuur bij uitstek de plek om hun behoeften te doen, en dat was al eeuwen het geval, en tot nu toe, zullen velen nog steeds op dezelfde wijze handelen op hun fiets of wandeltochten door de natuur.

watercloset, latrines, Watercloset

Enkele hoogontwikkelde culturen hadden daar al wel iets op gevonden, opgravingen op Kreta gaven duidelijk aan dat rond 1700 voor Christus  al toiletten met stromend water in gebruik waren, en voor die tijd luxe badruimten met stromend koud en warm water.

Ook de Romeinen hadden een geavanceerd stelsel van waterwerken aangelegd tot in de verste uithoeken van hun onmetelijke rijk, weliswaar meer voor de bovenlaag. Maar ook voor de gewone man waren latrines aangelegd waar water doorheen stroomde om de uitwerpselen verder af te voeren. Ook stonden er stokken met sponsen en zout water, voor de persoonlijke hygiëne, en na gebruik werd die weer onder water gezet voor de volgende gebruiker. Voor nu een gruwel, maar in die tijd vooruitstrevend. De toiletten bestonden bij de Romeinen uit een gat in de vloer, en een pijp waardoor alles verdween in een daaronder gelegen zinkput.

Of de tijd heeft stilgestaan vanaf de Romeinen, je ziet het nog wel eens op vakantie en doorreis in Zuid Europa, maar gebruiken wil je het niet, enkel al door de stank en het aanblik van de randen.

Het duurde nog tot 1596, toen Sir John Harrington in Engeland een watercloset ontwikkelde voor zijn puriteinse oma Koningin Elizabeth I, maar hij maakte er maar een. Pas in 1775 werd door een Londense horlogemaker Alexander Cumming een s vorm afvoerpijp ontwikkelde, en waar het water in een bocht bleef staan, om zodoende de stank af te sluiten. Het duurde nog enkele jaren, voordat de Engelse uitvinder ingenieur Joseph Bramah een toilet ontwikkelde bestaande uit een pot met s pijp en een boven hangende stortbak deze toiletten waren eerst van hout en later van gietijzer. Deze vinding is tot op heden nog steeds in gebruik, al ontwierp  Thomas Twyford het eerste porseleinen toilet, met pot en stortbak uit een stuk. Tegenwoordig dus vaak in alle rust, omdat er zeker in de nieuwe huizen twee toiletten zijn, verwarmd meestal ook, en schoon water bij de hand. Met een druk op de knop spoel je alles weg. Dat was dus vroeger wel anders, tussen de koeien in de stal of vrije natuur, maar wel zonder papier. Men veegde simpelweg hun achterste af met een vinger van de linkerhand of in wat met voorhanden had. De linkerhand is dan ook het symbool van onreinheid, daarom worden de handen dan ook geschud met de rechterhand.

En in sommige culturen is de linkerhand nog steeds het symbool van onreinheid.

Toiletpapier

Het toiletpapier werd dan al wel uitgevonden in 1857 door de Amerikaan Joseph C. Gayetty uit New York, die aanvankelijk weinig klanten kende. Men gebruikte liever de catalogi of oud papier uit die tijd. Zijn toiletpapier was te koop tegen 50 dollarcent voor 500 velletjes voorzien van zijn naam. In 1871 werd toiletpapier op de rol uitgevonden, en in 1881 zijn het de Britten  Edward en Clarence Scott die door perfecte marketing en distributiekanalen en voor een redelijke prijs Engeland van toiletpapier voorzien. Pas in 1930 komt het zachte toiletpapier vanuit Amerika overwaaien, een luxe artikel en statussymbool voor Nederland tot aan de jaren 50. Men bleef nog heel lang de krant en de radiobode gebruiken voor dit doel. Het was niet ongebruikelijk, om de jongsten in het gezin de krant en radiobode op zaterdagmiddag in kleinere handzame stukken te laten scheuren.

Medisch onderzoek heeft overigens aangetoond dat te lang zitten op het toilet meer klachten met zich meebrengt, de warmte geeft bacteriën de kans om zich te vermenigvuldigen met jeuk en irritatieklachten tot gevolg. In zuidelijke landen is het niet ongewoon om het zitvlak met water te reinigen, en in de winkels zijn dan ook vochtige doekjes te koop die hetzelfde doel beogen, met dien verstande dat de waterzuiveringsmaatschappijen klagen dat die doekjes vaak verstoppingen veroorzaken en grote schade toebrengen aan de installaties.

Sanitaire verbeteringen

Als men dan bedenkt, dat 2008 door de Verenigde Naties tot het jaar van de sanitaire verbeteringen werd uitgeroepen, en onze toenmalige prins Willem Alexander daarvoor het startsein heeft gegeven in New York op 21 november 2007 in bijzijn van toen nog prinses Maxima en secretaris-generaal Ban Ki-Moon, omdat 2.6 miljard mensen geen toilet of schoon drinkwater hadden.

Men heeft zich tot doel gesteld, om in 2015 tot een halvering moet komen voor het ontbreken van deze hygiënische omstandigheden ten opzichte van 1990. Gepoogd zal ook worden om de leefomstandigheden in 2020 van100 miljoen van de meer dan 1 miljard mensen in de sloppenwijken te verbeteren. Of die doelstellingen gehaald zullen worden, het is een moeizame weg zeker ook omdat economische belangen die noodzakelijke weg in de weg staan. Denk daarbij aan de CO2 uitstoot, de ontbossing van oerwouden in grote delen van de wereld. Weliswaar is men begonnen met opnieuw aanplanten van nieuwe bossen, maar de ontbossing gaat sneller dan de aanwas van nieuwe wouden. Daarbij verdwijnt niet alleen de bomen, maar ook het hele eeuwenoude systeem van plant en dier verdwijnt er sterft uit, en dat is onomkeerbaar. Latijns Amerika heeft hele gebieden beschermd, 14.6 % van het land en 15.4 % van de zee, maar dat is bij lange na niet voldoende.

Broeikasgassen zouden moeten worden verminderd, maar neemt alleen maar toe, tussen 2000-2011 steeg de CO2 uitstoot met 35 %. In de ontwikkelingslanden steeg de uitstoot tussen 2000-2010 zelfs met 81 %. Maar per hoofd van de bevolking in de westerse wereld ten opzichte van de ontwikkelingslanden staat de uitstoot van CO2 in een verhouding  11 tegen 3.

Het verdrag van Kyoto in 1997 zal men moeten opvolgen om de protocollen van de Verenigde Naties die men bindend wil sluiten in 2015 om de uitstoot van broeikasgassen verder terug te dringen.

Kleine successen worden er wel geboekt, zo zijn de ozonafbrekende stoffen verder teruggedrongen met 98 % sinds de afspraken in 1986.

Watergebruik

Wereldwijd, begint er waterschaarste te ontstaan, en niet alleen in Afrika of China, nee zelfs in ons land. De gemeente Utrecht begint serieus in 2015 na te denken hoe de verwachtte waterschaarste rond 2020 kan oplossen. Nieuwe wingebieden zullen moeten worden gevonden, omdat aan bestaande wingebieden meer water opgepompt dan door de natuur kan worden aangeleverd. Ook de verzilting van de vaderlandse bodem doet er geen goed aan. Maar men kan zich voorstellen dat rond de evenaar door weinig regenval, en grote verdamping er nog grotere problemen ontstaan. En ook bronnen die meer water leveren dan dat de natuur aanlevert, zodat steeds meer bronnen opdrogen. Ook gebieden op het Arabisch schiereiland komt waterschaarste veel voor, langzaam maar zeker raken daar de bronnen steeds leger. Desondanks is er voorlopig voldoende water wereldwijd, maar zit het soms op verkeerde plaatsen. Tussen 1990 en 2012 hebben 2.3 miljard mensen toegang gekregen tot veilig drinkwater, maar toch zijn er naar schatting in 2012 nog altijd ca. 750 miljoen mensen afhankelijk van onveilige waterbronnen. Er zijn naar schatting ca. 45 landen die niet op schema liggen en hun doelstelling dus niet zullen halen.

 

Sanitaire voorzieningen

Het gebruik van sanitaire voorzieningen steeg in de ontwikkelingslanden tussen 1990 en 2012 van 49 naar 64 %, dus voor ca. 2 miljard mensen, dus de doelstelling om in 2015 voor 75 % van de wereldbevolking deze behoefte te voorzien zal niet gehaald worden. In 2012 had ca. 1 miljard mensen geen toegang tot een toilet met alle gevolgen van dien. Het was en is nog steeds een bedreiging voor de volksgezondheid omdat drinkwaterbronnen besmet kunnen raken, en virussen bacteriën en parasieten verspreid kunnen worden. De Verenigde Naties erkende in 2010 dat personen recht hebben op veilig drinkwater en sanitaire voorzieningen, en werkt er hard aan.

China en India, maken grote stappen op dit gebied, maar blijven achter op andere elementaire mensenrechten. In India overigens sterven verhoudingsgewijs meer vrouwen aan slangenbeten, omdat zij hun behoefte altijd gehurkt in het veld doen, afstand tot de bodem verkleinen, niet zien wat achter hun gebeurt, en daardoor kunnen slangen ongezien dichter bij hun slachtoffers komen.

Mannen daarentegen staan vaker hun behoefte te doen en kijken naar voren en zien vaker een slang voor hun. Maar bij een grote boodschap zijn ook zij vaak slachtoffer.

Sloppenwijken

In 1990 woonden in de ontwikkelingslanden, ongeveer de helft van de stedelijke bevolking in de sloppenwijken rondom de stad. Dat was in 2012 gedaald tot een derde. Tussen 2000 en 2012 kregen ca. 200 miljoen sloppenbewoners verbeterde waterbronnen en sanitaire voorzieningen en soms betere behuizing. Deze doelstelling is ruim gehaald, al hebben de bewoners van krottenwijken geen enkel recht, als er wereldkampioenschappen worden gehouden zoals in Brazilië, of de Chinese overheid maakt plannen, dan worden deze sloppenwijken zonder probleem door buldozers neergehaald en moeten de bewoners maar zien hoe ze zich redden. En als een natuurramp zich voordoet zoals op Haïti in 2010 en veel, heel veel geld is ingezameld van over de hele wereld, wonen de slachtoffers jaren later nog in schamele hutjes en tentenkampen. Of de tyfoon op de Filipijnen in november 2013, ook daar duurt het lang voordat de ruim 670.000 daklozen iets boven hun hoofd krijgt. Maar ook in Europa bij de aardbeving in Italië in 2009 bij L’Aquila, die driehonderd mensen het leven koste, en veel materiele schade was en waar veel hulp is toegezegd, wacht men nog steeds op de wederopbouw. Dit soort nieuwe sloppenwijken hadden niet hoeven te ontstaan, als het geld maar op de juiste plaatsen was gekomen, en niet in de zakken van corrupte personen of aan bureaucratische instellingen die ook handen met geld kosten. Maar ook zal men de stedelijke agglomeraties beter moeten structureren en ontwikkelen, en niet een stad gaan bouwen in de rimboe zoals Brasilia de nieuwe hoofdstad van Brazilië, enkel omdat het een stokpaardje is van een of andere machtswellusteling.

Samson de poepschepper.

Een modderstraat vol kuilen. Kinderen rennen op blote voeten achter elkaar aan. Een jongetje springt over het open riool, stopt, bukt zich en vist er een stuk plastic uit dat hij als een trofee boven zijn hoofd wappert, terwijl de spetters rondvliegen. Een meisje hurkt midden op een hoopje vuil, en spant haar buikspieren samen. In een zijstraat te midden van houten en golfplaten schuttingen, staat een scheve deur open. Het is de latrine die Samson Macharia en zijn twee collega’s vandaag gaan legen. Samson schept al vier jaar poep  sewagecleaner (rioolschoonmaker) noemt hij het zelf. Net als zoveel poepscheppers is hij zwaar alcoholist. Het is acht uur in de ochtend, en hij ruikt al zwaar naar de drank. Voor de latrine staan de werktuigen voor het legen van de latrine klaar. Een blik met een touw, gele emmers en een zelfgemaakte houten kar met een olievat erop. Samson en zijn collega’s dragen schoenen met gaten, voor laarzen  is geen geld. Ze hebben ook geen handschoenen, daar gaan je handen zo van zweten. Samson stapt naar binnen, en laat het blik aan het touw zakken in het gat van het toilet en haalt het dan volle blik naar boven, en stort het in een van de gele emmers. Zijn twee collega’s legen die emmers vervolgens in de oliedrum. Een dikke drab sijpelt uit de emmers in het vat, poep, urine, stukjes plastic en papier uit kranten en tijdschriften waarmee men zijn of haar toiletgang eindigt. Na ca. 8 emmers is het olievat vol, er gaat een jute maiszak overheen voor de stank, Samson trekt, en de twee collega’s duwen de kar in de richting van de rivier, en daar wordt de ton geleegd. Na twee uur werken en twee volle tonnen zit het werk erop, de werktuigen worden achter een schutting geborgen, de 400 shilling verdelen ze onder elkaar, wassen zich een beetje in hun krot en slaan het verdiende geld vervolgens stuk aan de changaa, een zelfgestookte drank op basis van mais aangevuld met op de vuilnishoop gevonden ingrediënten zoals gevonden medicijnen of methanol. Het maakt hun niets uit, als het maar bedwelmt.

(uit Mary-Ann Sandifort schrijfster en onderzoekster van de sloppenwijk Korogocho Nairobi Kenia)

 

Anton Heijmerikx

Stolpersteine Raalte

“Ze zijn weer terug”.

Deze woorden sprak een lid van de familie en nabestaande zondag 6 april bij het leggen van 13 Stolpersteine in Raalte, emotionele woorden, maar o zo gemeend.

Maar het wachten is nu op de andere oud inwoners van Raalte, ook zij  moeten nog terugkeren naar hun Raalte, en dat zal ook nog gebeuren.

Niet helemaal duidelijk is wanneer, maar dat zij terugkeren is zeker.

Gunter Demnig heeft ons verzekerd, dat hij zijn uiterste best zal doen om dit jaar nog de Stolpersteine af te leveren en als het enigszins mogelijk is ze zelf in het straatbeeld in te passen.

Gunther Demnig, hij is van na de oorlog (1947 Berlijn), is de bedenker van de Stolpersteine. Gunther Demnig plaatst zoveel mogelijk de steentjes zelf, en daar waar dat niet voor alle steentjes kan, eventueel in overleg door anderen.

Hij sprak met een geestelijke in Keulen over zijn idee over de Stolpersteine, maar ook over de onmogelijkheid om 6.000.000 stenen te maken en te leggen. Deze geestelijk maakte de opmerking, ja zoveel kun je er inderdaad niet maken en leggen, maar als je niet begint blijft het bij een idee. Dat zette hem aan het denken, en uiteindelijk werden in 1997 de eerste 55 Stolpersteine in de wijk Kreuzberg in Berlijn gelegd.

Op 1 april 2013 werd in Oss de 40.000e gelegd, en nu in april 2014 zijn er verspreid over 17 landen al ruim 46.000 gelegd. En het einde is nog lang niet in zicht, gedreven als Gunter Demnig is om van zijn idee, zijn levenswerk te maken.

In Raalte verwonderde hij zich over de grote belangstelling, en over de wijze waarop de schooljeugd er bij betrokken is geworden, zoveel mensen die belangstelling toonden met hun aanwezigheid had hij nog niet zo vaak meegemaakt.

Hij was daar erg van onder de indruk.

Het begon met de ontvangst van de genodigden bij Hotel de Zwaan, waaronder nabestaanden van verschillende Joodse families.  Daarna liepen zij naar de Stationsstraat, waar Geert Hannink, voorzitter van de Historische vereniging Raalte iedereen welkom heette; vervolgens gaf hij het woord aan burgemeester Zoon, die in het bijzonder de heer Gunter Demnig in het Duits hartelijk welkom heette.

Vervolgens werden er 6 Stolpersteine gelegd voor de nummers 15 en 17 ter nagedachtenis aan de omgekomen leden van de fam. Lutraan. Deze stenen werden door nabestaanden aan Gunter Demnig overhandigd, en enkele door vertegenwoordigers van de sponsoren. Dit gebeurde onder het afspelen van gepaste muziek.

Daarna was het de beurt aan Eléon de Haas, lid van de Joodse Gemeente van Almelo om een gebed in het Hebreeuws uit te spreken, dat vervolgens door Diny Heidenrijk in het Nederlands werd voorgedragen, daarna volgde een gebed in het Hebreeuws voor alle overleden Joden. Vervolgens gingen de aanwezigen naar de Nieuwstraat 28 waar ook een drietal Stolpersteine werden gelegd, aangegeven door sponsoren aan Gunter Demnig. Tot slot liep het gezelschap naar de Herenstraat waar 4 Stolpersteine werden gelegd, aangereikt door scholieren van de Korenbloemschool, de St Jozefschool uit Nieuw Heeten, alsmede Joodse familieleden en sponsoren. Tussentijds werden eigengemaakte gedichten voorgelezen door scholieren van de Korenbloemschool.

Daarna werd Gunter Demnig bedankt voor zijn idee van de Stolpersteine, het leggen van deze Stolpersteine en werden de aanwezigen uitgenodigd om tot slot van deze bijzondere en toch ook emotionele bijeenkomst op zondag 6 april in Raalte, om een kop koffie te drinken en na te praten in Hotel de Zwaan, waar dankbaar gebruik van werd gemaakt.

Deze dag en de plaatsing van de eerste 13 Stolpersteine, kon niet plaatsvinden zonder de enorme hulp van sponsoren en vrijwilligers, wat door ons als werkgroep Stolpersteine Raalte als zeer bijzonder is ervaren. Waar wij ook aanklopten, bedrijven maar ook particulieren, en wat wij ook vroegen, altijd was er medewerking, en niets was teveel. En ook ongevraagd werd ons vaak hulp aangeboden. En ook bleek na zondag dat rekeningen door derden waren betaald, heel verrassend en fijn te mogen vernemen. Zeker ook de bijdragen die wij nadien nog mochten ontvangen, en donaties die misschien nog zullen volgen.

 

Werkgroep Stolpersteine Raalte.

Anton Heijmerikx

Op de Weegh, van der Weegh, oftewel Teuten:

Op de Weegh, van der Weegh, oftewel Teuten:

De bank van Pelt, een economisch en juridisch gebied in het voormalige Hertogdom Brabant, tegenwoordig in de Belgische Kempen, die o.a. de dorpen Klein en Groot Brogel, Kaulille, Neerpelt en Overpelt omvatten.

Een dun bevolkt en arm gebied bestaande uit heide en arme zandgronden, waar de plaatselijke bevolking moeizaam een karig bestaan vond, en waar door vererving de boerenbedrijven klein waren, en op een gegeven moment er geen deling meer kon plaats vinden, omdat dan het bestaan ern­stig bedreigd werd, en er ook geen nieuwe gronden door ontginning meer vrij kwamen, domweg omdat het op was.

Dat hield in, dat de oudste zoon meestal op de boerderij kwam, en de rest van de familie elders een bestaan moest opbouwen, terwijl men wel erg streekge­bonden was.

Dit noodgedwongen zoeken van andere bestaansmogelijkheden, zoals in de handel, betekende, dat men wegtrok uit de streek, en dat al sinds de 16e eeuw rond 1550 tot in de 20e eeuw toe, ca. 1914. Het uitbreken van de 1e wereldoorlog zal het eind van die specifieke handel bespoedigd hebben. Hoofdzakelijk naar Duits­land, en in mindere mate naar Nederland. Die handel stond bekend onder de naam Teutenhandel, uitgevoerd door Teuten.

Ook de aangrenzende gebieden van de Kempen brachten de handela­ren voort, met de naam Teuten. Buiten de genoemde Bank van Pelt, zijn ook bijv. Lommel en Luykgestel bekende Teutendorpen.

Alvorens de Teuten met hun handel in opgang kwamen, was er een andere manier om brood te verdienen, het vervoeren van goederen en vrachten vanuit de haven van Antwerpen naar alle windstre­ken, maar vooral Duitse windstreken. Deze voerlui kwamen uit de gebieden van de latere Teutenhandel. Van de 1382 voerlieden tussen 1488-1556, waarvan de herkomst te achterhalen was, kwamen er uit de Kempen en Brabant 559, en uit de latere specifieke Teutendorpen 131, bijna 10% dus. Die voerlui en de latere Teuten, waren de bovenlaag van de bevolking, en werden daardoor vaak tot burgemeester benoemd, of hadden andere belangrijke functies en waren vaak in goeden doen. Voerlui reisden evenals de latere Teuten in groepsverband, met het oog op veiligheid. Soms bestond een transport van voerlui uit wel 100 karren. Transport was in die dagen kostbaar, 100 pond goederen van Antwerpen naar Venetië kostte 7,5 pond, evenveel als de huishuur van 1 jaar in Antwerpen in de 16e eeuw. Het vrachtvervoer valt stil rond 1572-1576, met als oorzaak de sluiting van de Schelde door de Spanjaarden, en de vele bero­vingen van de voerlieden en of kooplieden. Ook door oorlogshan­delingen en daardoor teloorgang van handel en nijverheid, alsmede  de landbouw, komt er een eind aan de welvaart in die periode.

Tijdens die ellendige periode zullen ongetwijfeld oud voerlieden zijn overgestapt op de ambulante handel. Zij zijn daarin ongetwijfeld geslaagd, omdat zij als geen ander handels­ervaring hadden, zij kenden de waren voor de kwaliteit, wisten de afkomst voor de inkoop, en wisten de vraag voor hun afzet. Ook door hun talenkennis, het eerder reizen in groepsverband alsmede de ongeschreven wetten en gedragsregels, alsmede de route’s, de tollen en weggelden, vreemde maten en gewichten, vreemd geld, en de eigen taal die zij zich hadden eigengemaakt, gaven hun een voorsprong op ieder ander die hetzelfde wilde proberen. Tot slot, waren zij gewend om lang van huis en haard te zijn.

Maar omdat zij toch erg streekgebonden waren, keerden zij regelmatig terug, meest­al half december, om dan half februari weer te vertrekken tot omstreeks half december. De energiekste onder de Teuten met zakelijke inzichten organiseerden uitermate efficiënt werkende gesloten compagnieën.

Zij probeerden de kost te verdienen als veehandelaren, laken­verkopers, dierenlubbers, ketelboeren, koperslagers of mars­kramers, zij deden dat meestal in groepsverband tussen 2 tot 12 personen, een soort mondeling convenant, en dat alles in goed vertrouwen en overleg, zij noteerden niets, maar de compagnie bestond vaak uit personen met familiebanden, zoals vader, zoon, neef, broer, zwager en of goede bekenden. Dat samen gaan in groepen, was natuurlijk niet onverstandig, omdat zij toch vaak over s’Herenwegen trokken met veel kostbare koopwaar en geld, terwijl de veiligheid op de wegen nogal eens te wensen overliet.

Een van de dingen die zij vaak meevoerden, was een zogenaamde goastok, deze stok had verschillende functies, je kon hem gebruiken als wandelstok, als stok om bagage gemakkelijker te dragen, of als wapen tegen personen met verkeerde bedoelingen. De goastok was van binnen vaak uitgehold en bevatte dan een degen of rapier met eigen handvat, van staal en vaak in Duitsland in Solingen gesmeed. En voor zo’n geducht wapen, ging je graag aan de kant. Als zij vertrokken, kozen zij een plek in het gebied vanwaar zij wilden opereren, en gebruikten dat als magazijn en verza­mel­plaats, legden daar een voorraad aan als dat moest, en gebruikten dat als uitvalsbasis. Na een afgesproken tijd, verzamelden zij zich op die plek en stopten hun eventuele winsten en verdiensten in een gezamenlijke pot en verdeelden gezamenlijk de opbrengst, als er al eens iemand was, die door pech of bijvoorbeeld ziekte of een andere oorzaak niet of geen waar aan de man had gebracht, deed men daar niet moeilijk over, maar als dat te vaak dezelfde overkwam, dan ging hij de volgen­de reis niet meer mee en werd vervangen.

Deze Teuten hadden zoals eerder gemeld een eigen geheimtaal, zodat zij zichzelf wel maar anderen hun niet konden verstaan. Deze taal is gaande­weg geheel verloren gegaan, zeker toen velen zich hadden opgewerkt tot welgestelde kooplieden. Omdat zij veel met hun geheugen werkten, onthielden in goed vertrouwen en niet veel aan het papier toevertrouwden, zijn bewaarde archieven niet erg ruim gezaaid, ook al omdat veel verloren is gegaan bij vele particu­lieren. Wel zijn er zo hier en daar zakboekjes gevonden, die toch een goed en duidelijk beeld geven van het Teutenbestaan. Vele Teuten hebben hun handel dusdanig zien groeien, dat er grote firma’s uit zijn voortgekomen, in Denemarken bijvoorbeeld een fabriek van koperwerken, waar de Teuten het alleenrecht van koop en verkoop bezaten.

Deze koperteuten kwamen hoofdzakelijk vanuit Luykgestel, zij trokken als leerling vaak mee met een ervaren koperteut. Deze leermeester nam ook een kar vol waren mee, en de leerlingen meestal 5 à 6 personen moesten dan lopend er achteraan. De route ging vanuit Brabant door de Gelderse Achterhoek en via Twente, en in Twente moest de leermeester zijn waren kwijt geraakt zijn, want anders moest hij bij het overschrijden van de grens nabij Nordhorn belasting betalen. Ook was het meer regel dan uitzondering, dat hij met hulp van een plaatselijke smokkelaar illegaal de grens overstak. Dat dit niet zonder geld kon, was hem al een doorn in het oog.

Rondom Oldenzaal, Denekamp en of de Lutte, zullen de Teuten ongetwij­feld de Duitse handelaren zijn tegengekomen, die bekend staan als Tödden, ook wel tiötten of tüötten genoemd. Of er tussen de Belgisch/Nederlandse Teuten, en de Duitse Tödden overeenkomsten zijn, daarover zijn de deskundigen het niet eens, ik kom daar nog op terug..

Ook het Unilever concern bijvoorbeeld, komt oorspronkelijk voort uit de boterhandel van de teuten, van den Bergh en Jurgens.

In officiële geschriften komt de naam Teuten voor het eerst voor in 1668 te Eindhoven in een processtuk tegen Joost Jansen alias de Teut. Ook zijn er placaten uitgevaardigd met maatrege­len tegen Teuten, in Gelderland op 11-3-1679, in 1706 en 1777, waarin handelaren gedwongen waren een vaste woon en werkplek te nemen. Deze maatregel was bedoeld om de inwoners van dorpen en steden te beschermen tegen de rondtrekkende Teuten. Veel hielp dat niet, want vele Teuten kochten gewoon een huis, gingen er wel wonen, maakten daarvan hun magazijn en trokken evengoed in de verre omgeving rond. Weer anderen namen water en vuur, dus gingen in de kost, en trokken van daaruit ook rond.

In het Rijksarchief van Hasselt in België, staat opgeschre­ven, dat een jongeman uit Klein Brögel meeging op reis met een ervaren dierenlubber om het vak te leren, en hij betaalde daarvoor een prijs van tien gulden. Nadien beklaagde hij zich bij de bank van Pelt, dat hij het mes niet had mogen hanteren en dat hij dan wel alles gezien had maar nog niets kon. Het spreekt vanzelf dat de dierenlubbers of dierensnijders (castreerders van paarden, koeien, schapen en varkens) vaak alleen of hooguit met zijn tweeën opereerden, en ook geen uitvalsbasis hadden, zij bedienden zich vaak van een schalmei, een 6 of 7 tal koperen holle buisjes aaneen gesoldeerd met verschillende lengten tussen ca. 3 tot 7 cm. waarover men met een staaf ratelde, en zodoende hun komst aankondigde. De koperteuten herkende men vaak aan het rammelen van de potten en pannen, die zij aan haken rondom hun lichaam met zich meedroegen.

 

Deze reizende handelaren kwamen het meest voort uit 3 verschillende centra’s, Noord Westfalen, het Duitse Nederrijn gebied en de Kempen. Hun handelsgebied was eigenlijk heel Europa, men kon ze tegenkomen van Zweden, Denemarken tot in Hongarije toe. Zij handelden in vele zaken en artikelen, maar de boventoon voerde toch, koper, haar, textiel en in mindere mate boter, marskramers met hun groot assortiment artikelen op hun rug, en de dierenlubbers welke laatste groep eigenlijk een beetje een aparte plaats innamen. Koperen ketels werden veel verhandeld, om stokerijen al dan niet illegaal van ketels te voorzien, ook kochten zij oude versleten koperen ketels op, om zodoende die gehele handel in de hand te hebben. Haar werd opgekocht, om de pruikenhandel van haar te voorzien. Dat haar werd van particulieren gekocht, mensen met lang haar werden aangesproken om het te verkopen. Blond haar haalde men uit Scandinavië, zwart haar uit Hongarijë, Roemenië en de verdere Balkan. Zuiver wit haar werd ook op de Balkan opgekocht, maar werd daar aangevoerd vanuit Iran, maar dat was haar van bokken, specifiek van de sik van de bok. Bekend is o.a. dat Koning Willem I een pruik ophad van wit haar, een bokkenpruik dus, en aangezien hij niet de allervriendelijkste persoon was, was de bokkenpruik op hebben, op hem zeker van toepassing. Teuten waren een aparte groep in de samenleving, maar stonden beslist niet afzijdig van diezelfde samenleving. Ook stonden zij bekend om hun sobere en zuinige levensstijl, alsmede om hun ordentelijk en eerlijk gedrag, en hun werklust. In een bewaard gebleven schrif­telijk contract van een compagnie stond o.a.:

De belofte van het zich niet dronken drinken, geen kaart of kegel te spelen, niet vloeken nog te vechten en andere onbetamelijkheden na te laten.

In 1796 woonde te Overpelt 822 mensen, waarvan er 104 Teuten waren 12.5 %, een relatief groot aantal. Hiervan waren er 64 ketelbuter of koperslager, en 49 ongehuwd. Kramers waren er 23 waarvan 15 ongehuwd en aan snijders of dierenlubbers 17 waarvan 13 ongehuwd. Wel betekend dat gegeven, dat de vrouwen veelal samen met de oudere inwoners en de kinderen het vele werk thuis en op het land moesten verrichten, vooral in de zomermaanden, als hun wederhelft op pad was, en ook de opvoeding van de kinderen kwam voor hun rekening.

Over deze reizende handwerkslieden of handelaren, de teu­ten,  zijn verschillende publicaties verschenen van de hand van J.Mertens, verbonden aan het Rijksarchief van Hasselt in België, in het ” Jaarboek 1984 Het Oude Land van Loon”, Kempens kra­mersvolk in Nederlandse en Rijnlandse gewesten in de 17e eeuw (1985), en over de 18 en 19e eeuw (1995).

Veel teuten, ging het voor de wind, en hadden door hun financiële positie behoorlijk veel invloed in hun geboortegebied. Het gebeurde dan ook regelmatig dat bij verkiezingen voor het burgemeesterschap (Schepenen) de betreffende gekozen persoon nog op handelsreis was, en pas bij terugkomst hoorde dat hij gekozen was, en ook dan pas later beëdigd kon worden. Giften aan kerken en legaten geschonken door teuten, staven dat zij goed in de slappe was zaten, terwijl hun behuizingen van eenvoudige boerenerven langzaam veranderde in meer riante burgerwoningen, in het Vlaamse Openluchtmuseum te Bokrijk is een Teutenhuis uit 1731 afkomstig uit Exel te bewonderen.

Vrijwel zonder uitzondering, waren de Teuten katholiek, die voor geruime tijd hun Rooms-Katholieke gemeenschap verlaten, om vreemd genoeg zich grotendeels veelal in een Protestantse streken zich te gaan bewegen. Omdat zij daar dan vaak hun zondagsplicht niet konden vervullen, door het ontbreken van een katholieke kerk of anderszins, moesten zij vaak grote financië­le offers brengen aan hun thuisfront, en deden dat doorgaans ook genereus. Aan het thuisfront werd elke zondag in alle plaatsen waar Teuten vandaan kwamen, onder de hoogmis Gods zegen gevraagd voor de buitengaanders, en een jaarlijkse feestviering na hun terugkomst werd plechtig gevierd, met als verplichting het offeren van een vijf frank stuk, en een tweede mis voor de overleden compagnons. Omdat zij bijna allen uit alle windstreken in de winter terugkwamen naar huis en haard, meestal tussen St.Nicolaas en Kerstmis, werd in die periode de jaarlijkse mis gevierd, en werd aangekondigd door de pastoor met de woorden: De heerkens van zes weken zijn weer thuis, een uitspraak die in St.Huiberts Lille heel lang als een waarschu­wing gold, want tijdens de zes weken aanwezigheid, en de vele feesten die zij zich financieel konden veroorloven, liep het nog wel eens uit de hand. De uitdrukking, van de heertjes van 6 weken komt ook voor bij de Verenigde Oostindische Compagnie, alwaar men op dezelfde manier waarschuwde voor de zeelieden, als zij terugkwamen uit de Oost. Vermoedelijk duurde het 6 weken alvorens men door zijn geld heen was, en weer op pad ging. De stille en schrale Kempen, Belgisch en Nederlands, was uitgegroeid tot een groot centrum van Europese handel, dankzij vakkennis, eerlijkheid, werklust en onverschrokkenheid van de voerlui en later de Teuten.

Zij waren met hun nakomelingen de Burgerij van de Kempen, zij waren de Heren van de Kempen. (naar het woord van Senator Hubert Leymen uit België)

Dat er van die teuten zich ook blijvend gevestigd hebben, bijv. in Neder­land, bewijst de fam. op de Weegh / van der Weegh, die vanuit de plaatsen Zwartsluis en Oldemarkt zich over geheel Nederland hebben voortgeplant. Ook de familienaam Slechten is in het Sallandse geen onbekende naam, ook zij komen oorspronkelijk uit de Belgische Kempen. Ook in Maar­heeze nabij de Belgische grens heeft zich een tak gevestigd met de naam op de Weegh, maar dat zal gelegen hebben aan verspreiding vanuit het nabij gelegen Klein Brogel en Eksel. Ook zijn er natuurlijk teuten die in den vreemde zijn overle­den, gemiddeld 1.5 per jaar en niet alleen de ouderen, zo ook Arnold Opdeweegh zoon van Nicolaas Opdeweegh en Maria Bloemen, die geboren en gedoopt in Klein Brogel 4 april 1755, is overleden op zijn missie op 1 maart 1772, nog net geen 17 jaar oud, met als plaats van overlijden Holland. Vermoedelijk wisten zijn mede­reizigers niet eens precies waar.

En ook zijn neef, toevallig ook een Arnold overleed in Zeeland op 9 november 1769, maar dat kan of de provincie maar ook het plaatsje Zeeland in N.Brabant zijn. De plaatselijke pastoor noemt dan ook regelmatig de overledenen, die in verre landen en oorden zijn gestorven, Sine Luce Sine Cruse, zonder kaars en zonder kruis.

 

De families op de Weegh en van der Weegh, stammen beiden af van dezelfde voorvader, nl. Arnold Opdewege, de betekenis van die naam is, land gelegen tegen of aan een weg (dialect “weeg”). In 1844 was in Klein Brogel een huis met aangele­gen land en huisveld genaamd Weegh bewoond door een fam. Opdeweegh, maar hetzelfde goed is in 1577 ook al bewoond door Claes op die Weghe, ook al is niet bekend of dat familie van elkaar was. In België komen nog steeds mensen voor met de naam Opdeweegh en Vandeweeghde, aaneen geschreven, terwijl in Neder­land geschreven is als op de Weegh en van de(r) Weegh. In Nederland komen overigens momenteel ook Opdeweegh voor, die hun naam aaneen schrijven, ik zal U vertellen hoe dat komt. Een zoon met de naam op de Weegh ergerde zich mateloos in militaire dienst, dat hij steeds tot de letter W moest wachten alvorens hij aan de beurt was bij de uitbetaling van zijn soldij, dat hij zich Opdeweegh ging noemen, en zodoende een ruk naar voren schoof, tot de O in het alfabet, na diensttijd  bleef hij zijn naam zo schrijven, en dat is de reden. Op bete­kend gewoon wonend op het erf en goed de Weegh en van betekend gewoon komend van het erf en goed de Weegh.

Waar de naam Teuten vandaan komt, is niet duidelijk, het zou afkomstig zijn van tuiten of toeten op een hoorn om daarmee hun komst aan te kondigen, of van het Franse scheldwoord voor Teuton voor Duitsers, of van talmen bij het spreken of handelen dus teuten, maar dat laatste lijkt mij niet juist, een beetje handelaar is nu eenmaal rap van tong en van hande­len. Maar misschien is hun geheimtaal onderling wel de oorzaak van hun benaming, want voor niet verstaanders waren zij natuur­lijk maar raar aan het teuten, kortom een duidelijke verklaring is niet voorhanden.

Wat de betekenis van Teuten is, is nu wel duide­lijk, en ook de Dikke van Dale zegt over Teuten, volk van rondtrekkende koop­lieden, blikslagers e.d., afkomstig uit de Belgische Kempen. En naar deze handelslieden, is als eerbewijs de raadzaal van het stadje Peer genoemd, de Teutenzaal. Wij noorderlingen verstaan onder teuten, het praten, teuten over niets, en hopen dat in de raadzaal van Peer onze betekenis onbekend is en daardoor nimmer gebruikt is, alhoewel in de politiek weet je het maar nooit.

 

Ook in Duitsland kwam dit verschijnsel voor, onder de naam Tödden, textielhandelaren uit het gebied van het Teutoburgerwald, ook vrijwel allemaal van Katholieke huize. De bekendste nakomelingen zijn o.a. Carl en August Brenninkmeijer van C&A.

Ook uit het gebied van Westerwald in Rheinland Palts, voornamelijk uit Ransbach en Baumbach kwamen handelaren, maar in dit geval met aardewerk. Te bedenken, dat zij aanvankelijk lopende met hun zware handel op de nek Europa in trokken.

 

Bovenstaand artikel is grotendeels opgenomen in het boek “400 jaar op de Weegh op weg” welke ik eind 2000 heb uitgegeven.

Ook heb ik gemerkt, dat velen zoeken en lezen op de home-page naar de naam op en van de Weegh, velen reageren en zeggen toe familiegegevens door te zullen geven, maar dat doorgeven doen er dan uiteindelijk maar weinig, en dat is jammer. Misschien dat bovenstaand artikel uitnodigt om toch aanvullende gegevens ter beschikking te stellen, tenslotte kan iedereen van mij ook gegevens verkrijgen.

 

Anton Heijmerikx (mijn moeder was Everdina van der Weegh)

 

Lengenfeld , buitenkamp van concentratiekamp Flossenburg.

v:* {behavior:url(#default#VML);}
o:* {behavior:url(#default#VML);}
w:* {behavior:url(#default#VML);}
.shape {behavior:url(#default#VML);}

Normal
0

21

false
false
false

NL
X-NONE
X-NONE

/* Style Definitions */
table.MsoNormalTable
{mso-style-name:Standaardtabel;
mso-tstyle-rowband-size:0;
mso-tstyle-colband-size:0;
mso-style-noshow:yes;
mso-style-priority:99;
mso-style-parent:””;
mso-padding-alt:0cm 5.4pt 0cm 5.4pt;
mso-para-margin:0cm;
mso-para-margin-bottom:.0001pt;
mso-pagination:widow-orphan;
font-size:10.0pt;
font-family:”Calibri”,”sans-serif”;}

In 1944 bevind zich in Lengenfeld een buitenlager van het concentratiekamp Flossenburg.

Lengenfeld heeft ca. 800 gevangenen uit 11 landen die moeten werken voor de zogenaamde Lengwerken een fabriek die oorlogsonderdelen maakt voor de Junker-Werke. Junker-Werke was een vliegtuigbouwer tijdens de 2e wereldoorlog.

Het einde van kamp Lengenfeld, kwam bij de opmars van de Amerikanen, toen moesten de dan nog aanwezige krijgsgevangenen gedwongen op de zogenaamde dodenmarsen, richting centrum van Duitsland. Op 13 april 1945 werd het kamp ontruimd, en werd een begin gemaakt met de mars, naar later bleek concentratiekamp Flossenburg.

In 1943, worden onderdelen van de Junker vliegtuigfabrieken van Maagdeburg overgebracht naar Saxon Lengefeld. Dit om de fabrieken voor geallieerde luchtaanvallen te beschermen. Nazi Duitsland is bezig, om de productie van injectoren voor vliegtuigmotoren te ontwikkelen en die te beschermen voor geallieerde luchtaanvallen.
Onder de codenaam “Ling werken” was hier aan de rand van de stad in een voormalige katoenspinnerij deze onderdelen van Junker ondergebracht voor verdere productie.

In eerste instantie worden hiervoor dwangarbeiders en krijgsgevangenen ingezet, die gedwongen worden om te werken. Vanaf oktober 1944 wordt ook gebruikt gemaakt van krijgsgevangenen uit concentratiekampen om hier slavenarbeid te verrichtten in Lengenfeld.

Zo ook Josef Jokl een Tsjechische anti-fascist, die gevangen genomen is in 1943 door de Gestapo en werd gedeporteerd naar het concentratiekamp Flossenburg in Weiden.

In het najaar van 1944, is Josef Jokl, toen 33 jaar oud, samen met ongeveer 800 andere gevangenen uit Flossenburg naar Lengenfeld overgeplaatst.
Dit kamp bestaat dus sinds 1943 in Lengenfeld voor krijgsgevangenen en dwangarbeiders gelegen aan de Walkmulenweg, het bestond volgens bronnen uit een 6 tot 12 barakken, van een kazerne, omgebouwd tot een concentratiekamp. Gescheiden van de anderen bewoners van de concentratiekampgevangenen begon een beproeving dat de overlevenden hun hele leven is bijgebleven.

Josef Jokl moest elke dag met de andere gevangenen onder slagen van de SS-bewakers ongeveer 2 mijl naar het pand van de voormalige katoenspinnerij moeten lopen. In twee ploegen, 12 uur per dag moesten de mannen zwoegen onder onmenselijke omstandigheden voor nazi-Duitsland. Er was te weinig eten, en iedereen die niet verder kon, werd vermoord door de nazi’s. Tot de ontbinding van het kamp op 13 April 1945, waren er van de ca. 1.000 gevangenen er 246 gestorven. In Reichenbach liggen 189 doden begraven, in Lengenfeld 57 doden.

Toen het concentratiekamp Lengenfeld aan de Walkmuhlenweg werd gesloten op 13.April1945, werd rond 20.00 uur een begin gemaakt met de dodenmarsen onder leiding van de SS, door de dan nog 744 gevangenen richting het zuiden naar Flossenburg. Zij kregen ieder een 3 pond zwaar brood mee voor onderweg.
In een snel tempo ging het naar Rodewisch, slechts enkele mijlen verder, en hier worden dan al de eerste uitgeputte gevangenen doodgeschoten door de SS.

Over Rodewisch, gingen ze naar Schonheide en vervolgens naar Eibenstock.

Er was nauwelijks een plaats waar even stil werd gehouden of er werden gevangenen doodgeschoten door de SS bewakers.
In het stadje Eibenstock werd even rust gehouden in een groot weiland.

Een tweede groep gevangenen met concentratiekamp gevangenen van Osterstein Castle nabij Zwickau komt ook Eibenstock binnen wankelen, en zorgt voor enige onrust en opschudding door het vele gekletter van hun zware houten klompen die ze droegen.

Intussen is de groep uitgegroeid tot ongeveer 1.600 gevangenen waarvan het overgrote deel van de krijgsgevangenen totaal uitgehongerd is. Ca. vijftig gevangenen die niet verder kunnen, worden ter plekke doodgeschoten, vermoord door de SS in het weiland.

Op deze 15e April, het gaat maar door, met koortsachtige haast, worden de gevangenen opgejaagd door de SSers naar het verderop gelegen Johanngeorgenstadt.

Josef Jokl die datums op een kalender had bijgehouden, had met het verlaten van zijn laatste krachten, ook zijn kalender niet meer bijgehouden en alle tijdsbesef verloren.
Ondertussen kwamen zij op hun tocht in de Tsjechische Republiek aan, en werden onderweg door vliegtuigen van de geallieerden aangevallen. Elf dagen duurt nu de dodenmars, en tijdens een van de aanvallen van de geallieerden, maken Josef Jokl en zestien andere gevangenen gebruik van een aanval en spelen dat zij dodelijk getroffen zijn, en de aanwezige SS ers nemen dat in de ontstane paniek aan. De bewakers zullen niet lang de tijd genomen hebben, om na te gaan of de gevangenen echt dood waren, dat tot hun grote geluk.
Josef Jokl overleefd het naziregime, miljoenen andere mensen niet. Vervolgens gaan de overige verder naar Karlovy Vary (Karlsbad), Marienbad naar Pfraumberg (Primda) ca. 25 kilometer verwijderd van het eigenlijke doel, Flossenbug, hier eindigt deze dodenmars op 26 april 1945 en worden de laatste overgebleven, en de niet onderweg vermoorde of ontsnapte gevangenen door de SSers eenvoudigweg vermoord, na een zinloze voettocht van ruim 150 kilometer.

De reden was, dat op 23 april 1945 de Amerikanen Flossenburg hadden bevrijd en men niet wist wat met de overgebleven gevangenen te doen.

Het centrale magazijn in kamp Lengenfeld was al op 15 April door de SSers in brand gestoken, om zoveel als mogelijk de sporen van hun terreur proberen uit te wissen.

De dan aanwezige zieke en niet in staat zijnde gevangenen die niet mee konden op de dodenmars, werden in dat zelfde magazijn eenvoudig levend verbrand.

De sporen van de gruweldaden werden niet vergeten, herinneringen van de overlevenden hebben gezorgd voor een gedenkplaat op de plaats van het voormalige concentratiekamp.

Josef Jokl kwam op 7 mei 1965 weer naar de plaats van Lengenfeld. In zijn aanwezigheid, werd het monument voor de slachtoffers van de KZ-kamp Lengenfeld ingehuldigd op deze gruwelijk historische plaats, voor alle omgekomen Krijgsgevangenen en Dwangarbeiders.

Anton Heijmerikx, Lathen.

anton@heijmerikx.nl

www.heijmerikx.nl